Onaanraakbaar

Van de ene op de andere dag kwam ons land tot stilstand: een ‘intelligente lockdown’, waarbij iedereen – vitale beroepen uitgezonderd – thuis kwam te zitten. Ik kwam, als actieve zuster bij de Feminae Pacis, terecht in een mij onbekend proces, toen mijn leven ‘op straat’ opeens een leven ‘binnen muren’ werd. Wat hielp? Welke vragen dienden zich aan? En: kwamen er ook antwoorden? Waar geeft geloof een opening wanneer de hele samenleving bestaat uit onaanraakbaren? Dit artikel poogt een brug te slaan tussen handen en ogen, tussen isolement en nabijheid en neemt daarbij de Evangeliën als uitgangspunt.

Handen

Jezus raakt mensen aan. De Evangeliën staan er vol mee: met de handen van Jezus: kinderen (Matteüs 19:13-15), een blinde (Marcus 8:23-25), de kromme vrouw (Lucas 13:13). Genezende handen, zegenende handen. De kinderen neemt hij zelfs in zijn armen! Handen en armen: belangrijk. Baby’s die niet aangeraakt worden, verworden tot een schim en overlijden zelfs. Kinderen vinden geborgenheid in de armen van ouders na een valpartij, en als ze moe of verdrietig zijn. Puberteit is de periode waarin een zich ontwikkelend mens het eigen lichaam ontdekt, ook in seksueel opzicht, en – als het goed is – leert welke aanraking hij/zij fijn vindt. Prille geliefden kunnen niet wachten elkaar te voelen. Stervenden zoeken een strelende hand die het laatste stukje met hen meeleeft.

Aanraking roept in onze hersenen het stofje oxytocine, beter bekend als het knuffelhormoon, wakker. Het maakt dat we ons verbonden voelen met anderen, dat we vertrouwen hebben en kalmeren. Het maakt dat we opkomen voor de mensen die ons lief zijn, en dat we voor hen willen zorgen.

En toen kwam corona. Op 9 maart 2020 ging onze premier Mark Rutte de fout in na een persconferentie: hij schudde RIVM-directeur Jaap van Dissel de hand, nadat hij juist een oproep had gedaan dit, met het oog op de volksgezondheid, niet meer te doen. Het fenomeen aanraking, zo normaal en vanzelfsprekend, werd een potentiële dreiging: we konden het leven van onze kwetsbaarsten met een onzichtbaar virus in gevaar brengen. De anderhalvemetersamenleving werd in het leven geroepen: afstand werd vreemd genoeg ‘het nieuwe normaal’, in ieder geval vooralsnog. Door een minuscuul micro-organisme zijn we in één klap, niemand uitgezonderd, onaanraakbaar geworden.

Opgesloten

De eerste weken van de landelijke maatregelen heb ik als vervreemdend ervaren. Terwijl ik mijn medezuster (de contemplatieve zuster) zag opbloeien van het digitaal studeren en het thuisblijven, voelde ik mezelf (als actieve zuster) verpieteren van het thuiswerken en het isolement. Ik ben ‘lichamelijk’, zegt mijn vader altijd: ik geef graag een knuffel, klop anderen enthousiast op hun schouder, lever een schouder bij verdriet. Kortom: ik leef op van ontmoetingen met mensen. En tijdens de intelligente lockdown, met een zo grote onbekendheid van wat ons trof, waren juist die ontmoetingen zeldzaam. Mijn energie druppelde weg, al kon ik als maatschappelijk werker telefonisch absoluut van betekenis zijn voor de mensen van mijn wijkje in Rotterdam-Zuid. Het aantal mensen dat ik begeleidde, liep zelfs flink op. Maar zelf opladen? Ho maar! Ik voelde de muren op mij afkomen, miste mijn familie bij vlagen vreselijk. In het bijzonder de kinderen, wier onbevangenheid en aandacht mij zo voeden kan.

Tegen mijn medezuster constateerde ik: ‘Al het opladen dat ik doe – met een wandeling, door het lezen van een boek, bij een dvd – is voor mij second best’. Mijn normale energi-zers waren in de ban gedaan. Ik ervoer dat ik véél langer moest ontspannen met mijn tweede-keuzeopties, wat tijdtechnisch ingewikkeld (lees: onhaalbaar) bleek, om dan slechts een ieniemienie-beetje bijgetankt te raken. Ik merkte een zekere lusteloosheid bij mezelf, en een opstandigheid die ik van mezelf niet kende. Een diepe drang om weg te gaan, weg van huis en op naar de mensen die mij lief zijn!

