Bekering als noodzaak – vergeving als christelijke plicht
Een godsdienstonderwijzer als novelist
Ter inleiding
Werkend aan het project ‘ Bijbelse geschiedenis herverteld’,[1] maakte ik kennis met enkele geschriften van Peter Duijs (1822-1899), een 19de-eeuwse godsdienstonderwijzer. Op zoek naar nadere gegevens over hem bleek mij dat hij niet alleen de schrijver was van typische vruchten van zijn werkzaamheid als godsdienstonderwijzer, zoals de hervertelling van bijbelse verhalen, boekjes met gebeden en een leerboekje over de kerkgeschiedenis, maar ook de vergeten auteur van meer dan zeventig voor de jeugd bestemde verhalen en van zeker zo’ n vijftig doorgaans interessante novellen van vaak tientallen pagina’s groot. Zijn literair werk, zo leerde een kennismaking met zijn oeuvre mij, moet als ‘tendensliteratuur’ gekarakteriseerd worden. Als vertegenwoordiger van de protestantse clerus minor – waarover later meer[2] – verloochende Duijs zichzelf als godsdienstonderwijzer niet en gebruikte hij zijn literaire talent om zijn levensbeschouwing en zijn moraal uit te dragen, zijn godsdienstig en maatschappelijk program te vertolken. Zoals zal blijken, is de aandacht voor zijn persoon en de bestudering van zijn werk vanuit het oogpunt van de kerkelijke geschiedschrijving beschouwd, wellicht meer nog dan vanuit de optiek van de letterkunde bezien, de moeite meer dan waard.
In dit artikel wordt Duijs voorgesteld als godsdienstonderwijzer-novellist. Als zodanig[3] concipieerde hij gedurende zo’n veertig jaar jaarlijks één of twee verhalen. Het overzicht van de door mij getraceerde novellen dat aan het slot van het artikel is opgenomen, getuigt van zijn belezenheid en zijn vermogen ‘geschiedenis’ te scheppen en de ‘grote’ geschiedenis te gebruiken als het medium om gestalte te geven aan de ‘kleine’ geschiedenis,het terrein waarop hij zich een meester betoonde en dat hem de mogelijkheid bood wat hem bewoog te verwoorden.
We gaan als volgt te werk: na Duijs hieronder kort voorgesteld te hebben, belichten we de verhalen van verschillende kanten: we geven achtereenvolgens een algemene karakteristiek van zijn novellen; vervolgens een typering van de meer formele kant ervan, de wijze waarop zij geconcipieerd zijn; daarna brengen we de in novellen gepropageerde ‘ideologieën’ in kaart; door middel van een ‘Evaluatie’ verscherpen we in aansluiting daaraan het beeld van de door Duijs aangehangen en bepleite levens- en wereldbeschouwing alsmede zijn moraal en geven we zijn opvattingen een plaats binnen de horizon van zijn tijd; in een ‘Tot besluit’ staan we stil bij de status van de godsdienstonderwijzer in het kerkhistorisch onderzoek en bij het ‘lot’ van Duijs als een vergeten godsdienstonderwijzer-schrijver.
Over het leven van Peter Duijs (ook geschreven als ‘Duys’) zijn slechts een aantal zakelijke gegevens bekend.[4] Van 1848 tot zijn dood was hij woonachtig te Kampen. Tot het einde van 1892 was hij daar werkzaam als godsdienstonderwijzer bij de Hervormde Gemeente. Als zodanig fungeerde hij als een hulpkracht van de predikanten met als taken o.a. het catechetisch onderwijs aan de doopleden van de gemeente, het godsdienstig onderricht in huizen van weldadigheid, het onderwijs in de bijbelse geschiedenis op de openbare scholen, het bezoeken van zieken der gemeente aan huis en in de gasthuizen. Ook was hij gerechtigd ‘oefeningen’ (= preken) te houden. Daarnaast hanteerde hij ‘voor eigen rekening’ de pen. Noch een fotografisch, noch een geschreven portret van hem is beschikbaar. Zijn geschriften bieden evenwel de mogelijkheid het vage biografische beeld van hem te verscherpen.
De novellen van verschillende kanten belicht
Algemene karakteristiek
Korte titels genieten de voorkeur van Duijs. Daarbij heeft hij het patent op ‘mysterieuze’ titels die de lezer in het ongewisse laten over de inhoud van de novelle, zoals ‘Het kleedje’, het jak van een ontvoerd kind met daarop een borduursel dat het drama tot een ontknoping brengt (6), ‘Mornesteen’, de naam van de woning van een patriciërsfamilie, Van Morne (26), ‘De heiden’, de naam waaronder een jongen met een zigeunerachtig uiterlijk bekend was (28). Vaak wordt pas in de loop van het verhaal of aan het slot de betekenis van de titel duidelijk.
Wat tijd en plaats van handeling betreft, vertonen de novellen een rijke schakering. De tweede eeuw (12),[5] de Middeleeuwen (2; 3; 10; 19; 21; 22; 32; 34; 37; 46), de tijd van de Reformatie (5; 27; 30; 35), het rampjaar 1672 (4; 26), de Napoleontische tijd (18; 24; 28; 29) of de aanloop daartoe (43), maar ook de tijd van de auteur (7; 8; 31; 33; 36; 38; 39; 40; 41; 49) vormen het decor van de geschiedenis die zich kan afspelen in o.a. Scandinavië (15; 21; 22), het Heilige Land (12), Hongarije (17), Pruisen (24), Rusland (20), Tirol (18; 29) en de Lage Landen (1-5 enz.) met in hoofd- of bijrol o.a. Karel V (14; 46), verscheidene hertogen van Gelre (10; 16; 19; 30; 32; 34; 37), tot de adel, de aristocratie (7; 8; 26; 46; 49) en de gegoede burgerij (5; 7; 23; 25; 33; 35; 40; 41) behorende personen én eenvoudige lieden (6; 14; 24; 36; 38; 43; 46).
Verscheidene novellen bieden een ‘inkijkje’ in de biografie van de auteur. Zij spelen zich af in plaatsen die hij zelf al goed kende: (10; 14; 37; 46),[6] de Achterhoek (17; 39; 43)[7] en Kampen (4; 5; 6; 26; 35).[8]
Een aantal novellen draagt het predikaat ‘historisch’ (10; 19; 20; 22; 24; 30). Op enkele uitzonderingen na (7; 8; 31; 33; 38; 40; 41; 49) hebben zij alle echter een historische ‘setting’. Alle bieden een afgerond verhaal. In één wordt terloops (19, 34) gerefereerd aan een eerder beschreven geschiedenis (10). In een ander (25) wordt een eerdere verhaaldraad (23) opnieuw opgenomen. De geschiedenis van de Tiroler vrijheidsstrijder Andreas Höfer wordt in gevarieerde vorm tweemaal verhaald (18; 29). Zo ook de dreigende overval op in 1364 (10; 37).
