< Terug

Preekschets Lucas 1:68 – Derde Advent

Derde advent
Lucas 1:68

‘Geprezen zij de Heer, de God van Israël,
Hij heeft zich om zijn volk bekommerd en het verlost.’

Schriftlezingen: Psalm 132; Lucas 1:67-79 (eerste deel van de lofzang van Zacharias)

Het eigene van de zondag

Op de derde en vierde Adventszondag komt de lofzang van Zacharias aan de orde. Het gaat in deze lofzang om de realisering van het heil van God. In het eerste gedeelte dat deze zondag aan de orde is wordt dit heil vooral gezien als een reddend ingrijpen van God in de mensenwereld.

Uitleg

De lofzang van Zacharias staat – samen met die van Maria in hetzelfde hoofdstuk (vers 46-55) – stevig geworteld in de traditie van het Oude Testament. Model voor beide staat de lofzang van Hanna naar aanleiding van de geboorte van Samuël (1 Samuel 2: 1-10). Gods ontferming over degenen die onder de mensen gering geacht, gehaat en verdrukt worden, is de grondtoon van alle drie de liederen. In de lofzang van Zacharias komt daarbij Gods trouw aan het koningshuis van David. Hierin sluit de lofzang aan bij Psalmen als 89 en 132, die op hun beurt weer terug gaan op de profetie van Natan in 2 Samuël 7:5 e.v. De geboorte van Johannes is voor Zacharias aanleiding een lied aan te heffen op Gods verlossend ingrijpen ten bate van zijn gehate en verdrukte volk Israël. Vervuld van de Geest ziet hij – profetisch – de verlossing van Israël als iets dat reeds beslag gekregen heeft. Kwam in de tegenwerping van Zacharias in vers 18 de menselijke onmacht om te geloven naar voren, in de lofzang zien we het geloof op profetische hoogte: het heil dat God in zijn woord belooft, is meer werkelijkheid dan wat Israël op dat moment nog van zijn vijanden te verduren had.

Vers 67 lees ik als een nadere uitwerking van wat in vers 64 wordt vermeld. Zacharias ‘werd vervuld met Heilige Geest’ (zonder lidwoord; vgl. vs 15), een goddelijke adem die hem geheel vervult. Alle ongeloof en tegenwerping is hier als kaf voor de wind verwaaid. Zacharias treedt hier op als profeet. Geest en profetie horen voor Lucas bijeen. De profeten van het Nieuwe Testament spreken door dezelfde Geest als die van het Oude; vergelijk Handelingen 4:25 (letterlijk weergegeven) van God ‘die door heilige inspiratie van de mond van onze vader David, uw kind, gesproken hebt’ enzovoort.

Vers 68 Eulogètos: ‘gezegend’. In de lofzang zet de mens de Naam van God kracht bij op aarde. ‘Here’ staat hier voor de Naam van de God van Israël, Exodus 3:14: ‘Ik ben, die Ik ben’, ‘lk zal zijn, die Ik zijn zal’, de Betrouwbare, die in vrijheid aanwezig is en blijft. ‘Omgezien’ verwijst naar het verlossend ingrijpen van God waaraan Israël zijn bestaan als volk te danken heeft: Exodus 4:31 waar God Israëls verdrukking in Egypte ziet. Kai, explicatief: ‘omzien naar’ en ‘verlossing teweegbrengen’ vallen samen. Het verlossend ingrijpen wordt in steeds andere beelden en bewoordingen bezongen. Lutrósis is loskoping uit een toestand van slavernij: in de Messias uit Davids huis krijgt Israël zijn rechtmatige koning terug.

Vers 69 Kai weer explicatief. Loskoping en herstel van Davids huis vallen samen. ‘Hoorn des heils opgericht’, een nieuw beeld voor Gods verlossend ingrijpen. De uitdrukking ook in 1 Samuël 2:1,10; Psalm 132:17 (ook van het huis van David). ‘Hoorn’ duidt op weerbaarheid tegenover de vijanden van God en zijn volk. ‘In het huis van David, zijn knecht’, of ‘kind’, een messiaanse titel (vgl. Handelingen 4:25, van David, en vers 30, van Jezus, teruggaande op het ‘mijn zoon’ in Psalm 2:7 LXX). De intieme band tussen God en David die met het woord ‘kind’ wordt aangeduid, wijst vooruit naar het zoonschap van Jezus.

Vers 70 geeft opnieuw de nauwe verbinding van evangelie en oudtestamentische profetie aan. In de gebeurtenissen rond Jezus en in zijn persoon komen de woorden van de profeten tot vervulling.

