< Terug

Tien genezen melaatsen: een minjan?

Bij 2 Koningen 17,(5-7)24.29-34 en Lucas 17,11-191

Minjan

Tien is het voorgeschreven aantal mannen dat nodig is om op de sabbat in de synagoge de liturgie te kunnen bidden: de minjan. Als er ook maar één ontbreekt, gaat het feest niet door; dan moeten de andere negen naar huis en daar de gebeden zeggen. Jezus komt op zijn weg naar Jeruzalem – dwars door Galilea en Samaria – tien mannen tegen: melaatsen. Is het bidden in Samaria aangetast, de minjan verontreinigd?

Wanneer deze tien tot Hem om hulp roepen, stuurt Jezus hen naar de priester om zich te laten zien: het voorgeschreven ritueel. Als de priester vaststelt dat ze rein zijn, dan zíjn ze het ook en mogen ze weer in de gemeenschap opgenomen worden. Dan is er weer een minjan. Maar slechts één van de tien komt na zijn genezing bij Jezus terug: ‘en dit was een Samaritaan’, schrijft Lucas. Waren de andere negen dan allemaal Judeeërs? Hoe staat het met de gemeenschap – en met het rechte bidden in Israël?

Samaria veroverd en gedeporteerd

Over het rechte bidden gaat het ook in 2 Koningen 17. De koning van Assyrië trekt op door het land Palestina en belegert Samaria gedurende drie jaar. In het negende jaar van koning Hosea (2 Koningen 17,1.6) neemt de Assyrische koning Samaria in en deporteert de bevolking van het tienstammenrijk naar een aantal steden in zijn eigen land. Deportatie was niet per se noodzakelijk; het gebeurde wel in geval van verzet in het veroverde land. Assyrië was tot de negende eeuw voor Christus een relatief klein land, dat zich sterk uitbreidde doordat de koningen ervan elk voorjaar op veroveringstocht gingen. Daardoor kregen ze steeds meer gebied van de hen omringende landen in handen. Die werden niet botweg geannexeerd, maar kregen de status van vazalstaat. Er werd een vazalverdrag gesloten, bekrachtigd met een ceremonie, waarbij de goden van de overwinnaar en die van het onderworpen land betrokken waren. Bijna vanzelfsprekend werden in dat land vervolgens zowel de goden van de overheerser als de eigen god vereerd.

Omdat ze andere goden vrezen

Tegen deze vanzelfsprekendheid verzet de schrijver van 2 Koningen zich. Hij duidt de oorzaken van de val van Samaria en de deportatie van het tienstammenrijk anders: ‘Dit geschiedt omdat de zonen Israëls gezondigd hebben tegen de ENE, hun God, die hen heeft doen opklimmen uit Egypteland van onder de hand van Farao, koning van Egypte, – en zij andere goden zijn gaan vrezen’ (2 Koningen 17,7 – NB). In 2 Koningen 17,8-23 wordt uiteengezet wát ze allemaal gedaan hebben: overal offerhoogten gebouwd, asjerapalen opgericht, kalveren gegoten, hun kinderen ‘door het vuur laten gaan’ – dat is: aan de goden geofferd – en zich door slangen en wichelroeden de toekomst laten voorspellen. Kortom, ze hebben zich met huid en haar aan de vreemde goden en hun praktijken verkocht. Daarom heeft de Ene in zijn toorn hen ‘van voor zijn aangezicht’ laten verdwijnen en dáárom, zegt hij, zijn ze afgevoerd en heeft de koning van Assur andere volkeren in hun steden neergezet.

Multireligieuze samenleving?

Maar die nieuwe ingezetenen hebben in hun nieuwe omgeving last van leeuwen en wilde dieren, die wel van de god van het land zelf moeten komen. Daarom vragen ze de koning van Assyrië om een Israëlitische priester vanuit de ballingschap terug te zenden, die hun de rituelen van hún God kan aanleren zodat ze ook die tevreden kunnen houden. Want naast de God van Israël blijven de Assyriërs gewoon ook hun eigen goden ritueel vereren. Ze doen, geholpen door een ‘originele’ priester, wat gepast is voor een Israëliet, naast de dienst aan hun eigen goden. Het resultaat is dat alle denkbare goden op hun wenken worden bediend: een volstrekt multireligieuze samenleving. Iedereen tevreden… of niet? Gaat het alleen om het voltrekken van het juiste ritueel?

Het juiste ritueel

In het verhaal bij Lucas speelt het juiste ritueel een belangrijke rol. Tegen de tien melaatse mannen die Hem om hulp aanroepen, zegt Jezus: ‘Ga heen, toon je aan de priester’, volgens het voorschrift. Midden in het althans volgens Judeeërs half heidense Samaria worden de voorschriften van de mozaïsche wetgeving geëerbiedigd. De mannen doen wat hun wordt opgedragen, en onderweg blijken ze ‘rein’. Melaatsheid is geen besmettelijke ziekte, maar maakt cultisch onrein. Leviticus 13,45 beschrijft wat een melaatse moet doen: in gescheurde kleren lopen, zijn haren los laten hangen, zijn baard bedekken en ‘Onrein! Onrein!’ roepen. Uitgesloten van de gemeenschap is hij, want niet geschikt voor de dienst in de synagoge. Hij kan er dus niet aan bijdragen dat de minjan voltallig wordt.

Melaats zijn betekent dus totaal verworpen zijn. Deze toen ongeneeslijke ziekte kan alleen door God zelf genezen worden. Daarom valt des te meer op dat Leviticus een heel hoofdstuk besteedt aan de beschrijving van het ritueel dat nodig is om een genezen volksgenoot weer toe te laten tot de gemeenschap. Hier wordt het onwaarschijnlijke een mogelijkheid. Een profetie, een visioen van de toekomst waarin de Ene alleen regeert en waarin alles nieuw zal zijn.

Is Lucas 17,11-19 ook zo’n profetie? Ja en nee. Jezus ontmoet op zijn tocht door het ‘besmette’ Samaria in die tien mannen een gemeenschap die zo verscheurd is, dat zij ten dode is opgeschreven. Maar Hij opent de mogelijkheid dat Judeeërs en Samaritanen weer samen een minjan vormen. Negen Judeeërs en één Samaritaan roepen: ‘Heer, ontferm U!’ – kyrie eleison – maar alleen die Samaritaan lijkt te weten dat er op het kyrie ook een gloria moet volgen, wil het gebed volledig zijn. ‘De negen andere, waar zijn die? – zijn er niet meer te vinden die terugkeren en God verheerlijken dan deze eldersgeborene?’ (Lucas 7,17b-18).

(EB)

1.

< Terug