Drie novellen kunnen als ‘naametiologie’ getypeerd worden: zij geven een verklaring voor het bestaan van een typische naam (3; 17; 26).
Bij sommige novellen verantwoordt de auteur zich aangaande de bronnen van de geschiedenis waardoor hij zich heeft laten inspireren.[9] Vaak geschiedt dat niet. De ‘grote’ geschiedenis fungeert als het raamwerk of het decor van de grotendeels fictieve ‘kleine’ historiën.
Verhaaltrant, couleur locale en andere kenmerken
Schilderingen en detail die een aanschouwelijk beeld oproepen van ‘de wereld’ van het verhaal, zowel wat betreft de plaats en de tijd van handeling als van wat er zich afspeelt, nemen een belangrijke plaats in in de novellen. Bijzondere zorg besteedt Duijs aan de sfeertekening van zowel de inleiding tot de verhalen als geheel als van het begin van de afzonderlijke paragrafen. ‘In Marocco’ begint aldus:
Het was een heldere, warme zomerdag. De blauwe hemel welfde zich liefelijk boven de Middellandsche zee, over wier kabbelende golven het Amsterdamsche koopvaardijschip de Hoop langzaam voorwaarts gleed. Het bevond zich thans op de hoogte van en zette koers naar de Barbarijsche kust. Een bejaard heer en eene jongere dame hadden zich neergezet op het dek nabij den grooten mast. De heer had een schrander gelaat. Zijne fijne trekken en de heldere blik der donkere oogen verrieden een denkenden geest; zijn reeds grijzend haar was gitzwart geweest, maar de blanke huidkleur duidde toch geen zuidelijke nationaliteit aan. De gelaatskleur en trekken der dame zoowel als hare kleeding deden in haar de Spaansche vermoeden. (25, 191)
Een nieuwe paragraaf in ‘De vrijheidskamper’ zet als volgt in:
De lenteadem ging over de en dalen van . Het eerste frissche loover tooide struiken en geboomte, velden en akkers. Alleen de groote noteboom bij Höfer’s [de hoofdpersoon] huis vertoonde nog slechts uitbottende knoppen. In en rondom het huis heerschte drukte en bedrijvigheid, niet alleen door landbouw en handel, maar ook door het toenemend verkeer, dat het voorjaar gewoonlijk met zich bracht (…). (29, 203)
Ook anderszins bekommert Duijs zich zeer om de ‘aankleding’ van zijn verhalen. Van natuurschilderingen maakt hij werk. Bombastisch taalgebruik schuwt hij daarbij soms niet. In
‘Het verjaringsgeschenk’ tekent hij bijvoorbeeld het begin van de nacht op het buiten, waar het verhaal zich afspeelt, aldus:
De zon had de aarde den afscheidskus gegeven, en de stilte van den nacht haren beschermenden sluijer over de slapende natuur uitgebreid. Al de lichten waren op ‘Schoonzigt’ uitgebreid [sic], en stil murmelend hoorde men nog slechts het ruischende water van den vreedzamen Rijnstroom. (8, 57)
Duijs is erop uit een authentiek-historisch beeld op te roepen van ‘het milieu’ van zijn novellen.[10] In ‘De Heilige Steeg’ worden de Middeleeuwen opgeroepen door de schildering van het geloof in hekserij en van een heksenproces dat eindigt in het godsoordeel door middel van de waterproef (3, 142v., 164v.). Herman Bier van Heze neemt als boeteling zijn intrek in het fraterhuis van de Broeders des Gemenen Levens op de Brink te (19, 141-147). In ‘Het Turksche huis’ onderwijst Willem Sluyter – een bekende historische persoon, in de 18de-eeuw dichter-predikant in Eibergen -, te Neede anachronistisch de in de 17de eeuw bekeerde Turk in het christendom (17, 36). In de ‘De vrijheidskamper’ wordt aan het verhaal een Tiroler cachet gegeven door de introductie van het ‘schijfschieten’ als de geliefde sport (29, 199). In ‘Mornesteen’ wordt het vertrek waarin de Oranjegezinde, calvinistische familie Van Morne bijeen is, als volgt geschilderd:
Het opvlammende vuur en het licht der kaarsen wierpen hun schijnsel op de familiegroep voor den schoorsteen en op de portretten van voorouders aan den wand, die opklommen tot de 15e eeuw, maar de meesten waren uit den Spaanschen tijd. Op een tafeltje ter zijde van den schoorsteen lag de groote Statenbijbel met zware zilveren sloten en op een ander tafeltje daarnaast een boek in kwarto formaat en gebonden in perkament, waarop men den naam las van Jacob Cats, en een dito band, waarop stond: ‘Nederlandsche historien van Pieter Cornelisz ’t Hooft.’ (26, 5)
In ‘De boer en de koning’ verkeert de lezer in een typisch doopsgezind milieu: de dochter zingt bij het werk een psalm; schilderijen met bijbelse taferelen sieren de wanden van het woonvertrek; voor de maaltijd werd gebeden; na de maaltijd werd uit ‘de groote bijbel’ gelezen en het dankgebed uitgesproken; groot is de kennis van de Bijbel; in de verhalen herkent met het eigen lot; de Franse overheersing in de Napoleontische tijd wordt gezien als een tuchtiging voor de zonden, te vergelijken met de onderdrukking van het oudtestamentische Israël door de Filistijnen en de Moabieten en als een oproep tot verootmoediging (24, 110, 113, 116, 119, 124). In ‘De vrijheidskamper’ ontmoet de lezer vrome rooms-katholieken. Ook zij bidden en danken en zijn vervuld van Godsvertrouwen. De Bijbel speelt evenwel geen rol in hun leven. Wel heiligen en het crucifix. Met in zijn hand ‘een met bloemen omwonden kruisbeeld’ sterft de ‘Tyroler’, getypeerd als ‘een ware christelijke held en een onverschrokken martelaar’ (29, 206-209, 219, 221, 225, 229, 230, 243v., 246v.).
Kenmerkend voor de beschrijving van de personen in de verhalen van Duijs is dat uiterlijk en innerlijk van de in het verhaal optredende personen congruent zijn. Aan de fysieke kenmerken valt het karakter af te lezen. De kwade genius van ‘Een paasnacht’, heer Otto van Loenen, ‘een lang, mager man’, die met ‘scherpe, krassende stem spreekt’, een onbarmhartig, eerzuchtig, hebzuchtig, vals en wreed sujet, ziet eruit ‘als de booze zelf’: ‘zijnegrijze oogen blikten listig en boosaardig vanonder de dikke wenkbraauwen’ (10, 6, 28). Wanneer hij meent zijn wraakzucht te kunnen botvieren, vertrekt een ‘bittere grijnslach’ zijn gelaat en vonkelen zijn ogen (10, 15). Zijn tegenspeler, een eenvoudig visserman, mist eveneens ‘kalme bedaardheid’. Zijn ‘zwarte vonkelende oogen’ tekenen hem als een man met ‘een vurig gestel’. Alles zeggend is evenwel dat zijn hartstocht zichtbaar is op een ‘schoon en schrander gelaat’ (10, 1). Het typeert hem als de echte edelman.
De hoofdpersonen van ‘In ballingschap’, een vader en dochter, behorende tot de landadel van de Noord-Nederlandse gewesten in de 16de eeuw gaan in overeenstemming met hun status gedistingeerd gekleed. Hun adeldom blijkt echter met name uit hun verdere voorkomen:
Welwillendheid, goedheid misschien was de meest kenmerkende trek in het gelaat van den ouden heer, die van middelbaren leeftijd scheen te zijn; terwijl het meisje, wier bevallig gelaat in sommige trekken met de zijne overeenkwam, wel niet meer dan zestien jaren telde. Hoewel het hoofdhaar zonder verschooning was weggedrongen achter de in de zon schitterende en tintelende metalen platen [de nationale dracht van het Noorden], verrieden ook de wenkbrauwen, de buitengemeen blanke gelaatstint en de lichtblauwe oogen genoegzaam de blonde dochter van het noorden. De bezielde blik, van levenslust stralende, de vaste trekken om den gesloten mond, deden denken aan een vurig en moedig karakter. (27, 101v.)
De man die het op hen, sympathisanten van de Reformatie, gemunt had en die doet alsof ook hij aan de goede kant staat, is een mens met een ‘breed gezicht’ en ‘door dikke lippen omgeven mond’ die zich vertrekken ‘tot een dubbelzinnigen lach’, wanneer hij verhaalt over de gevangenneming en executie van personen ‘om Lutherije of oproerige daden’. (27, 116)
Een bijzonder kenmerk van de verhalen van Duijs is het frequente gebruik van de dialoog als stijlmiddel. Hij gebruikt het onder meer om de aandacht te vestigen op de verschillende kanten van de onderwerpen die zijn personages aanroeren.
In ‘De proef’ ontspint zich tussen de leider van het verzet in het 15de-eeuwse Holstein en zijn vrouw een discussie over de vraag of de strijd voor de vrijheid, ofschoon gerechtvaardigd, moet worden voortgezet, daar zij, gezien de overmacht van de tegenstander, gedoemd is te mislukken. De man acht het zijn roeping met de zijnen ‘tot de laatsten man’ te moeten strijden ‘voor onze wettige rechten’. Het gesprek verloopt daarna als volgt:
‘Gij moest evenwel aan vrouw en kind denken! ’ bracht de vrouw daartegen in. Maar haar echtgenoot hernam met schitterende oogen:
‘Meent gij dan dat er één onder ons is, die daar niet aan denkt? Gij zijt de kostelijke schatten des huizes, waarvoor de bloedige kamp gestreden wordt; maar hooger nog dan vrouw en kind moet voor den man het heil des vaderlands en de vrijheid gelden.’
‘Harde onbuigzame mannen, voor wie de eer en roem meer geldt dan alle huiselijk geluk!’
‘Zeg liever: brave mannen, die voor de heiligheid van uwe haardsteden vechten.’ (22, 138v.)
In ‘De boer en de koning’ voert de streng doopsgezinde hoofdpersoon in het Pruisen van Frederik Willem III een discussie met zijn zoon over het gebruik van geweld in de strijd tegen onderdrukking. De zoon Bernhard acht verzet noodzakelijk. Zijn vader wijst hem op het woord van Jezus: ‘Die u op de rechterwang slaat, keer hem ook de linker toe?’ (Matteüs 5:39) en merkt op:
‘Wilt gij ontaarden van de leer onzer vaderen, die den krijg verfoeien, omdat het een moorden is in het groot? (…)’.
‘Ja, ik kan ’t niet helpen, vader,’ verontschuldigde Bernhard zich, ‘maar ik twijfel of men ’s Heeren woord in dit stuk wel naar de letter moet verstaan, en of de Heer hier wel gedacht heeft aan de zelfverdediging van een verdrukt volk tegen zijne geweldenaars.’
‘Zoo spreekt de wereldsche wijsheid, die altijd de woorden der schrift wil uitleggen naar haar eigen begeerte (…).’
‘Maar wat moet er dan worden van landen en volken, als men straffeloos overheersching en geweld gedoogt?’
‘Dat moet men overlaten aan de Heer. Wij hebben slechts te doen wat Hij beveelt en te verdragen, wat Hij ons oplegt. (…).’ (24, 108v.)
In verscheidene verhalen is plaats ingeruimd voor de liefdesgeschiedenis van twee jonge mensen. In de regel – niet altijd (12; 28; 34) – betreft het een subthema dat op verschillende wijze is uitgewerkt. Tussen de met het christendom sympathiserende dochter van de Friese koning Radboud en een Frankisch edelman ontbloeit een liefde die uitmondt in de voltrekking van hun huwelijk (2). De van protestantse neigingen verdachte zoon van de hertog van Gelre is genoodzaakt te vluchten en huwt te Dantzig, beneden zijn stand, zijn geliefde, een koopmansdochter. Standsverschil (4; 10; 13; 21; 28; 41), een verschil in nationaliteit (18; 29), armoede (36) of het onvermogen een bruidsschat op te brengen (14) is een geduchte barrière voor de bestendiging van de relatie. Dankzij verrassende gebeurtenissen komt het in enkele gevallen niettemin tot een huwelijk, doordat de vader van de ‘mindere’ partner of de ‘mindere’ partner zelf vanwege grote verdiensten voor de maatschappij een paar treden op de maatschappelijke ladder opklimt (4; 10) of doordat als dank voor bewezen diensten in de bruidsschat wordt voorzien (14). Ook gelukt het een huwelijkskandidaat een goede betrekking te verwerven (36). Niet elke ‘mindere’ klimt op. Gebrek aan ambitie verhindert een hoge militair te huwen met een Poolse prinses, die uiteindelijk het genoegen smaakte de gade te worden van de Franse koning Lodewijk XV (13). Het standsverschil dermate groot zijn dat een relatie zelfs niet aan de orde komen, zoals in het geval van de Zweedse koning Christiaan II die een bijzondere genegenheid had opgevat voor een meisje (21). En als de ‘mindere’ een hoge maatschappelijke positie weet te verwerven, is daarmee het huwelijk met de geliefde niet gegarandeerd, zoals blijkt uit de geschiedenis van de ‘heiden’ die maarschalk wordt. Zijn beminde is dan echter al vele jaren de vrouw van een ander (28). Het verschil in stand kan als factor zelfs geheel zonder betekenis zijn – een hertog van geboorte huwt de dochter van een smid – doordat de beide partners zich buiten de gevestigde maatschappij plaatsen door hun participatie aan de ‘ketterse’ beweging der Waldenzen (32).
