Menu

Premium

Baptizatus sum – ik ben gedoopt

Bij Openbaring 7,2-12(17), 1 Johannes 5,4-10a en Johannes 20,19-31

Maarten Luther

Voor Maarten Luther was de doop veel meer dan een teken van toetreding tot de christelijke gemeenschap of een markering van het begin van het nieuwe leven. Door zich zijn doop te herinneren, vergewiste hij zich er op momenten van twijfel telkens weer van dat hij God toebehoorde en dat andere machten geen aanspraak op leiding in zijn leven konden maken. Dit element van lutherse theologie kan met behulp van de drie teksten voor de tweede zondag van Pasen naar voren worden gehaald.

Kosmische geweld

Het was al erg: opstand en oorlog overal, het dagelijkse eten onbetaalbaar, een kwart van de mensheid gedood. Maar het kon nóg erger: de ordening van het heelal wordt opgeheven, de zon schijnt niet meer, de sterren schieten uit hun baan, de hemel lijkt ontwricht. Ten aanschouwen van het ontketende kosmische geweld en de teloorgang van de bekende wereld wordt de mens klein, ontzettend klein, nietig. Een speelbal van oncontroleerbare krachten, van de onstuimige uitingsvormen van Gods toorn. Wat voor verschil maakt het dan nog dat iemand christen is?

Eigendom van God

Het antwoord hierop ontvouwt het boek Openbaring in twee gezichten (Openbaring 7,1-8 en Openbaring 7,9-17). De troostende boodschap van het eerste gezicht: de Heer kent al de zijnen. Voordat het kwaad op de aarde ontketend wordt, ontvangen de christenen (‘dienaren van God’) een ‘zegel’ op het voorhoofd. Wat er ook gaat gebeuren, wat zij vervolgens ook moeten ondergaan, zij zijn van Hem – met lichaam en ziel, in leven en sterven, en dus ook in de laatste verschrikkingen. Om te onderstrepen dat zij het ‘volk ten eigendom’ (1 Petrus 2,9) zijn, gebruikt de schrijver het beeld van Israël, Gods eigendom bij uitstek. En er is geen enkel onderdeel van Gods volk dat benadeeld wordt – de verzegelden komen uit alle stammen. Op Dan na. Want, aldus een aantal vroegjoodse en vroegchristelijke tradities, uit deze stam komt de antichrist. Zoals ‘Israël’ overdrachtelijk is gebruikt voor het christelijke volk Gods, zo is ook het aantal van de verzegelden een beeld: 144.000 is het kwadraat van het heilige getal van compleetheid, vermenigvuldigd met duizend.

Wie zijn dezen?

In het tweede gezicht (Openbaring 7,9-17) wordt ingegaan op de identiteit van degenen aan wie Gods bijzondere bescherming ten deel valt. Wat zijn de voorwaarden om erbij te horen? Een gezicht van de tijd na de verdrukkingen (vgl. Openbaring 7,15-17 met Openbaring 21,1-4) geeft hierop antwoord. De ziener ziet de geredden: een ontelbaar grote menigte uit alle landen en taalgemeenschappen, misschien een toespeling op de belofte aan Abraham (Genesis 15,5; 22,17). Voor Gods troon staan dan de eschatologische kinderen van Abraham. Kenmerkend zijn de witte kleren en de palmtakken in hun handen. De palmtak is in de Oudheid een overwinningsteken (zie 1 Makk. 13,51); de geredden zijn dus overwinnaars in een strijd. Hun kleren hebben de overwinnaars ‘gewassen en wit gemaakt in het bloed des Lams’ (Openbaring 7,14), dat wil zeggen: ze hebben de dood van Christus hun eigen voorkomen laten bepalen.

Doop

Toe-eigening van Christus’ dood voor het eigen bestaan en een ‘gereinigd’ leven – beide zijn traditionele elementen van vroegchristelijke dooptheologie. Toch is de associatie van de witte kleren met de doop niet dwingend, want ook degenen die martelaar zijn geworden omdat ze van God getuigden, krijgen een wit gewaad (Openbaring 6,11). Aan de andere kant zou ook het ‘zegel’ dat de 144.000 ontvangen naar de doop kunnen verwijzen. Dit motief heeft zijn oorsprong in het boek Ezechiël (Ezechiël 9,4), waar de bewoners van Jeruzalem ‘die jammeren en klagen over de gruwelijke dingen die in de stad gebeuren’ op hun voorhoofd gekenmerkt worden met een taw. Dit is zowel het Hebreeuwse woord voor ‘kenmerk’, ‘merkteken’ alsook de laatste letter van het Hebreeuwse alfabet, in cursiefschrift vaak weergegeven in de vorm van een kruisje. Er zijn liturgieën bekend waarbij de dopeling een kruis op zijn voorhoofd kreeg. In de Griekse tekst van het boek Openbaring wordt het door de 144.000 ontvangen teken sphragís genoemd, zegel. Ditzelfde woord kan in vroegchristelijke teksten de doop aanduiden: de dopeling wordt in de doop als het ware verzegeld met de Geest (Herm. Sim. 9:16,4; 2 Clem. 7,6; 8,6). Van duidelijk andere aard is het kenmerk dat de aanhangers van het beest op hun voorhoofd krijgen (Openbaring 13,16). Dit heet in het Grieks dan ook niet sphragís: er is generlei verwantschap tussen het teken van het beest en de doop. Samengevat op z’n luthers luidt de boodschap van onze tekst dus als volgt: wie huivert vanwege de laatste verschrikkingen en zich afvraagt hoe hij overwinnen kan, mag zich zijn doop herinneren en het nieuwe leven dat toen begon.

Overwinnaars

Overwinning, doop, bloed en Geest verbinden de tekst uit het boek Openbaring met de twee johanneïsche teksten. Het dagelijkse leven ervaren de christenen van de eerste Johannesbrief als strijd met de wereld. De levenswijze van de wereld en de geboden van God staan in de ervaring van de gelovigen lijnrecht tegenover elkaar. Een geboorte uit God is nodig om de wereld te overwinnen (1 Johannes 5,4) en deze geboorte uit God uit zich als geloof in Jezus Christus als Zoon van God. Bij Jezus’ doop heeft God dit zoonschap bekendgemaakt. Zijn dood aan het kruis heeft de vergeving van zonden gebracht (1 Johannes 1,7; 2,2; 4,10). Dat dit zo is, wordt bevestigd door hun eigen doop, door het avondmaal – en de Geest die in de gelovige woont (1 Johannes 5,7-8) en die de discipelen op de avond van Pasen hebben ontvangen (Johannes 20,22). Tomas, die toen niet aanwezig was, wil een tastbaar bewijs – hij wil zijn hand in de wond leggen (Johannes 20,25) waaruit bloed én water waren gestroomd (Johannes 19,34, vgl. 1 Johannes 5,6).

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken