< Terug

Waken, waakzaamheid

Geloofstaal & cultuurtaal

Het begrip ‘waken’ speelt in de geloofstaal niet zo’n sterke rol. De haan op vele kerktorens in ons vaderland spoorde vroeger de voorbijgangers tot waakzaamheid aan. Maar zijn er nog mensen die dit bedenken bij het passeren van een kerktoren? ‘Waken’ komt in de geloofstaal het meest voor bij het aanhalen van Jezus’ woorden in Getsemane tot zijn discipelen: ‘Waakt en bidt, dat gij niet in verzoeking komt’ (Mat. 26:41).

Waken is in de hedendaagse cultuur een erkende bezigheid: eigendommen beschermen, wakker blijven. Ook kennen we het gebruik dat mensen om beurten waken bij het sterfbed van een familielid of vriend. Waken kan verder met fanatisme in verband worden gebracht: zich als een waakhond gedragen.

Woorden

De oudtestamentische teksten gebruiken de werkwoorden sjamar, sjaqad of natsar, soms het zelfstandig naamwoord sjimmoeriem. Voor ‘waken’ staat in het Nieuwe Testament het werkwoord grègorein en in een enkel geval het werkwoord agrupno-ein. Voor ‘bewaken’ kent het Grieks het werkwoord phulassein. De meestal gebruikte werkwoorden (sjamar en phulassein) hebben enerzijds de betekenis ‘bewaken, bewaren’ (in bewaring houden) en anderzijds de betekenis ‘bewaren, houden, in acht nemen’ (bijv.: de geboden bewaren).

Betekenis in context

Oude Testament

Gods waakzaamheid om te verlossen

De nacht van de uittocht uit Egypte (Ex. 12:42) was een nacht van waken voor de Here. De nacht van de uittocht was ook voor de Israëlieten een nacht zonder rust. Diezelfde nacht waarin de Here alle oudste zonen in Egypte doodde (Ex. 12:29), een nacht waarin in elk Egyptisch huis luid geklaag te horen was, was de nacht dat de farao Mozes en Aäron opdroeg met alle Israëlieten uit zijn land te verdwijnen (12:29-36). Die nacht vol rouwklagende Egyptenaren, vol haastig wegtrekkende Isra-elieten, was ook een nacht vol waakzame activiteit van de Here, om de Israëlieten veilig uit het land Egypte te leiden. Ter herinnering aan die bijzondere nacht van uitredding moest voortaan elke Israëliet deze nacht wakend doorbrengen ‘ter ere van de Here’ (Ex. 12:42). Dit waken is een rusteloos bezig-zijn van God om zijn belofte waar te maken en uitredding te geven. Hij gunt Zich geen rust voordat de grote operatie-Exodus voltooid is. Wij mensen kunnen onder elkaar verklaren ‘ik heb er een nacht aan gegeven’. We geven daarmee aan dat we extra werktijd scheppen om daarmee een grote klus te klaren. ‘Het moest af en daarom ben ik niet naar bed gegaan’. De Here heeft er een nacht aan gegeven om de reddingsoperatie te voltooien. Hij zette Zich in totdat zijn volk veilig was.

Gods waakzaamheid om te beschermen

De Here gunt Zich geen rust. Hij is altijd inde weer om zijn kinderen bescherming te bieden. Het pelgrimslied Psalm 121 bezingt deze bewarende kracht als een waken. ‘Hij zal niet toelaten, dat uw voet wankelt, uw Bewaarder zal niet sluimeren. Zie, de Bewaarder van Israël sluimert noch slaapt’ (Ps. 121:3-4). Overdag is Hij paraat om te beschermen tegen het steken van de zon (6). Ook ‘s nachts blijft Hij alert om te beschermen tegen kwade invloeden van de maan. Voor de reizigers naar Jeruzalem is het een zekerheid die ze al zingend belijden en waarmee ze elkaar moed inspreken: ‘De Here zal uw uitgang en uw ingang bewaren’ (8).

Deze beschermende activiteit is van alle tijden. De taal van Psalm 121 klinkt door in Openbaring 7:16. Dankzij Gods waakzaamheid bereiken de pelgrims (de grote mensenmassa uit alle volken) hun bestemming.

Gods waakzaamheid over zijn Woord

Bij zijn roeping tot profeet krijgt Jeremia een tak van een amandelboom te zien (Jer. 1:11). Zo zeker als een amandelboom in de lente uitschiet, zo zeker waak Ik over mijn Woord om dat te doen, verklaart de Here in 1:12. Dit teken moet de profeet bemoedigen om te doen wat de Heer hem opdraagt. De Here waakt Zelf over zijn Woord, zodat zeker zal gebeuren wat Hij zegt.