Ook de dood aards geluk in de weg staan. Een tot het christendom bekeerde Batavier, tribuun in dienst van het Romeinse leger, en zijn beminde, een jodin, treft dat lot. Zij wordt dodelijk getroffen door de mededinger van de tribuun. Ook de Batavier sterft. Wel is vanwege haar bekering tot het christendom beiden (impliciet) het hemels geluk beschoren (12). Aards geluk is evenmin weggelegd voor Herman Bier van Heze die, geconfronteerd met de mysterieuze verdwijning van zijn geliefde, verteerd wordt door wraakzucht jegens de vermoedelijke dader (19).
De eis niet buiten het eigen volk te trouwen worden losgelaten wanneer ‘de ander’ meer dan ‘eigen’ blijkt te zijn (18; 29).
Jonge geliefden figureren ook in verhalen waarin het thema ‘onmogelijkheid van het huwelijk’ ontbreekt of althans niet bepalend is. De nadruk valt in dat geval op hun ‘eenheid van geest’, op beider edel karakter (3; 5; 34; 35).
Levens- en wereldbeschouwing, moraal en voorkeuren
Voor Duijs ligt het lot van mens en wereld in de hand van God. Hij stuurt de loop van de geschiedenis, voor de mens niet altijd doorzichtig, maar immer rechtvaardig en barmhartig. De mens behoort zijn lot te aanvaarden. ‘Wij moeten berusten in Gods wil’, zo houdt de vrouw van de hoofdpersoon van ‘In Marocco’ haar man voor die met ‘een godheid’ die erop uit is ‘de menschen zoo te plagen als ik door mijne pijnen gedaan word’ niet vandoen wil hebben en haar door deze godslastering ‘verschrikte’ (25, 219). In tegenspoed past het een ‘Christenmensch’ niet zich ‘aan eene morrende bitterheid’ over te geven, maar moet hij zijn lot ‘met geduld’ dragen, aldus de echtgenote van de hoofdpersoon van ‘De Gouden Ton’ (11, 86). Wanneerdie ‘eenige niet zeer stichtelijke vloeken’ uitspreekt, toen zijn paard een poot brak, wijst iemand hem erop dat ‘godslastering’ een grote zonde is en het ‘niet christelijk is aan Gods voorzienigheid en regtvaardigheid te twijfelen’ (vgl. ook 38, 237), daar men nooit kan weten met welke bedoelingen ‘de goddelijke Voorzienigheid’ iemand een ‘bezoeking’ oplegt (11, 87v.).
De geest van de echt vrome mens is, wanneer de tegenslag hem treft, ‘ongebogen’ en ‘vol van christelijke berusting’, zoals dat het geval was bij ‘de vrijheidskamper’ (29, 243), de man die zichzelf beschouwde als de uitvoerder van ‘de wil van God’ (29, 206, 230v.). God zorgt ervoor dat uiteindelijk het recht zal zegevieren. De echtgenote van ‘Een oproermaker’, de man die zich ten tijde van Catharina II in Rusland uitgaf voor tsaar Peter III en een groot deel van het volk achter zich kreeg, tracht, na tot het inzicht gekomen te zijn dat haar man een oplichter is, hem bij de strijd om de macht van verder bloedvergieten af te houden met de woorden: ‘God zal de zaak van wet en recht doen zegevieren en onrecht en verraad zal de rechtvaardige straf niet ontgaan!’ (20, 31). Door God wordt de deugd beloond en de ondeugd bestraft. De waard en de waardin van ‘De Gouden Ton’ die Filips van Bourgondië, de bisschop van Utrecht, een kamer weigerden, toen hij sjofel gekleed en incognito bij hen aanklopte, mochten de herberg niet langer exploiteren. De pacht werd gegund aan de door tegenslag geteisterde vrachtrijder die het voor de armoedige man had opgenomen. Zo werd ‘eerlijkheid en goedhartigheid’ beloond (11, 93). Op lijden volgde verblijden; toen de nood het hoogste was, was de redding nabij (7; 36). Dat ervoer ook de hoofdpersoon uit ‘De boer en de koning’ die net zoals de bijbelse Job (24, 143) al zijn bezit was kwijtgeraakt, maar ten slotte weer in goede doen geraakte (24, 153).
Het ware geloof wordt gekenmerkt door een rotsvast vertrouwen op God, ook in tegenspoed. Wanneer de hoofdpersoon in ‘Een Paasnacht’, tot wanhoop gedreven door armoede en de ziekte van zijn moeder, aan zijn geestelijke leidsman te kennen geeft te gaan stelen ‘als er geene barmhartigheid meer is’, reageert die geschrokken met:
‘Stil, Wilbert, gij verschrikt mij; dat is niet de taal van een braaf jongeling, zooals gij steeds waart. Gij moet bedaard blijven en op God vertrouwen!’ (10, 3)
De geplaagde hoofdpersoon van ‘De proef’ spreekt op het moment dat hij (a ) een proef moet doen, waarbij het leven van zijn zoon op het spel staat, met ‘een geloovig hart’ tot tweemaal toe de woorden ‘Ik vertrouw op God’, eraan toevoegend: ‘Hij zal mijn hart bemoedigen, mijne spieren verstalen, mijne leden sterken en over mijn kind waken.’ (22, 155) Vlak voordat de hoofdpersonen van ‘In ballingschap’, vader en dochter, hunlandgoed vanwege verraad moeten verlaten, vindt er een gesprek plaats tussen hen en een met de Reformatie sympathiserende priester:
‘Laat ons hopen elkander hier in betere dagen nog eens weder te zien,’ wenschte de priester – ‘of anders in den hemel!’
‘Het ziet er zeer donker uit,’ zuchtte van Losdorp [de landheer].
‘De Heer licht scheppen in de duisternis,’ was het antwoord. ‘Versagen wij maar niet! (…).’ (27, 124)
Hoe waar het geloof ook is ‘dat de goede God regeert’, het recht zegeviert en ‘regtschapenheid en edelmoedigheid het winnen’ (36, 166), niet ieder geniet evenwel persoonlijk van Gods rechtvaardig bestel. De aristocratische weduwe uit ‘Mornesteen’ overleeft het bericht niet dat zij haar huis moet afstaan aan een woekerjood (26. 47). Van rechtsherstel geniet slechts haar zoon. Vrijheidsstrijders zien hun idealen vervliegen (18; 22; 29).
Bekering en vergeving zijn weerkerende thema’s in Duijs’ oeuvre. ‘Bekering’ verschillende gestalten hebben. Christenen in naam kunnen worden tot overtuigde christenen. De echtgenoot van de barones in ‘Het verjaringsgeschenk’, een man ‘een wereldschgezind leven gewoon en in zaken der godsdienst eene ledige onverschilligheid huldigende’, komt onder de invloed van zijn vrome vrouw tot ‘een godvruchtig leven’ (8, 54). Haar zoon die zich heeft overgegeven aan een losbandig leven, komt tot berouw (8, 60-63).[11] ‘Bekering’ in de vorm van berouw en wroeging over aan (een) ander(en) aangedaan onrecht komt o.a. ook voor in ‘Rembrandt’s mededinger’. Rembrandt krijgt berouw over het feit dat hij zijn nicht, een arme, zieke weduwe, met haar kinderen de deur heeft gewezen (9, 126, 138v., 146). Eén der personen in het verhaal verwoordt Rembrandts positie als volgt:
‘Hij kan (…) het verdriet en de ellende niet wegnemen, welke hij der arme vrouw heeft veroorzaakt; hij kan haar en hare kinderen, als zij er onder bezweken zijn, niet in het leven terugroepen; maar toch zouden zij hem misschien vergeven, als zij wisten dat hij berouw heeft, want het berouw verzoent alles, en bij God zal het hem gewis vergeving doen vinden voor eene daad, die voorzeker onchristelijk en onmeêdoogend was!’ (9, 139)
Berouw is de voorwaarde voor vergeving. Vergeving herstelt de verhouding tussen personen onderling, maar neemt niet de rechtmatige straf voor onrecht tegen de gemeenschap weg. De priester in ‘Een oproermaker’ laat weten welke houding ten opzichte van de pseudo-tsaar moet worden aangenomen:
‘Wat tegen ons persoonlijk misdaan wordt moeten wij vergeven; wat tegen het vaderland misdreven wordt, hierover moet de wettige regeering oordeelen (…).’ (20, 48)
De berouwvolle oproermaker wordt geëxecuteerd (20, 48v., 53, 58). ‘Een socialist’, in wezen een goed mens die zich aan brandstichting had schuldig gemaakt, wordt veroordeeld. In de gevangenis komt hij tot ‘bekering’ (31, 28-33). Van een ‘ontevreden, mokkend, verbitterd sociaal-democraat’ verandert hij in een ‘oppassend, vergenoegd werkman’ die ‘bij zijne superieuren als een der beste fabrieksarbeiders stond aangeschreven.’ (31, 34) Een transformatie onderging ook ‘de heiden’. Toen zijn geliefde aan een ander werd uitgehuwelijkt en hij, na zijn concurrent met een mes bedreigd te hebben, moest vluchten, bekende hij haar ‘anders en beter’ te willen worden (28, 21). Hij groeide uit tot een edelmoedig mens die, wanneer hij jaren later in de gelegenheid is zijn concurrent rechtmatig aan te pakken, daarvan afziet (28, 52).
Herman Bier van Heze die door wraak verteerd zijn opponent, de hertog van Gelre, door sluipmoord ombrengt, beseft, geconfronteerd met diens laatste woorden (‘Ik vergeef hem’ [19, 140]), zich lafhartig gedragen te hebben. Zijn leven neemt een wending. Als broeder Ludovicus wijdt hij zich verder aan de verzorging van zieken en nooddruftigen (19, 141-147; vgl. ook 38, 240).
Wie van de rechte weg is afgedwaald, moet tot ommekeer komen. Met het oog op het leven na de dood, het eeuwig (on)heil – voor Duijs en een grote meerderheid van zijn tijdgenoten een feit – is het voor de bekeerling noodzaak om vergeving te verkrijgen van de mens aan wie onrecht is aangedaan. Wie onrecht heeft geleden, mag niet toegeven aan wraakzucht – daarmee haalt hij het oordeel over zich -, maar moet degene die hem kwaad berokkent heeft, indien hij berouw toont en om vergeving smeekt, hem die schenken, hoe groot het geleden onrecht ook is. De gravin uit ‘Het kleedje’, aan wie haar zoontje ontroofd is, vergeeft de kidnapper. Zij is zich ervan bewust dat vergeving een christelijke plicht is, die men niet mag verzaken, wil men niet van ‘Gods genade en vergeving’ worden uitgesloten (6, 152). In ‘Een bezoek’ vergeeft de weduwe van Cornelis de Witt de man die de oorzaak is van de dood van haar echtgenoot, met de woorden:
‘Ik vergeve u (…), gelijk ik zelf bij God vergeving hoop te ontvangen. Maar wend u bovenal tot Hem, wiens bloed alleenlijk de schuld uitdelgen: die den moordenaar aan het kruis zijne barmhartigheid niet ontzeide.’ (1, 8)[12]
In ‘Herman van Grafhurst’ smeekt de man die de hoofdpersonen veel kwaad berokkend heeft, op zijn sterfbed om vergeving. Ook hij krijgt te horen: ‘Aan het sterfbed voegt geene wraakzucht meer’. Ook hij ontvangt de vergeving, terwijl elk van de betrokkenen hem de hand reikt met de woorden: ‘Ik vergeef u alles; zoo als ik hoop dat God in mijn laatste uur mij vergeven moge!’ (34, 547)
Bekering en vergeving ‘vergezellen’ elkaar frequent in de novellen. Niet altijd zijn zij echter het sluitstuk van de beschrijving van boosaardig gedrag. In ‘De Heilige Steeg’ sterven vier personen onbekeerd: onder helse pijnen de kasteelheer, die door zijn amoureuze escapades twee jonge paren in het ongeluk stortte, op de brandstapel de man die zijn buren van hekserij beschuldigde, als heks door verdrinking de vrouw die als koppelaarster voor de kasteelheer optrad, door het zwaard de man die zich beschouwde als de wraakengel van God jegens de kasteelheer (3, 122v., 127, 136, 151, 159162, 165). In ‘Mornesteen’ – de enige novelle waarin een jood een kwade rol is toebedeeld – verdwijnt de woekeraar onbekeerd uit het verhaal (26, 53).
‘Vergeving’ als kenmerk van het ware christendom niet-christenen zo imponeren dat zij zich tot het christendom bekeren. De jodin in ‘Een Batauwer te Jeruzalem’ is zo onder de indruk van het feit dat de Batavier de man die haar dodelijk heeft verwond, zijn daad onder verwijzing ‘naar het gebod van mijnen Heiland’ vergeeft, dat zij stervende voor het christendom kiest:
‘De leer, welke de bitterste vijanden op zulk eene edele wijze leert vergeven, moet eene goddelijke zijn! Nu sterf ik in het geloof aan uwen Christus. Vaarwel, vriend en broeder!’ (12, 228)
De Turkse vorst, de opponent van de hoofdpersoon van ‘Het Turksche huis’, Frederik graaf Van den Berg, die in de 17de eeuw bij Wenen en in Hongarije tegen de Turken streed, besluit tot het christendom over te gaan, wanneer de Nederlander op grond van zijn geloof – hij weet ‘wat een Christen betaamt’ – hem als gevangene de vrijheid schenkt ondanks alle kwaad door hem bedreven (17, 27). Hij volgt de graaf naar en laat zich te Neede inwijden in zijn nieuwe geloof.
