< Terug

Hoop

Geloofstaal & cultuurtaal

‘Waar leven is, is hoop’, zegt het spreekwoord. Het is een ervaringsgegeven dat hoop mensen in staat stelt om in de moeilijkste omstandigheden vol te houden. Kenmerkend voor de mens – in onderscheid van het dier -is dat hij verder kijkt en verder zoekt dan de directe bevrediging van zijn behoeften, en zo op de toekomst gericht is. Vanuit verschillende invalshoeken heeft men dit inzicht in onze tijd tot basis voor een mensbeschouwing gemaakt.

Toch is hopen allerminst vanzelfsprekend. In de christelijke geloofstaal is de hoop vooral betrokken op de wereld die komt. ‘Zonder God’ zijn is bijbels gezien ook ‘zonder hoop’ zijn (Ef. 2:12). Met het afscheid van het christelijk geloof heeft de hoop geen anker meer in Gods beloften. Ze is daarom sterk en soms verbeten gericht op hetgeen hier-en-nu aan behoeftenbevrediging gevonden kan worden.

Woorden

In het Oude Testament staat meestal een vorm van het werkwoord qawa, waar in onze vertaling ‘hopen’ wordt weergegeven, met het afgeleide substantivum tiqwa. Hier gaat het om een ‘gespannen uitzien naar’. Daarnaast komen ook voor chaka (‘geduldig verwachten’), savar (‘spiedend uitkijken’) en jachal (‘aanhoudend verwachten’).

In het Nieuwe Testament wordt meestal het substantivum elpis gebruikt, met het bijbehorend werkwoord elpidzein.

Betekenis in context

Oude Testament

In het Oude Testament komt vooral het werkwoord ‘hopen’ voor, en dat is in meer dan de helft van de gevallen op God betrokken. Het zelfstandig naamwoord ‘hoop’ verwijst slechts in één op de zes gevallen direct naar God als bron en voorwerp van de hoop. Dat het werkwoord ‘hopen’ vaker wordt gebruikt dan het zelfstandig naamwoord ‘hoop’ duidt erop dat de mens wordt gezien als iemand die hoe dan ook hoopt. Als hij zich niet richt op de beloften van de Here, dan verwacht hij het van zichzelf of van andere goden. Waar God en zijn belofte er niet de grond van vormen, is ‘hopen’ in het Oude Testament altijd negatief gekleurd.

Geen hoop dan op God

In Job 7:2 tekent Job de mens als een slaaf die hijgt naar schaduw of ook als een dagloner die wacht op zijn loon. Over zichzelf zegt hij: ‘Zijn dagen spoeden ten einde zonder hoop’ (vs. 6). God heeft hem alle hoop ontnomen. Voor een boom die omvalt is er nog hoop, omdat hij weer kan uitlopen en zelfs wortelen (Job 14:7-10), maar God ‘vernietigt de hoop van de mens’ (Job 14:19).

De klacht van Job staat in schril contrast met het spreken van zijn vrienden. Zij zien in zijn klacht een stellig bewijs van zijn vervreemding van God. In zijn vertwijfeling is Job evenwel de rechte getuige van God: waar Hij ons de hoop ontneemt, blijft er niets over. Hopen is hopen op God – daarbuiten is er geen hoop.