Ik observeerde hoe verschillend mensen op de lockdown reageerden: met berusting, met genoegen, met opstandigheid, of: met de kont tegen de krib.

Het verliezen van mijn uithuizigheid had een grote impact op me. Versterkt door het feit dat het zo razendsnel ging allemaal – geen moment om aan het idee te wennen. Pats. Boem. Op slot.

Tegelijkertijd stelde ik vast dat ik me rijk mocht rekenen: mijn medezuster is een fijne huisgenoot, niet te beroerd om mij af en toe een knuffel te geven; mijn agenda viel qua vrijwilligerswerk grotendeels leeg en dat gaf ruimte voor me-time waar ik in drukke tijden zo naar snak; we hebben een fijn balkon en het was een zonnige lente. Kortom: er waren mensen die het beroerder hadden getroffen dan ik.

En toch… ik voelde me opgesloten. En daarover schuldig, want ook ik hoorde van ouden van dagen afgeschermd op hun kamer van 15 vierkante meter in een woonzorgcentrum, van verstandelijk gehandicapten die stierven van eenzaamheid door het bezoekverbod, van coronapatiënten die moederziel alleen hun zwaarste ziektedagen doorworstelden. En ik, een gezonde vrouw van middelbare leeftijd, zat te kniezen over wat ik allemaal niet kon?

Bubbel

Mijn geestelijk begeleider, degene die mij helpt onderscheiden wat van mij is en wat van God, heeft mij, in de jaren dat ik de franciscaanse spiritualiteit ben gaan leven, goed geleerd mijn eigen gedachten en gevoelens waar te nemen. Die in eerste instantie alleen te registreren, en jezelf te gunnen dat ze er zijn. Dat waarnemen maakt dat je jezelf serieus neemt, al is dat zeker niet altijd eenvoudig. Sommige emoties of gedachten wil je nu eenmaal niet hebben.

Mijn ervaring is dat door dat ‘er laten zijn’ op den duur ruimte ontstaat. Laat ik het een bubbel noemen. Het beste omschrijf ik die als een ruimte waar het vredig en stil is en waar geluiden van God kunnen doordringen. Ik moet daarbij altijd aan de Godsontmoeting van Elia denken, het gefluister van de zachte bries (1 Koningen 19:12).

Hoe heerlijk ook: de bubbel is er altijd maar kort, en ze is er onaangekondigd opeens.

Het zijn momenten waarop ik helderder denk, scherper zie, en sporadisch duidelijk richting ervaar.

Helpend voor zowel het waarnemen als de bubbel is onze dagstructuur. Als Feminae Pacis komen wij ’s ochtends en ’s avonds in onze kapelruimte samen in een viering. We hebben in beide vieringen een stilte van ongeveer tien minuten, die weldadig (en soms ook tergend) kan zijn. Binnen ons huis is het overdag grotendeels stil. Dat geeft ruimte ongestoord alleen te zijn met je gedachten, met de Schrift, en van daaruit geïnspireerd je werk te doen.

Spiegel

Het leven vanuit die stilte, vanuit die bubbel desgewenst, baseren wij op het gedachtengoed van Clara van Assisi. Zij liet zich inspireren door de radicale Franciscus van Assisi en startte in San Damiano haar eigen orde: de clarissen. In haar vierde brief aan haar medezuster, koningsdochter Agnes van Praag, beschrijft zij Christus met een metafoor:

Kijk iedere dag in deze spiegel en spiegel daarin voortdurend je gelaat om zo jezelf geheel, innerlijk en uiterlijk, mooi te maken. (4BrAgn. 15-16)

Aan Wie ik me te spiegelen heb, vind ik in de Bijbel, die wij als zusters dagelijks meerdere malen openslaan. Jezus vat zijn doen en laten samen in: heb God lief boven alles en, daaraan gelijk: heb je naaste lief als jezelf (Markus 12:29-31). En dat is dan gelijk ook onze opdracht.

Naarmate de coronatijd vorderde, begon dat tweede gebod voor mijn gevoel steeds meer te vloeken met de realiteit. Hoe moest ik mensen tot naaste zijn vanachter mijn bureau vandaan? Wat kon ik zeggen tegen mensen die van de eenzaamheid vol in oude trauma’s stortten, zonder hen ook letterlijk nabij te zijn?