‘Bekering’ ook schijnbekering zijn. Daaraan maakt uit opportunisme, om bestuurlijk carrière tot op het hoogste niveau te maken, de hoofdpersoon van ‘In den Haag en in ’ (23) en ‘In Marocco’ (25) zich schuldig. Hij wordt van rooms-katholiek protestant; daarna weer rooms-katholiek om zich vervolgens als ‘Muzelman’ te laten besnijden (25, 11, 16). Aan het einde van zijn leven keert hij ziek en ellendig naar ‘de moederkerk’ terug, wat niet heeft voorkomen dat hij als ‘Moha
Een drietal novellen (5; 27; 30) biedt een blik op Duijs’ visie als protestant op rooms-katholieken. De verhalen verplaatsen de lezer naar de 16de-eeuwse Nederlanden. De Reformatie heeft in de diverse gewesten aanhang gekregen, maar lijdt onder de repressie. De opvattingen van wie openlijk voor de ‘Lutherij ’ gekozen hebben en wie nog trouw zijn aan de moederkerk verschillen soms weinig van elkaar. Eén der hoofdpersonen uit ‘In ballingschap’ merkt op:
‘De Kerk heeft zooveel geleerd, dat geen waarheid is, zoodat wij best doen ons maar aan Gods woord te houden en dat biddende te onderzoeken. Wij behoeven daarom niet met de Kerk te breken; want het zal ons bij God niet schaden als wij de gebruiken der Kerk, al achten wij ze niet hoog, nog waarnemen ten einde smaad en vervolging te ontgaan. Zoo denkt ook onze pastoor.’ (27, 102; vgl. 121, 123v.)
In ‘Een Bastaard’ verzucht de nog tot de moederkerk behorende, maar met de Reformatie sympathiserende hoofdpersoon: ‘Ach, mocht er minder strijd en meer vroomheid zijn!’ (30, 121). Een irenische houding treedt ook in ‘Des verraders loon’ aan het licht. Ware protestantse en ware rooms-katholieke Nederlanders respecteren elkaar. Wat hun geloofsovertuiging betreft, gaan hun wegen uiteen, maar gemeen hebben zij de liefde voor hun vaderland en de overtuiging dat ieder in vrijheid zijn geloof moet kunnen belijden. Eén der protestantse leden van het verzet tegen de Spanjaarden, verwoordt het standpunt bij de acceptatie van een rooms-katholiek als medewerker als volgt:
‘Er is hier geen sprake van roomsch of onroomsch. Al wie Nederlander is in zijn hart, moet den wreeden Alva tegenwerken en Oranje ondersteunen, op wien de hoop van allen, die de vrijheid van geweten en van hun land beminnen, moet gevestigd zijn.’ (5, 269)
Antipapisme is aan de verhalen vreemd. Maatgevend voor de ‘status’ van de protagonisten, ook in de novellen die spelen in de Middeleeuwen en in typisch rooms-katholieke landen, is of zij oprechte christenen zijn die hun vertrouwen op God stellen en hem meer gehoorzamen dan de mensen (27, 103v., 110v.). Religieus opportunisme wordt als verwerpelijk beschouwd. In ‘Des verraders loon’ geniet de ketterjager Alva, hoe verfoeilijk zijn optreden ook is, een zekere sympathie vanwege de grote ernst waarmee hij zijn doel nastreeft, terwijl ‘de verrader’ die zich uit opportunisme voordoet als een ware rooms-katholiek, als een onmens wordt getypeerd. (5, 264, 276, 286v., 289, 302v.; vgl. ook 23 [met name 2-6, 15] en 25).
In de novellen zijn de verdedigingsoorlog en het gewapend verzet geaccepteerde fenomenen. In ‘De boer en de koning’ wordt de onhoudbaarheid van het doopsgezinde pacifisme gedemonstreerd (24). Bewondering genieten vrijheidsstrijders en verzetshelden, zoals de Holsteiner Henning Wulf (22) en de Tiroler Andreas Höfer (18; 29). De beschrijving van het optreden van de laatstgenoemde verleidt Duijs tot een opmerking over de actualiteit van de geschiedenis en tot een ‘les’:
De heldhaftige strijd onzer Transvalers [in de vrijheidsoorlog van 1880-1884] tegen de overmacht, door ons zoo gewaardeerd en verheerlijkt, herinnert ons aan den Tyroolschen kamp voor de vrijheid, en het is goed voor een klein volk op zulke grootsche feiten en figuren uit de geschiedenis van den dag, maar ook uit het meer verledene het oog te vestigen, opdat zij, als voor hen het oogenblik van gelijke beproeving is gekomen, niet versagen, maar zich herinneren welk een eenige kracht een fiere vrijheidszucht, gesterkt door vromen, edelen zin, kan verleenen. (29, 248)
De novellen weerspiegelen de standenmaatschappij. Als zodanig wordt zij niet ter discussie gesteld. Wel wordt met duidelijke sympathie ‘de adel’ onder het gewone volk getekend, de mensen die van karakter blijk geven, onrecht niet kunnen verdragen en daarvoor uitkomen, zoals de hoofdpersoon in ‘Het kleedje’ die tegenover de koopman die hem slinks zijn bezit afhandig heeft gemaakt, geen blad voor de mond neemt (6, 114v., 136v.), of de bezembinder van Groesbeek die een helder oordeel heeft over het onrecht dat hij lijdt. Armoede is zijn deel, omdat er een limiet gesteld is aan de hoeveelheid rijs die hij mag snijden en het hem in tegenstelling tot de adel niet vergund is te jagen in het bos waarin hij woont, hoewel ‘het wild, dat in het wald loopt’ door God toch ‘zoowel voor ons als voor anderen geschapen’ is (46, 3).
Maatschappelijk kwaad als de armoede en de steeds op de loer liggende ziekte en dood die in Duijs’ verhalen voor de jeugd een grote plaats innemen, ontbreken niet. Zij zijn in ‘Moeders arme’ (7), ‘De veerman’ (36) en ‘Een arme’ (38) prominent aanwezig (zie evenwel ook 9; 10; 28; 40; 41). ‘Moeders arme’ en ‘Een arme’ bieden een duidelijk beeld van de remedie: de liefdadigheid als plicht voor de gegoede burgerij en in het bijzonder de adel. Die moet zich er ten volle van bewust zijn dat ‘noblesse oblige’. De evidente afkeer van het optreden van vorstelijke personen die zich, ofschoon zij op grond van hun stand ‘sterker [zouden moeten] zijn dan andere menschen’ (16, 141), niettemin als plebs gedragen (bijv. 10; 19; 21; 22; 38), de constatering dat eenvoudige mensen van meer karakter blijk kunnen geven dan welgestelden (38, 240) en de duidelijke sympathie voor de revolutionaire gezindheid van de onder het onrecht van de standenmaatschappij gebukte ‘heiden’ (28, 3, 23-26), leiden er blijkens ‘Een socialist’ (31) niet toe dat het socialisme als een alternatief voor de standenmaatschappij omarmd wordt. De socialist wordt negatief beoordeeld. Favoriet is zijn antipode, een voorbeeldige echtgenoot en vader, die het café mijdt, die op zondagmorgen de kerk bezoekt en op zondagmiddag zich met zijn vrouw en kinderen in het park ontspant. Hij is solidair met zijn baas, wanneer een oproerige meute naar diens huis trekt om vernielingen aan te richten (31, 1-4, 19v.). Zijn gezin wordt geportretteerd als ‘de hoeksteen’ van de samenleving.