Gegrond in Gods trouw

In Jesaja 5:1-7 is er sprake van een ‘hopen’ aan Gods kant: Hij hoopte dat zijn wijngaard Israel goede druiven zou voortbrengen, maar zij bracht wilde druiven voort; Hij hoopte op goed bestuur, maar het was bloedbestuur. Kan er tegen deze achtergrond van Gods teleurstelling nog sprake zijn van enigerlei hoop voor het volk? In Jesaja 7 moet de profeet koning Achaz in een uiterst dreigende politieke situatie aansporen om van de Here een teken te vragen. Achaz weigert echter om zich aan de Here over te geven en verspeelt zodoende zijn eigen toekomst en die van zijn volk. In Jesaja 8:1-4 wordt het oordeel over Juda bevestigd; de tijd van Gods genade is voorbij. De ondergangsprofetie moet nu worden vastgelegd voor later tijden. Dan volgt echter in Jesaja 8:17 een onverwacht woord van de profeet: ‘En ik zal wachten op de Here, die zijn aangezicht verbergt voor het huis van Jakob, ja, op Hem zal ik hopen.’ Ook al neemt de profeet geen woord van het aangekondigde oordeel terug, hij ‘wacht’ en ‘hoopt’ op de Here, die zijn aangezicht verborgen heeft. Dat is de diepste grond van alle hoop in het Oude Testament: dat de Here ondanks de ontrouw van Israël trouw blijft aan zijn verbond.

Nieuwe Testament

Het Nieuwe Testament vertoont voor wat de woorden ‘hopen’ en ‘hoop’ betreft in één opzicht een opmerkelijke verschuiving ten opzichte van het Oude Testament, namelijk dat hier het gebruik van het zelfstandig naamwoord ‘hoop’ overheerst. Die verschuiving hangt stellig samen met de komst en het werk van Christus Jezus, die ‘onze hoop’ genoemd kan worden (1 Tim. 1:2).

Levende hoop

In 1 Petrus 1:3-5 breekt de apostel uit in een lofprijzing, omdat de opstanding van Jezus Christus uit de doden hem heeft doen wedergeboren worden tot een ‘levende hoop’. Het sterven van Jezus bezegelde het echec van alleverwachting, in het bijzonder voor Petrus zelf die zijn Heer verloochend had. Christus had Petrus echter toegezegd te bidden dat zijn geloof niet zou bezwijken (Luc. 22:32). Na zijn opstanding geven de engelen bij het graf namens de Opgestane aan de vrouwen een boodschap mee voor ‘zijn discipelen en Petrus’ (Mar. 16:7).

Tegen deze achtergrond spreekt Petrus over hoop als levende hoop. Christus heeft ‘onze zonden in zijn lichaam op het hout gebracht, opdat wij, aan de zonden afgestorven, voor de gerechtigheid zouden leven’. Hij is die weg gegaan om ‘dwalende schapen’ te bekeren ‘tot de herder en hoeder’ van hun leven (1 Petr. 2:24v). De hoop ligt nu verankerd in de opgestane Jezus Christus, en wordt met Hem in de hemel bewaard als ‘een onvergankelijke, onbevlekte en onverwelkelijke erfenis’, die klaar ligt om ‘in de laatste tijd geopenbaard te worden’.

De gemeente leeft uit de hoop door Christus als Heer over haar leven te erkennen en zich door Hem te laten gezeggen. Tegen dit klankbord van haar ‘goede wandel in Christus’ zal ze altijd ‘bereid zijn tot verantwoording aan al wie haar rekenschap vraagt van de hoop die in haar is’ (1 Petr. 3:15-16).

Hoop tegen de verdrukking in

In de brief aan de Romeinen ontspringt de hoop aan het geloof in ‘God, die de doden opwekt en het niet-zijnde tot aanzijn roept’. Dat geloof blijft in de aanvechting – ‘tegen hoop op hoop’ (4:17-18) – uitzien naar de gerechtigheid die God schenkt. Die hoop is eens en voorgoed bevestigd in de ‘om onze overtredingen overgeleverde en om onze rechtvaardiging opgewekte’ (4:25) Christus Jezus. Paulus vervolgt dan, in hoofdstuk 5:111, dat er vanwege Christus sprake kan zijn van een ‘roemen in de hoop op de heerlijkheid van God’, die zelfs standhoudt ‘in de verdrukkingen’. Die ‘verdrukkingen’ horen bij de eindtijd en komen daarom onvermijdelijk over de mensen die in Christus gered zijn van de komende toorn. De overwinningsmacht van Christus komt daarin uit, dat de vorst van de duisternis er niet in slaagt de gelovigen uit Christus’ hand te rukken. Integendeel, Hij drijft hen juist naar Hem toe, en verbindt hen vaster aan Hem. De verdrukkingen versterken zodoende alleen maar de hoop, die opnieuw blijkt niet op een illusie te zijn gebouwd, zowaar de liefde van God door de Geest van Christus in hun harten is uitgestort (vgl. Rom. 8:24-27).