Waar waren de kerken behalve in de massaal opgetuigde online vieringen en een wekelijkse coronamail? Hoe kun je mensen in deze tijd veilig ‘aanraken’, maar zonder handen?

Deze vragen ontsponnen zich niet uitsluitend aan mijn eigen isolement, maar vooral aan wat mensen mij toevertrouwden over hun hartverscheurende eenzaamheid en hun vragen bij de grote afwezigheid van een nabije kerk, als één die hen in de eenzaamheid letterlijk opzoekt.

Ik zag mezelf in de spiegel, en dat was geen fraai gezicht. Met al mijn telefoontjes en ansichtkaarten liep ik goedbedoeld maar hard langs mijn naasten heen. Er ontbrak iets.

Onopgemerkt

Dat iets openbaarde zich eigenlijk toevallig, toen een van de mensen die ik begeleid een vraag had die ik onmogelijk digitaal kon afhandelen. Ik besloot af te spreken. Op anderhalve meter, dat wel. En met desinfecterende gels en een schoongeboend bureau.

Aan die tafel gebeurde er iets in hem. Ik merkte hem op. Ik zág hem. En met mijn ogen, op anderhalve meter, trok ik hem figuurlijk dichterbij. Hij brak. Tranen. Drie maanden niet wezenlijk bij een mens in de buurt geweest, in zijn eentje op een appartement met al zijn verdriet. Al mijn telefoontjes ten spijt.

Een volgende, een vrouw: ‘Ik krijg gewoon er gewoon energie van: iemand te zíen!’

Onopgemerkt bleven zij. Er was aan hen voorbij gegaan. Ook door mij.

Anders dan u wellicht vermoeden zou, voel ik mij daarover niet schuldig. Ik dacht goed te doen: geen besmettingsgevaar te zijn.

Schuldig zal ik me voelen op het moment dat ik opnieuw maandenlang vanuit mijn huis het werk zou gaan doen. Wetende wat ik nu weet.

Ogen

Wat ik nu weet, is dat ogen fysieke aanraking, in ieder geval enigszins, kunnen compenseren. Let wel: als je fysiek bij elkaar in de ruimte zit. Bij een online vergadering raken je hersenen overprikkeld omdat je de non-verbale communicatie maar ten dele meekrijgt. Mensen die zich oprecht gezien voelen, maken óók oxytocine aan, zij het in lagere doses dan bij aanraking.

‘Zien’ is een woord dat, net als handen, regelmatig in de Evangeliën voorkomt. Jezus zag de tollenaar (Matteüs 9:9), Simon en Andreas in hun vissersboot (Markus 1:16), een grote groep mensen (Markus 9:25), de bezetene (Lukas 8:28), Natanaël (Johannes 1:47-50), en dat zijn maar enkele voorbeelden. Jezus ziet!

Als jonge twintiger zag ik de film ‘Titanic’. Het indrukwekkendste zinnetje uit die film – wat mij betreft – komt uit de mond van Rose, als ze zegt: You have a gift, Jack. You do. You see people.

Tekenend legt Jack de diepten van mensen bloot.

Als ik in de spiegel, Christus, kijk, ben ik geroepen mensen te zíen. Misschien zelfs nog nadrukkelijker dan dat ik hen mag aanraken. Dat laatste is een gevólg van het eerste, en over enige tijd kan dat waarschijnlijk weer het daad-werkelijke voortvloeisel zijn. Het begint met zien!

Huid

Nu zou de voorgaande alinea een geweldig einde zijn voor een opbeurend artikel in een middelmatig tijdschrift: probleem opgelost. Maar, als ik de Bijbel goed interpreteer, zie ik iets wezenlijks over het hoofd, als ik het bij zien zou laten. Christus ziet, jazeker, en dan volgt actie. Het beschouwend lezen van de Bijbel, zo leert ons Jos Douma (Dom Bernardus en Jos Douma, Lezen voor je leven, hoofdstuk 4), resulteert niet alleen in ’ora’ (bidden), maar ook in ‘labora’ (actie, werk). Jezus ziet en daarná zijn er zijn genezende en zegenende handen.