Ook in andere novellen wordt de lezer het harmonieuze, gelovige gezin, waarin de ouders vervuld zijn met aandacht voor elkaar en elkaar bijstaan, ten voorbeeld voorgehouden. De ongebonden politieke ‘avonturier’ die het middelpunt is van ‘In den Haag en in Madrid’ en ‘In Marocco’, die zijn vrouw verlaat, ongehuwd met een ander leeft en ondertussen ook nog een verhouding met een andere vrouw heeft, heeft als tegenvoeter een studievriend van weleer, een verstandige man die als vader van goed ontwikkelde kinderen en als gewaardeerd arts zijn levensvervulling vindt (23, 36). Het gebrek aan principes bij de eerstgenoemde leidde tot een breuk tussen de vrienden die nimmer geheeld wordt, omdat de echtgenote van de huisarts zich verzette tegen het contact met iemand die ongehuwd samenleeft (23, 6, 36).
Het beeld dat van de ‘vriendin’ van de opportunist wordt geschetst, is evenwel bepaald niet negatief. Zij houdt vast aan haar rooms-katholieke geloof en weigert zich te bekeren tot de islam. Haar kinderen laat zij dopen (25, 198, 203, 219v.). Haar lot aan de zijde van een door ‘zelfzucht en zindelijkheid’, door ‘eer- en wraakzucht’ gedreven ‘beginsellooze man’ en ‘prikkelbare egoist’ (25, 8, 18v., 23, 30) was weinig benijdenswaardig. Te meer imponeert zij. Zo heeft zij een ereplaats te midden van andere flinke vrouwen – aan hun man toegewijde echtgenotes van verzetshelden (20;22; 29) en karaktervolle jonge vrouwen (3; 21; 27; 33; 40; 41) -, die als protype fungeren van het soort vrouw aan wie seksegenoten zich kunnen spiegelen: principieel, trouw en vroom, schrander en met een visie op de werkelijkheid die van een realisme getuigt dat net iets groter is dan dat van de man (20, 31; 22, 138; 27, 111-120; 29, 203, 205-208, 226, 232, 236).
Overigens, ontmoet de lezer in de verhalen ook ‘gevaarlijke’ vrouwen zoals een koppelaarster (3, 158-161) en een koopmansvrouw die invloed weet uit te oefenen op de ‘Noordsche dwingeland’ (21, 218). Over haar, wier ‘fonkelende zwarte oogen en scherpe trekken’ getuigden van ‘geestkrachten verstand’, maar ook van ‘hartstocht en slimheid, zoo geen sluwheid’, vernemen we:
De indruk, dien zij maakte was niet aangenaam, want bij nauwkeurige beschouwing kon men de toekenning van iets harpijachtigs niet terughouden noch de gedachte weren dat deze vrouw, als door een machtige drijfveer werd voortgestuwd, niet licht voor iets zou terugdeinzen om haar doel te bereiken. (21, 218)
Evaluatie
De in de novellen van Duijs figurerende God is de in de theologie van de 19de eeuw do
De interesse blijkt met name uit te gaan naar de ‘vormgeving’ van het christelijke leven, naar de wijze waarop ‘echte’ christenen, mensen die, wars van alle religieuze opportunisme, hun vertrouwen op God stellen en in gehoorzaamheid aan hem hun weg willen gaan, in de wereld ‘ staan’. Hun existentie wordt gekenmerkt door een rotsvast vertrouwen op God. Zij zien er vanaf kwaad met kwaad te vergelden en zijn niet bedacht op wraak, maar bereid vergeving te schenken. Ten voorbeeld gesteld worden personen die, na tot het inzicht van het verkeerde van hun daden gekomen te zijn, met berouw vervuld zijn en tot bekering komen, die kiezen voor een levenswandel, gekenmerkt door edelmoedigheid en zorg en aandacht voor de medemens.
De bereidheid vergeving te schenken blijkt voor Duijs een typisch en wezenlijk kenmerk van de christelijke godsdienst te zijn. Daardoor torent zij hoog uit boven de andere religies en beschikt zij over sterke missionaire aantrekkingskracht.[14] Over de vraag welke gestalte van het christendom, de rooms-katholieke of de protestantse, de betere is, laat Duijs zich in de novellen niet direct uit.[15] Wel vertolkt hij een duidelijk standpunt met betrekking tot de manier waarop protestantse en rooms-katholieke burgers met elkaar behoren om te gaan. Respect voor elkaar dienen zij te betonen. Goede Nederlanders zijn in de novellen diegenen die de vrijheid van geweten in hun vaandel hebben geschreven. Vermeldenswaardig is in dit verband dat Duijs’ eerste ‘propaapse’ verhaal (5) in 1858 verscheen, nadat vijf jaar eerder, in 1853, een groot deel van protestants te hoop gelopen was tegen het herstel van de rooms-katholieke bisschoppelijke hiërarchie (‘Aprilbeweging’).[16] Met zijn novellen over de tijd van de Reformatie distantieerde Duijs zich nadrukkelijk van de idee van als ‘een protestantse natie’. Wellicht is zijn oordeel (mede) bepaald door persoonlijke ervaringen, de omgang met rooms-katholieken. De twee eerste decennia van zijn leven bracht hij door in een door het rooms-katholicisme gestempeld deel van .[17]
‘Vrijheid’, en niet alleen die van godsdienst, blijkt voor Duijs een groot goed. In het oog loopt zijn voorliefde voor het thema ‘vrijheidsstrijd’. Hij wil zijn lezers voor ogen houden wat een voorrecht het is in alle vrijheid aan de eigen identiteit gestalte te kunnen geven. De vrijheid is het daarom waard verdedigd te worden, desnoods met de wapenen. Het volledige pacifisme achtte hij een onbegaanbare weg. In dat opzicht verschilde hij overigens niet van de aanhangers van de vredesbeweging van zijn tijd die het goed recht van de verdedigingsoorlog niet betwistten. Of Duijs sympathiseerde met de vredesbeweging van zijn tijd, valt niet vast te stellen. Zij speelde in het van de 19de eeuw een bescheiden rol,[18] maar niet zo bescheiden dat aan Duijs bekendheid met haar ontzegd moet worden.