Vers 71 Sótèria, ‘bewaring, behoud’ tegenover de vijanden die het bestaan van Israël aantasten. De ‘vijanden’ en haters van Israël zijn concreet: de usurpator Herodes (1:5), Augustus (2:1), Tiberius met zijn vertegenwoordigers Pontius Pilatus, Herodes, Filippus en Lysanias (3:1). Door het herstel van het koningshuis van David komen al deze heersers als usurpators openbaar. Vergelijk de interpretatie van Psalm 2 in Handelingen 4:25-28. ‘Uit de hand’, dat wil zeggen de gewelddadige greep waarin zij Israël bekneld houden.

Vers 72 Eleos, ‘ontferming’, betrokkenheid die gestalte krijgt (poièsai, ‘doen’). De ‘vaderen’ zijn het hele voorgeslacht van IsraëI. Door de komst van de Messias in het koningshuis van David wordt ook aan hen recht gedaan, volgens het verbond dat God met zijn volk gesloten had.

Vers 73 gaat terug naar de oorsprong van dit verbond, de eed die God aan Abraham gezworen heeft.

Vers 74-75 ‘Dat Hij ons zou geven’ enzovoort, de inhoud van het ‘verbond’ en de ‘eed’ uit de voorafgaande verzen. ‘Geven’: het leven voor God is een gave van God zelf. De weg waarlangs God dat leven geeft wordt aangeduid met de woorden ‘uit de hand der vijanden verlost’. Een nieuw beeld voor Gods verlossend ingrijpen: afweer (ruestha) van vijandelijke dreiging. Dat maakt het – positief – mogelijk ‘zonder vreze “God” te dienen’. De hele lofzang zelf is al een voorbeeld van dit dienen zonder vrees: terwijl de vijanden van Israël nog op hun tronen zitten, zingt Zacharias hun de lof van God in het aangezicht. Het ‘zonder vreze’ staat ook tegenover de vrees waarmee de vijanden Israël aan zich trachten te onderwerpen. Het geloof maakt vrij van mensenvrees. God dienen is geen slavendienst, maar een dienst in vrijheid, zonder angst. ‘Heiligheid’, toewijding van het leven aan God, die bevrijdend in de mensenwereld ingrijpt. ‘Gerechtigheid’ heeft meer betrekking op de naaste. Wie dit nieuwe leven van God ontvangen heeft, gunt dat ook zijn naaste, opdat die ook ‘zonder vreze’ leven mag. ‘Voor zijn aangezicht’, hetzelfde als ‘in heiligheid’, toewijding aan God. ‘Al onze dagen’, nog iets meer dan gewoon ‘een leven lang’. Het leven is niet een streep zonder geledingen, maar wordt in dagen geteld. Een leven op menselijke maat, waarvan iedere dag opnieuw aan God wordt toegewijd.

Aanwijzingen voor de prediking

Er is continuïteit en voortgang in Gods heilshandelen. De oudtestamentische beelden van Gods verlossend ingrijpen voor Israël krijgen in het vervolg van het evangelie gestalte in de persoon van Jezus. Homiletisch is het niet raadzaam de oudtestamentische wortels van iedere uitdrukking in de lofzang na te gaan. Wel laten zien dat de oudtestamentische prediking hier vlak voor het optreden van de Messias nog één keer samengevat wordt. Een bijzonder probleem is de concretisering van de ‘vijanden’ in een preek voor de nieuwtestamentische gemeente. In Christus deelt zij in het heil van Israëls God. Dat geldt ook voor heil als verlossing van vijanden. Er bestaat de neiging de vijanden in de uitleg voor de gemeente te vergeestelijken, zoals in de kanttekeningen bij de NBG-vertaling gebeurt: ‘Zacharias bedoelde de vreemde macht, die Israël onderdrukte (…); wij denken aan geestelijke machten: zonde, satan’ (E. Smilde). Dit lijkt mij een noodoplossing. De vijanden in de lofzang zijn mensen. Gelegenheid om in de preek in te gaan op de macht die mensen, vooral gezagsdragers, met hun woorden, beslissingen en maatregelen in ons leven hebben. Hun woorden kunnen beslissen over oorlog en vrede, leven en dood van hele volkeren. Een maatregel van een politicus – ook wanneer die ons niet vijandig gezind is – kan ons leven beslissend beïnvloeden. De vrees voor hun woorden leeft diep op de bodem van het hart. Zacharias zingt de vijanden van Israël recht in het aangezicht. Als de vonk van de lofzang overspringt wordt de vrees uit het hart verdreven en durven we de mensen temidden van wie we leven vrij aan te zien, recht in het aangezicht. Men denke ook aan de vrijheid waar Paulus (Galaten 5:1) van spreekt. Een gemeente die de lofzang zingt is niet klein te krijgen, door geen mens!

Liturgische aanwijzingen

Liederen Psalm 89, 96, 132; LB 61, 121

< Terug