< Terug

Rechters 6

In de artikelenserie Gideon-Abimelech. Onderdeel van een lang verhaal verdiept Piet van Midden zich in Rechters 6 tot en met 9.

Zie ook

Bij Rechters 6

Het verhaal opent met een klassieke zin: ‘De Israëlieten deden wat slecht is in de ogen van JHWH.’ Deze zin is onderdeel van een min of meer vast schema in Rechters en in uitgebreide zin ook in de andere boeken die we ‘deuteronomistisch’ noemen. Ofwel: geschreven vanuit de theologische visie die we in Deuteronomium vinden. Bij die theologische school horen naast Rechters ook de boeken Jozua, Samuël en Koningen. Ook in Jeremia vinden we de deuteronomistische stijl, die heel kort door de bocht zoiets inhoudt als ‘eigen schuld, dikke bult.’ Of teruggaand naar tekst uit Rechters:

  • De Israëlieten doen wat slecht is in de ogen van JHWH. JHWH laat zijn volk los. Daarmee breekt de ellende los.

  • Het volk bezint zich en erkent schuld. Ze roepen tot hun God.

  • JHWH ontfermt zich uiteindelijk, roept een bevrijder.

  • Het land krijgt een aantal jaar rust.

Een element in dit schema kan zijn dat een bode van JHWH de gemaakte fouten extra aan de orde stelt en oproept tot bekering. Een en ander houdt in dat wat Israël overkomt, geen noodlot is, maar schuld. In de Gideon-Abimelech-cyclus is dat heel helder. De Israëlieten doen wat kwaad is in de ogen van JHWH en die geeft hen over in de hand van Midjan, zeven jaar lang. Met alle ellende van dien. Opvallend is dat de beschrijving daarvan steeds in drievoud is: de Israëlieten richten schuilplaatsen in in bergspleten, grotten en moeilijk bereikbare plekken. De vijand bestaat uit Midjan, Amalek en de ‘zonen van het oosten’. Er blijft geen schaap, rund of ezel over. Enzovoort. Dat vertellen in drievoud, die ternaire stijl, vinden we op allerlei niveaus in de Gideon-Abimelech-cyclus terug. Het geeft extra accent aan het vertelde. Midjan in drievoud is meer dan zomaar Midjan.

Een engel

Nu roepen de Israëlieten in grote nood tot JHWH en die stuurt een profeet (Rechters 6:8) die een boodschap heeft die zonneklaar is en past in het zojuist beschreven deuteronomistische schema: ‘Ik heb je weliswaar uit Egypte gered maar je bent de goden van de Amorieten gaan dienen en je hebt naar mijn stem niet geluisterd!’ Eigen schuld dikke bult dus.

Daarmee is het laatste woord niet gezegd: nu komt er een mal’ak, een engel, een bode, die onder de heilige boom van het plaatsje Ofra gaat zitten. Of dat een eik, terebint of andere boom is, doet er niet toe: ’eelaa staat er in het Hebreeuws en wat ’eel is weten we: god. Een godenboom dus, zoals we die zo goed kennen uit het Oude Testament: de natuurkracht tot iets heiligs verheven. Baäl in zijn krachtigste vorm. Die boom is nota bene eigendom van Joas, de baas van de familie Abiëzer uit Ofra. De engel gaat dus boven op het heiligdom van Baäl zitten! Vandaar heeft hij goed zicht op Gideon, die hier in een bijzinnetje wordt ingevoerd. Hij is bezig tarwe uit te kloppen in een wijnpersbak, dus onzichtbaar. Hij maakt zijn naam helemaal waar: Gideon, dat is ‘de klopper’.

De engel heeft bepaald gevoel voor humor als hij Gideon aanspreekt: ‘JHWH is met je, jij dappere held!’ Gideon hoort de ironie in de groet van de bode niet. Hij loopt meteen leeg tegen de engel: ‘Ach meneer, als God met ons is, waarom…’ We kunnen de toon van de klacht wel raden: het is Gods schuld. Die heeft het volk in de macht van Midjan gegeven. Dat het verhaal opent met ‘de Israëlieten deden wat slecht is in de ogen van JHWH’ vergeet hij voor het gemak. De engel laat zich niet verleiden tot een theologische discussie. Integendeel. Gideon kan wel jammeren, maar hij kan er ook zelf iets aan doen: ‘Ga in die kracht van jou en bevrijd Israël uit de greep van Midjan.’ ‘Die kracht van jou?’ Dat is niet meer dan de kracht van een tarweklopper. Meer heeft Gideon niet in te brengen. Dat past precies in dat deuteronomistische schema: de mens kan zichzelf niet aan zijn haren uit het moeras trekken. De redding moet van JHWH komen. Redders worden geschonken, niet verwekt. Het heeft nog wel wat om het lijf eer Gideon door heeft dat hij ingezet wordt in JHWH’s reddingsplan. De enige garantie die hij krijgt, is dat JHWH met hem is. ‘God met ons’ is niet een stoer logo, maar een belofte van JHWH’s kant.