In hetzelfde boek Jeremia lezen we nog een keer over dit waken van de Here. De Israëlieten in Egypte branden wierook voor de godin die ze de koningin van de hemel noemen (Jer. 44:15-19). Daarom zegt Jeremia dat hun ondergang nadert (44:27). ‘Ik waak over hen ten kwade en niet ten goede’: deze uitdrukking typeert de bezigheid van de Here als een actief en alert optreden om ook zijn woord van bedreiging en oordeel – bij volharding in ongehoorzaamheid – werkelijkheid te laten worden.

Nog enkele oudtestamentische voorbeelden

De bidder vraagt God om te waken over de deuren van zijn lippen (Ps. 141:3). God waakt over de paden van het recht (Spr. 2:8). Hij is ook alert op de loop van het recht. Gods geschenk van bedachtzaamheid zal de luisterende leerling begeleiden (Spr. 2:11).

Nieuwe Testament

Jezus’ waken over zijn leerlingen

Jezus verwoordt in zijn hogepriesterlijk gebed zijn activiteit die de leerlingen beschermt tegen de duivel als een waken: ‘Ik heb over hen gewaakt en niemand uit hen is verloren gegaan, dan de zoon des verderfs.’ (Joh. 17:12). Jezus is immers de goede Herder, die over zijn kudde waakt om te voorkomen dat er schapen verloren raken. Hij houdt zijn leerlingen onder zijn hoede.

Het waken van mensen

Jezus over de houding in de eindtijd

Het waken van de bewaker om het huis te beschermen is een activiteit die we in de psalmen tegenkomen (Ps. 127:1), maar vooral in het onderwijs van Jezus. Hij laat zijn rede over de laatste dingen (Mat. 24; Mar. 13; Luc. 21) uitmonden in de aansporing ‘waakt’.

Dat dit een bijzonder klemmende waarschuwing is, valt af te leiden uit Jezus’ onderwijs in Matteüs 24:36-42. Wanneer de grote dag van de beslissing zal aanbreken, is onbekend. Daarom: ‘waakt’. Het is de oproep om af te zien van het zoeken en vragen naar tekens en van alle pogingen om het wanneer te berekenen. Het is veeleer zaak om nu en alle dagen klaar te zijn om de komende Rechter te ontmoeten.

Deze oproep in Jezus’ rede wordt gevolgd door een tekstdeel waarin de oproep om te waken een praktische toepassing krijgt. Voorbereid zijn, zodat de komst van je Heer je geenschade kan opleveren. Continue waakzaamheid is noodzaak wil de nachtwacht het huis tegen inbraak beschermen. Met dit beeld tekent Jezus de houding die noodzakelijk is voor de tijd tot zijn terugkeer. ‘Waakt dan, want gij weet niet, op welke dag uw Here komt.’ Een inbreker kondigt zijn komst niet aan; dan zou de bewaker van het huis maatregelen hebben genomen om de inbraak te verhinderen. Hij zou de slaap hebben opgeschort om te kunnen waken. Omdat een huisbewaker niet weet wanneer de insluiper komt, is het nodig permanent voorzorgsmaatregelen te nemen. Zo moeten ook volgelingen van Jezus permanent klaarstaan om hun Heer en Meester te verwelkomen. Ook Hij kondigt zijn komst immers niet aan en arriveert dus op een onverwacht moment. Op de eerste toelichting (Mat. 24:43-44) volgt nog een tweede uitwerking in 24:45-51. De voorbereiding krijgt gestalte in het bezig-zijn van de discipelen. Je taak niet verwaarlozen, maar rustig doorwerken. De tijd van wachten is gevuld met werken.

Het parool ‘waakt’ uit de rede over de laatste dingen (Mat. 24:42) wordt herhaald in de gelijkenis van de tien meisjes (Mat. 25:13). Jezus wijst op de noodzaak om te waken, daar wij dag of uur van de komst van de zoon van de mens niet kennen. Het permanent voorbereid-zijn blijkt vooral in de zorg op langere termijn: extra olie. De vergissing van de domme meisjes is dat zij geen reserveolie bij zich hebben. Het gaat om de lange adem: wees op alles voorbereid.

Getsemane

Het sleutelwoord ‘waken’ komen we ook tegen in de geschiedenis van Getsemane. Jezus waakt en bidt en verwijt zijn in slaap gevallen leerlingen dat ze nog geen uur met Hem konden waken (Mat. 26:40). Terwijl Jezus bidt tot zijn Vader, moeten zij Hem bijstaan door hun nabijheid en door te waken. Zoals men waakt bij een stervende, zo moeten zij waken bij de ten dode bedroefde Jezus. Maar ze zijn niet in staat deze angsten met Jezus te delen. ‘Waakt en bidt, dat gij niet in verzoeking komt’ (Mat. 26:41). Men kan niet waken zonder zelf te bidden. Waken is dus de biddende activiteit van Jezus’ leerlingen om in beproevingen bewaard te blijven. Bij de aanvallen van de satan is de dekking van het gebed nodig. Hun dienstverzuim in dit uur levert leergeld op voor de toekomst: gebed is nodig tijdens de wacht met Jezus.

