< Terug

Schaap

kudde

Schapen behoren tot de dieren die in kudden moeten leven. Ze zijn kwetsbaar, zwak en langzaam, niet of nauwelijks in staat zichzelf te verdedigen tegen wilde dieren. Een verdwaald schaap is al snel ten dode opgeschreven. Schapen zijn bij uitstek kuddedieren. Er dient een onderscheid te worden gemaakt tussen wilde schapen die aaneengesloten in kudden in moeilijke toegankelijke gedeelten van het hooggebergte leven en de al vele eeuwen bekende ‘huisschapen’ die zozeer gedomesticeerd zijn dat ze, ook al hebben ze zich in kudden aaneengesloten, volkomen afhankelijk zijn van de begeleiding door een herder – of herders -, eventueel vergezeld door een of meerdere ‘herdershonden’, getraind in de bewaking van de kudde. In de bijbel komt het wilde schaap vrijwel niet voor.

Grondtekst

In het Hebreeuws wordt voor schaap – of kleinvee in het algemeen – vaak (273x) het woord tson gebruikt (Gen. 30:43; 1 Sam. 25:2); in het Oude Testament komen echter ook andere termen voor: sè, meestal in de betekenis van jong schaap of lam (Ex. 12:5; Deut. 14:4); een kèvès is een jong bokje (Ex. 12:5; 2 Kron. 35:7) en een kivsah een jong lam (Gen. 21:28-30; Lev. 14:10); een jonge ram is een kèsèv (Lev. 3:7; 4:35; 7:23); terwijl voor het moederschaap een enkele maal het woord rachel wordt gebezigd (Gen.31:38; 32:15; Jes. 53:7; Hoogl. 6:6). De Septuaginta vertaalt de woorden tson en meestal met probaton. Een term die ook in het klassieke Grieks algemeen gebruikelijk was. In dit woord valt de oorspronkelijke betekenis nog te herkennen: ‘wat vooruitgaat’, dat wil zeggen het bezit dat ‘beweegt’, in tegenstelling tot bezittingen die als ‘onroerende goederen’ getypeerd kunnen worden.

In het Nieuwe Testament komt het woord probaton vooral in de vier evangeliën voor: Matteüs llx (7:15; 9:36; 10:6,16; 12:11,12; 15:24; 18:12;25:32,33; 26:31 (Zach. 13:7); Marcus 2x (6:34; 14:27); Lucas 2x (15:4,6), terwijl Johannes de kroon spant met niet minder dan 17x, maar dat hoge aantal wordt veroorzaakt door het beeld van de goede herder met zijn schapen in het tiende hoofdstuk (vgl. daarnaast 2:14,15; 21:16,17). Buiten de evangeliën komt het woord probaton slechts 5x voor (Hand. 8:32; Rom. 8:36; Hebr. 13:20; 1 Petr. 2:25; Op. 18:13).

Letterlijk en concreet

a.In de gehele oud-oosterse wereld was het bezit van schapen – van kleinvee in het algemeen – wijd verspreid. Door klimatologische omstandigheden gedwongen leefden de bezitters van kleinvee veelal als nomaden. Tijdens de droge perioden van het jaar trokken zij met hun kudden van plaats tot plaats op zoek naar water en voedsel. Zo leefden ook de patriarchen Abraham, Isaak en Jakob. Na de Exodus uit Egypte en de terugkeer in het beloofde land ontwikkelde de landbouw zich en verdween het nomadische bestaan naar de achtergrond. Ondanks die ingrijpende maatschappelijke veranderingen bleef het bezit van een kudde schapen een belangrijke bron van inkomsten en bleef het noodzakelijk gedurende een deel van het jaar als nomade rond te trekken. Wie over veel geld beschikte, deed dat niet meer zelf, maar nam één of meerdere herders in dienst.

b.Het bezit van schapen was een belangrijke graadmeter voor rijkdom, aanzien en invloed. Wie veel schapen had, mocht een rijk man worden genoemd (Job 1:3; 42:12); en wie rijk was, stond in aanzien en had invloed. Mannen als Isaï (1 Sam 16:11; 17:20,34) en Nabal (1 Sam. 25:2) konden zich beroemen op het bezit van talloze schapen. Koningen schaamden zich niet voor hun kudden kleinvee en in de beschrijving van de welstand van de goede koning Hizkia wordt het bezit ervan gezien als een gave van God (2 Kron 32:28-29).

c.Vanuit economisch oogpunt gezien waren schapen van essentiële betekenis. Bij hun leven produceerden zij wol en melk; na hun dood kon hun vlees worden gegeten, terwijl hun vacht tot kledingstuk werd verwerkt. Een mantel van schapenvacht was een gezocht artikel, omdat hij voldoende bescherming bood tegen de nachtelijke kou. Een teken van rijkdom of luxe was hij niet, eerder een bewijs dat de drager of draagster niet tot de vermogende mensen behoorde.Waarschijnlijk is dat de reden dat profeten en anderen die een alternatieve levensstijl propageerden (Mat. 7:15; Hebr. 11:37), zich bij voorkeur in een dergelijke mantel hulden.

d.Schapenvlees werd vaak gegeten en bovendien fungeerden schapen en lammeren bij tal van gelegenheden als offerdieren (Lev. 3:6; 4:32; 5:7 etc.; vgl. 1 Kon. 8:63-64; 2 Kron 7:5; 15:11; 30:24).

e.Schapen leven in kudden. Zij zijn kwetsbaar en kunnen zich niet of nauwelijks verweren tegen aanvallen door roofdieren. Zij moeten beschermd en geleid worden. Om die reden speelt in de wereld van de bijbel de herder zo’n belangrijke rol (Ps. 23:1; Mat. 18:12-14; Joh. 10:1-18).