Deze hoop kunnen de gelovigen alleen ‘vasthouden in de weg van de volharding en vertroosting der Schriften’ (Rom. 15:4). In Romeinen 15:13 introduceert de apostel zelfs een nieuwe Godsnaam: ‘God der hope’. God wil de gemeente immers vervullen ‘met louter vreugde en vrede’ in haar geloof, ‘om overvloedig te zijn in de hoop, door de kracht van de Heilige Geest’. Concreet denkt hij daarbij aan het samenleven van joden en niet-joden in de gemeente van Jezus Christus.

De hoop van Israël

Van gegronde hoop voor Israël horen we ook in Handelingen 23:6, waar Lucas de woorden van Paulus aan het adres van de joodse Raad weergeeft: ‘Mannen broeders, ik ben een Farizeeër, een zoon van Farizeeën, ik sta terecht om de hoop en de opstanding der doden’. Lucas legt zijn lezers uit, dat tussen de rivaliserende bewegingen in het toenmalige jodendom – Farizeeën en Sadduceeën – een scherpe tegenstelling op het punt van de hoop bestond. De Sadduceeën erkenden alleen de eerste vijf bijbelboeken als gezaghebbend woord van God. Omdat daarin niet uitdrukkelijk sprake is van opstanding uit de doden stelden zij dat met de dood alles uit is. Lucas had in zijn evangelie al weergegevenhoe Jezus deze Sadduceese overtuiging met een beroep op Exodus 3:6 weerlegde (Luc. 20:27-40).

Als Paulus in het Sanhedrin uitroept dat hij terechtstaat ‘om de hoop en de opstanding der doden’ verklaart hij zich in dit opzicht één met de Farizeeën. Uit de verschillende uitspraken van Paulus zoals we die in Handelingen aantreffen, komt naar voren dat hij de ‘hoop van Israël’ – of het nu Jezus als de door God gezonden Messias aanvaardt of niet -gefundeerd zag in de belofte die God aan de vaderen heeft gedaan. Hoe diep en pijnlijk het conflict rond Jezus ook is, de band met Israël wordt niet doorgesneden. Die hoop van en voor Israël is niet gebaseerd op hoopvolle tekenen die Paulus bij zijn volk zou waarnemen. In Handelingen is er immers geen sprake van dat de boodschap van het evangelie gaandeweg meer en meer weerklank vindt in de synagoge. Integendeel: steeds weer wijst men daar het evangelie van Jezus Christus af. Daarmee eindigt dit bijbelboek ook, maar niet dan nadat Paulus opnieuw heeft verzekerd dat hij ‘om de hoop van Israël’ de ketenen draagt (Hand. 28:20). Kenmerkend voor de bijbelse hoop is dat ze tegen de druk in juist toeneemt!

Kern

Het is een belangrijk bijbels gegeven dat de hoop helemaal aan God en zijn belofte ‘hangt’. Daarom droogt de hoop op God en zijn belofte op, waar het leven uit zichzelf allerlei hoopvolle perspectieven lijkt te bieden. Hoop in bijbelse zin is als een springveer: ze ontwikkelt haar kracht pas echt waar de omstandigheden druk op haar uitoefenen. De druk brengt de mens immers bij Gods belofte, dat is: bij Christus.

Verwijzing

Zie voor verwante en/of aanvullend te bestuderen woorden: erfenis, opstanding, roem, onderdrukking, voleinding, wachten.

< Terug