Mijn tante is verstandelijk gehandicapt. Haar verstandelijke vermogens kun je vergelijken met een kind van 2 à 4 jaar. Nadat het bezoekverbod in het woonzorgcentrum waar zij verblijft was verruimd, ben ik bij haar een kop koffie gaan drinken. Enthousiast kwam zij de gang op en pakte mijn hand. Ze trok mij naar zich toe. Mijn tante kan niks met anderhalve meter.

Jonge kinderen ook niet trouwens. Onze buurkinderen huppelen vrolijk naar ons toe, met tekeningen om te laten zien, en nieuwe fietsen om te showen. Kinderen laten ons zien dat een term als ‘het nieuwe normaal’ niet gebaseerd is op basaal menselijk aanvoelen. Normaal is dat wij niet a127lleen zien, maar een ander ook met genezende en zegenende handen nabij zijn.

Dat laatste begreep ook Franciscus van Assisi, die zijn rijkdom achterliet en zijn leven deelde met de onaanraakbaren van zijn tijd: de melaatsen. Daarmee Christus volgend, die juist de onaanraakbaren, de verschoppelingen en uitgestotenen, opzocht en hen nabij was. Tot aanrakens toe.

Gehoorzaam

Is dit een oproep als kerkmensen massaal burgerlijk ongehoorzaam te zijn en de anderhalvemetersamenleving rücksichtslos naast ons neer te leggen? Geenszins. Onze samenleving kan haar weldenkendheid bewijzen door besmettingsrisico’s door middel van fysieke afstand te verlagen. Dat komt in het bijzonder degenen met een zwakkere gezondheid ten goede, en het houdt ons zorgstelsel overeind, om maar eens twee belangrijke argumenten te noemen.

Het is wel een oproep om, horende het evangelie, de eenzaamheid van mensen (en het erbij behorende gevoel van onaanraakbaarheid) te doorbreken door hen niet opnieuw te isoleren, maar hen op veilige afstand op daarvoor geschikte locaties te ontmoeten: face-to-face. Waardoor ogen afstanden kunnen overbruggen, ook al is fysiek contact niet mogelijk. Het is een oproep om maandenlange afsluiting van woonzorgcentra te vermijden, om kinderen de kans te blijven geven elkaar spelenderwijs aan te raken en jongeren en kwetsbaren te zien in de moeite die hen de afstand kost.

Gods geboden onderhouden betekent in deze tijd, ook als kerken: creatief zijn in het realiseren van daadwerkelijk contact. Niet omdat de anderhalvemetersamenleving normaal is, maar wel het nu beste uit twee kwaden.

Zegenende handen

Ik heb ze vaker genoemd: de handen. Genezende en zegenende handen. Waar aanraken niet kan, blijft de zegen over. Dat kan altijd, ook op veilige afstand. Het laatste gebaar van Jezus, aldus de evangelist Lucas (Lukas 24:50-51), was diens zegen. Hij ging naar de hemel: de tijd waarin Hij ons kon aanraken, was definitief voorbij. Maar zijn handen verloren niet aan kracht. Hij hief ze en hij zal ze blijven heffen. Ook over ons. De mooiste zegen in de Bijbel vind ik in het Oude Testament:

Moge de HEER u zegenen en u beschermen, moge de HEER het licht van zijn gelaat over u doen schijnen en u genadig zijn, moge de HEER u zijn gelaat toewenden en u vrede geven. (Numeri 6:24-26)

Wat me al schrijvend opvalt: hoe het gelaat van God zich naar ons toewendt – Hij ziet ons, en zoals zijn Naam zegt: Hij is (erbij). Ook als ik foeter van machteloosheid. Ook als er tranen vloeien om wie ik graag zou zien. Ook als ik mijn handen weer volop uit de mouwen steek. Hij ziet. En laat het nooit bij zien alleen. Hij komt tot daden, ook in die eeuwenoude priesterlijke zegen: Hij geeft vrede.

In die vrede ligt berusting, ook om wat je niet veranderen kunt. En creativiteit, om te doen wat je kunt. Dagelijks mag ik de zegen krijgen. Zegen omsluit mijn hele dag: in de ochtend en in de avond.

Laten wij elkaar in zijn Naam en van harte zegenen, in het bijzonder hen die die zegen het hardst nodig hebben. Geen afstand te groot voor zegenende handen.

Hanneke ter Maat is staffunctionaris bij Franciscaans Jongerenwerk, maatschappelijk werker bij Seinpost Slinge en zuster bij Feminae Pacis.

Tags:

Meer Spiritualiteit