De apostelen over de houding in de eindtijd

De apostelen onderstrepen de noodzaak om in de eindtijd waakzaam te zijn. Een echo van Jezus’ onderwijs in zijn laatste grote rede vinden we in uitspraken van de apostelen tot de gemeente over de laatste dagen. Tot de christelijke wapenrusting (Ef. 6:10-20) behoort ook het waken en bidden (6:18). ‘Laten wij dan ook niet slapen gelijk de anderen, doch wakker en nuchter zijn’, verklaart Paulus in 1 Tessalo-nicenzen 5:6. In datzelfde verband horen we eveneens over de christelijke wapenrusting(5:8).

Verschillende apostolische brieven worden afgesloten met de oproep tot waakzaamheid. ‘Blijft waakzaam…’ (1 Kor. 16:13). ‘Volhardt in het gebed, weest daarbij waakzaam.’ (Kol. 4:2). ‘Wordt nuchter en waakzaam. Uw tegenpartij, de duivel, gaat rond als een brullende leeuw, zoekende wie hij zal verslinden’ (1 Petr. 5:8). De gevraagde waakzaamheid wordt aangedrongen vanuit het besef dat de duivel de aanval zoekt. Een opvallende zaak bij deze laatste tekst is dat de oproep tot waakzaamheid klinkt uit de mond van een van de slapers van Getsemane: Petrus moest door zijn Heer worden wakker geschud. Nu ziet hij wat zijn opdracht is: om al zijn lezers tot broodnodige waakzaamheid aan te vuren.

De beschermende activiteit van de oudsten

Paulus typeert de waakzame activiteit van de oudsten en opzieners om de gemeente tegen verleidingen van satan te beschermen als een waken. ‘Met een ijver Gods waak ik over u’, verklaart Paulus aan het adres van de Korin-tiërs (2 Kor. 11:2). Paulus had in zijn rede tot de oudsten van Efeze de opdracht om te waken over de gemeente gemotiveerd door erop te wijzen dat lieden die de waarheid verdraaien in de gemeente ingang proberen te krijgen (Hand. 20:31). Ook de schrijver van de brief aan de Hebreeën benoemt de zorgzame activiteit van de voorgangers als ‘waken’ over de zielen (Hebr. 13:17).

De laatste opdracht

Nog één keer horen we Jezus Zelf aan het slot van de Bijbel zijn opdracht geven: ‘Zie, Ik kom als een dief. Zalig hij, die waakt en zijn kleren bewaart…’ (Op. 16:15). Een laatste echo van zijn onderwijs in de rede over de laatste dingen. Heel verrassend hoort Johannes tijdens het waarnemen van het zesde schaalvisioen ineens een woord van Christus klinken. Hij is het die Johannes de openbaring geeft (Op. 1:1). Hij is zo betrokken bij het openbarings-gebeuren dat Hij tijdens de onthulling Zelf het woord neemt. Johannes tekent alles wat hij ziet en hoort trouw op. In het heenleven naar de grote dag van beslissing is waakzaamheid geboden.

Het sleutelwoord ‘waken’ komen we eveneens tegen in Christus’ boodschap aan de gemeente te Sardes (Op. 3:2, 3). Opvallende bijzonderheid is dat de oproep om te waken klinkt in de koninklijke boodschap van Christus aan de gemeente in Sardes, een stad die tweemaal in haar geschiedenis in handen van de vijand viel door gebrek aan waakzaamheid. De opdracht om wakker en waakzaam te zijn, is al met al duidelijk een order voor de volgelingen van Jezus Christus in de wachttijd tot zijn terugkeer. Al deze gegevens uit de apostolische geschriften geven aan met hoeveel klem het wachtwoord ‘waken’ voor de periode tussen hemelvaart en terugkeer aan de christelijke gemeente wordt meegegeven. Wees op uw qui-vive!

Kern

Het begrip ‘waken’ leent zich goed om de christelijke houding naar de toekomst toe te typeren. Christelijk wachten op de beloofde toekomst uit zich in waken. Een waakzaam christen is op zijn toekomst voorbereid! Waken is het tegendeel van slapen. Dag en uur van Jezus’ terugkeer zijn niet bekend. Berekenen is niet mogelijk. Er rest maar één houding: permanent voorbereid zijn, een lange adem hebben. Waken en werken: die beide werkwoorden liggen in de Nederlandse taal qua vorm dicht bij elkaar. Ook in de bijbelse taal is er samenhang. Het waken is een werkend waken en het werken is een wakend werken.

Verwijzing

Zie voor verwante en/of aanvullend te bestuderen woorden: wachten, hoop.

< Terug