Barmhartigheid voorbij de grenzen van mijn handelen
‘Onbarmhartig zal het oordeel zijn over wie geen barmhartigheid heeft
bewezen; maar de barmhartigheid overwint het oordeel’ (Jakobus 2:13).
Als er ergens barmhartigheid nodig is, dan is het wel bij de stroom vluchtelingen waarmee we bijna dagelijks indringend worden geconfronteerd. Hier komt het er concreet op aan hongerigen te voeden, dorstigen te drinken te geven, vreemdelingen onderdak te verlenen, naakten te kleden, zieken te troosten, gevangenen te bezoeken en doden te begraven. Werken van barmhartigheid, gericht op het lenigen van directe nood. Hoe complex de politieke vraagstukken op wereldniveau ook mogen zijn en welke problemen zich op lokaal niveau ook mogen voordoen bij de opvang van migranten, het ‘koninklijke gebod’ de naaste lief te hebben als jezelf (Jakobus 2:8) blijft hoe dan ook van kracht.
Barmhartigheid bewijzen. Jakobus legt alle nadruk op de werken van het geloof. Weest daders van het Woord. Hij spreekt dan ook niet slechts over een houding van barmhartigheid, maar over barmhartigheid bewijzen, ‘tot stand brengen’, ‘doen’ of ‘maken’ (poiein). Geloof zonder werken is immers dood. Als een broeder of zuster nauwelijks kleren heeft en elke dag eten tekort komt, dan kun je toch niet zeggen: ‘Het ga je goed! Kleed je warm en eet smakelijk!’ zonder de ander te voorzien van de eerste levensbehoeften (Jakobus 2:15-16). Hier treffen we die bijzondere bijbelse aandacht aan voor de external goods, voor de basisbehoeften van het lichaam.