Een teken

De bange tarweklopper, die bijna een dienstklopper wordt, vraagt om een ’oot, een onmiskenbaar teken dat het JHWH is die met hem spreekt. Daarmee wordt de functie van de engel mooi getekend. Een engel is een extensie van God. Hij verschijnt als JHWH al te dichtbij moet komen. Gideon wil de engel een mincha voorzetten, een plantaardige offergave, maar hij bereidt een complete vleesmaaltijd. Bijzonder als we bedenken dat er geen schaap, geen os en geen ezel in het land was overgebleven. Al die tijd wacht de bode van JHWH geduldig, zoals aan Gideon is beloofd. Van de maaltijd wordt niets genuttigd. Op bevel van de engel wordt het eten neergelegd op de rots waarop het heiligdom is gegrond, en in een verterend vuur verdwijnt de engel. In de Simson-cyclus vinden we een soortgelijk gebeuren bij een offer (Rechters 13:19-20). De bode bewijst ermee een engel te zijn, en aan God wordt de eer gebracht die Hem toekomt. Dat Gideon het als overweldigend ervaart en bang is dat hij er het leven bij laat, vinden we ook bij de ouders van Simson. Maar JHWH stelt hem gerust met een onverwachte groet: shalom leka, vrede voor jou! Gideons eerste daad is het bouwen van een altaar dat de veelzeggende naam JHWH shalom, ‘JHWH is vrede’ krijgt. Er zal nog veel oorlog volgen…

Nu Gideon niet aan zijn roeping kan ontkomen, oefent JHWH hem in het redderschap. Hij kan dichtbij beginnen, gewoon thuis bij de stier van zijn vader en bij de ’asheera, de heilige paal. De stier in al zijn kracht en potentie stelt Baäl voor en de ’asheera is een vegetatiegodin; de paal kan hier als een fallussymbool worden geduid. Baäl en zijn pantheon staan voor vruchtbaarheid, voor wat krachtig en sterk is: de zelfredzaamheid in oosterse vorm. Het zwakke en kwetsbare vindt bij Baäl geen gehoor. De opdracht is het altaar van Baäl omver te halen en de stier te slachten, een altaar voor JHWH te bouwen en het dier te offeren op het hout van de gewijde paal. Dat wordt het tweede altaar dat Gideon bouwen zal.

Baäl kan het zelf wel

De tarweklopper is nog geen grote held: hij zoekt tien mannen (alsof hij minjan maakt) en voert de opdracht van JHWH ’s nachts uit, bang als hij is voor zijn familie (die immers eigenaar is van het heiligdom) en voor ‘de mannen van de stad’. De familie blijkt niet het probleem te zijn, de mannen van de stad wel: die zien de bescherming van hun godheid wegvallen en eisen maatregelen van de baas van de stad, Gideons eigen vader Joas. Gideon moet sterven. Maar Joas, die in eerste instantie is getekend als een Baäl-aanhanger, blijkt een gewiekst politicus, die de Baäl gebruikt om zijn bevolking koest te houden. Hij erkent de macht van Baäl onmiddellijk en geeft er een mooie wending aan: ‘Het is toch beledigend voor je godheid als die zijn eigen verdediging uit handen moet geven! Dat kan hij heel goed zelf en daarbij moet je hem niet voor de voeten lopen. Dat is levensgevaarlijk.’ Daar hebben de mannen van de stad geen antwoord op. Gideon ontleent zijn tweede naam aan dit conflict: Jerub-Baäl. ‘Hij die ruzie heeft, een rieb, een strijd met Baäl. Met die naam zal hij straks in hoofdstuk 7 worden geïntroduceerd als legeraanvoerder.

Nu Gideon enigszins geoefend is, moet hij de grote strijd aanpakken. De vijand in drievoud is samengepakt in de vlakte van Jizreël, de enige plaats waar je gemakkelijk van oost naar west (en omgekeerd) kunt reizen. Het is de standaardlocatie voor een grote strijd, zelfs voor een Harmageddon! Gideon stuurt boden uit naar de noordelijke stammen, die hem zullen volgen; zijn familie als eerste. Nu slaat de onzekerheid toe: als dit werkelijk de wil is van JHWH, laat Hij dat dan kenbaar maken. En wel aan een schapenvacht. Enige overeenkomst met het Gulden Vlies uit de Griekse mythologie is er niet, afgezien van het feit dat de inzet een vlies is. Als het vlies nat wordt en het land droog blijft, is dat een bewijs dat JHWH Gideon wil inzetten. JHWH slaagt voor die toets, maar het is niet genoeg voor deze bange klopper. In de volgende nacht moet het andersom zijn: het land nat en het vlies droog. De verteller zegt niet dat Gideon nu overtuigd is. Alleen dat JHWH heeft gedaan wat Gideon had gevraagd. Er is geen ontkomen meer aan: hij moet aan de bak.

Lees het aansluitende artikel: Rechters 7.

Zie ook de ‘Efemeriden’, korte videocolleges van P. van Midden, bij

Rechters 6:11-13

Rechters 6:30-31

< Terug