Beeldspraak en symboliek

a.In overdrachtelijke betekenis kan het beeld van het schaap – in combinatie met schaapskudde en herder – zonder veel moeite en toelichting worden toegepast op het volk Israël en op de verhouding tussen God en zijn volk (2 Sam. 24:17; Jes. 63:11). Israël heeft evenals een kudde kleinvee leiding nodig. De ervaring leert dat het volk zowel beschermd als begeleid moet worden. Zonder betrouwbare leiding is het als een schaapskudde zonder herder (Num. 24:17). Israël mag weten dat het niet behoeft te wanhopen, want uiteindelijk is God zelf degene die het volk als ‘zijn schapen weidt’ (Ps. 100:3).

b.De spreekwoordelijke weerloosheid van schapen – of lammeren, geiten en bokken – maken deze dieren tot geliefde symbolen om zowel de kwetsbaarheid van het menselijk bestaan in het algemeen als de zwakheid van individuele mensen tot uitdrukking te brengen. In hun overmoed en hoogmoed, in hun machtswellust en heroïsche dromen menen velen God naar de kroon te kunnen steken, uiteindelijk blijken alle grote woorden vergankelijk en zijn zij ‘als schapen zonder herder’ (Num. 27:17; 1 Kon. 22:17; Ez. 34:5; Mar. 6:34). Zonder die herder is de kudde reddeloos verloren (Zach. 13:7; Mat. 26:31).

c.Schapen zijn afhankelijk van hun herder. De geschiedenis leert – helaas! – dat niet elke herder goed te noemen is. Zo heeft het volk Israël moeten ervaren dat het door slechte herders – onbetrouwbare leiders – werd geleid (Jer. 23; Ez. 34). Op een goede herder kan het schaap blindelings vertrouwen, een goede herder laat zijn kudde niet in de steek, een goede herder zet zelfs zijn leven op het spel voor de dieren die hem zijn toevertrouwd. In het evangelie naar Johannes wordt Jezus om die reden de goede herder genoemd (Joh. 10:3).

d.De weerloosheid en de argeloosheid van schapen – en dus ook van lammeren – maken deze dieren tot veelzeggende symbolen van het lijden van mensen: ‘Ik (de profeet Jeremia) was argeloos als een lam dat voor de slachting gebracht wordt; ik vermoedde niet wat ze tegen mij beraamden’ (Jer. 11:19). Over de lijdende Knecht van de Heer wordt gezegd: ‘Wij allen zijn als schapen verloren gelopen, en ieder van ons is eigen wegen gegaan; maar de Heer heeft de schuld van ons allen op hem laten neerkomen. Hij werd gefolterd maar hij onderwierp zich; hij heeft zijn mond niet geopend, zoals een lam dat naar de slacht wordt geleid. En zoals een schaap dat stom is voor zijn scheerders, heeft hij zijn mond niet geopend’ (Jes. 53:6-7).

Praxis

a.Liederen:

Liedboek: Psalm 44; 65; 74; 79; 95; 100; Gezang 13; 50; 58; 75; 83; 137; 179; 181; 395; 436; Alles I: 21; III: 12; Bijbel I: 62; 65; II: 69; III: 63; Gezegend: 30; 123; 219; Liturgie: 422; ZAD III: 17; 31; Zingend I-II: 42; III: 63; V: 20; 73; Zleven: 41; Zolang: 38 (= Gezangen: 795; Liturgie: 420).

b.Poëzie:

Hans Bouma, Wat overbleef, Kampen 1973, blz. 10: ‘Psalm in mineur’. Chr. J. van Geel, Dierenalfabet, Amsterdam 1978, blz. 171: ‘Schapen’. Ida Gerhardt, Verzamelde gedichten, Amsterdam 1980, blz. 334: ‘Eb’. Herman Gorter, Mei, Amsterdam 1989, blz. 351, regel 255-259: ‘Zo heb ik ook wel een enkel lam…’. Jan Willem Schulte Nordholt,Verzamelde gedichten, Baarn 19962, blz. 191: ‘Winterbos’. M.Vasalis, Gedichten, Amsterdam 1997, blz. 56: ‘Nu word ik nooit meer radeloos…’. Vergilius, Het boerenbedrijf ‘Georgica’, Den Haag/Amsterdam 1969 (vertaling Ida Gerhardt), blz. 68: ‘Een schaap.’.

c.Verwerking:

Om inzicht in het bijbelse woord schaap te verwerven, is een goede werkwijze het verzamelen van de werkwoorden waarvan het schaap subject of object is. We zien de werkwoorden leiden, beschermen, roepen, zoeken, vinden, verdwalen, verzamelen enzovoort. En vanuit de werkwoorden kunnen we hetgeen zich rondom het schaap en de kudde afspeelt nader gaan invullen. Aldus krijgen we zicht op de betekenis van schaap en kudde. Thema’s die in de werkwoorden verborgen liggen zijn onder andere: gemeenschap, collectief en individu, communicatie, verlangen, geborgenheid en veiligheid, maar bovenal kwetsbaarheid en lijden. Wat de laatste twee thema’s betreft: de bijbelse mens gebruikt wel het beeld van schaap en kudde om het kwetsbare leven en het lijden tot uitdrukking te brengen. Dat roept de vraag op welk beeld wij vandaag gebruiken om datzelfde onder woorden te brengen. We vragen dit omdat het beeld van het bijbelse schaap en zijn omstandigheden niet meer tot onze dagelijkse werkelijkheid behoort.

Verwijzing

Zeer sterk is het schaap (kudde) verbonden met ‘herder‘ en ‘lam‘. Verder zijn er raakvlakken met ‘bok‘ en ‘deur‘ (zie B-i, over Joh. 10).

< Terug