Met het socialisme dat in de tachtiger jaren van de 19de eeuw in aan kracht won,[19] had Duijs weinig op. Aan de standensamenleving als zodanig tornde hij niet. Hoewel hij erkende, dat ieder mens voor God gelijk is, verwachtte hij de hervorming van de maatschappij van de ‘bekering’ tot een waarlijk christelijke levenswijze, van het in de praktijk brengen van het evangelie van Jezus Christus, van het betonen van de barmhartigheid als de hoogste deugd door ‘hoog’ en ‘laag’.[20]
Algemene mensenliefde, zelfopoffering, opvoeding en onderwijs, ware ‘noblesse’ waarvoor bij gelegenheid de muren tussen de standen wegvallen, worden door Duijs hartstochtelijk bepleit. Ook laat hij zijn lezers niet in het ongewisse over de grote betekenis die het gezin als ‘vormingsinstituut’ van de ‘adeldom’ heeft, indien de ouders ‘bij God leven’ en hun kinderen ten voorbeeld zijn door wederzijdse genegenheid, door vroomheid en door zich in woord en daad christenen te betonen.
In Duijs’ geschiedenissen zijn het bepaald niet alleen mannen die de toon aangeven. Een opvallend aantal imponerende vrouwelijke karakters figureren daarin. Het zou te ver gaan Duijs ten tonele te voeren als een uitgesproken advocaat van de 19de-eeuwse vrouwenbeweging.[21] Uit zijn novellen blijkt evenwel dat het proces van bewustwording van de vrouw hem niet ontgaan is.[22] Hoewel het traditionele beeld van de vrouw als echtgenote, moeder en huisvrouw en de aanwezigheid van seksespecifieke verschillen tussen man en vrouw niet ter discussie worden gesteld, wordt door Duijs in diverse novellen de vrouw niettemin op een opvallende wijze als een zelfstandig en onafhankelijk individu voor het voetlicht gebracht. In hoeverre persoonlijke omstandigheden van invloed zijn geweest op het beeld dat Duijs van de vrouw schetst, valt niet vast stellen. Vermeldenswaardig is in dit verband wel dat van Duijs’ kinderen die de volwassenheid hebben bereikt – drie ongehuwde dochters -, er twee de opleiding tot onderwijzeres hebben gevolgd.
Al met al rijst uit Duijs’ novellen het beeld op van een erudiet, belezen en creatief mens, voor wie het een groot genoegen moet zijn geweest zijn ‘kleine’ geschiedenissen te creëren die hem de gelegenheid boden om te laten zien waarvoor hij als mens ‘stond’. Terugblikkend kunnen we hem, wat betreft zijn theologische en maatschappelijke opvattingen, typeren als een vertegenwoordiger van ‘het midden’ van de 19de-eeuwse Nederlandse Hervormde Kerk en een sympathisant van de Groninger richting.[23] Omstreeks 1850 had hij zijn ‘theologie’ en ‘ethiek’, waarvan de hoofdlijnen hierboven geschetst zijn, op schrift gesteld.[24] Aanwijzingen dat zijn program nadien ingrijpende wijzigingen heeft ondergaan, ontbreken. Uit zijn literaire werk valt niet op te maken hoe hij geoordeeld heeft over de ontwikkelingen binnen de Nederlandse Hervormde Kerk in de tweede helft van de 19de eeuw, over de opkomst van de orthodoxie[25] en het Réveil aan de ene kant en de toenemende invloed van het Modernisme aan de andere kant. Wel worden vastgesteld dat hij trouw is gebleven aan de levensbeschouwing en moraal zoals die zich bij hem in het midden van de eeuw hadden uitgekristalliseerd. Door de jaren heen hield hij vast aan zijn ideaal van evangelieprediking met de nadruk op de bekering als de keuze voor een leven waarin de christelijke liefde en barmhartigheid in praktijk werden gebracht en aan de vergeving als christelijke deugd bij uitstek gestalte werd gegeven. Wat betreft de maatschappelijke ontwikkelingen in na 1850, heeft Duijs zich in zijn novellen wel uitgesproken. Nadrukkelijk heeft hij ervoor gepleit de rooms-katholieke Nederlanders als volwaardige vaderlanders te beschouwen. Niettegenstaande zijn impliciete, maar heldere kritiek op de vernedering die ‘gewone mensen’ in de standenmaatschappij ten deel kon vallen – was hij daar zelf ooit mee geconfronteerd? -, liet hij, vol van afschuw van het socialisme, de maatschappelijke status quo voor wat die was.
Tot besluit
Peter Duijs werd tot dusver steeds aangeduid als ‘godsdienstonderwijzer’. Als zodanig stond hij te boek in het bevolkingsregister van de stad Kampen. De post waarop hij in 1848 te Kampen gesolliciteerd had was die van ‘catechiseermeester en krankbezoeker’,[26] kerkelijke ‘ambten’ met een lange en gevarieerde geschiedenis,[27][28] die gecombineerd ‘bekleed’ konden worden. In de 19de eeuw kwam de betiteling ‘godsdienstonderwijzer’ in zwang. Een kerkordelijke status kreeg zij in 1847.[29] Tot 1951 heeft zij die in de Nederlandse Hervormde Kerk weten te behouden.
De beschrijving van de 19de- en 20ste-eeuwse geschiedenis van de achter de term ‘godsdienstonderwijzer’ schuilgaande beroepsgroep is een desideratum. Ons nu beperkend tot de 19de eeuw, kunnen we vaststellen dat het terrein van onderzoek weliswaar niet geheel braak ligt,[30][31] maar verder bepaald niet overbelicht is. Wat bijvoorbeeld niet of te weinig uit de verf is gekomen in het kerkhistorisch onderzoek, is dat onder de 19de-eeuwse godsdienstonderwijzers zich imponerende personen hebben bevonden die zich door speciale talenten onderscheidden en qua niveau niet onderdeden voor academisch gevormde theologen. Tot die categorie behoorden de Haarlemmer godsdienstonderwijzer Hendrik Polman (1779-1840), op wiens leven en werk ik elders geattendeerd heb,[32] én Peter Duijs, wiens novellen boven beschreven en geanalyseerd werden. Beiden waren primair ‘selfmade’ theologen en intellectuelen die door hun intelligentie en leergierigheid zich ontwikkeld hadden tot erudiete personen. Zo had Duijs, die zijn loopbaan als godsdienstonderwijzer op tweeëntwintigjarige leeftijd begon, zijn voor toelating tot de functie van godsdienstonderwijzer vereiste theologische scholing opgedaan bij de hervormde predikant van Wijchen, ds. G.N. de Voogt, en zich zelf de moderne talen Duits en Frans eigen gemaakt, die hem ook de mogelijkheid boden zich toe te leggen op zijn ‘hobby’, de studie van de geschiedenis.
In de literatuur figureert de godsdienstonderwijzer voornamelijk als een bespottelijke figuur.[33] Weinig eleganter is zijn behandeling in de kerkelijke geschiedschrijving. Hij is daarin weliswaar niet verguisd, maar wel, zoals aangeduid werd, stiefmoederlijk bedeeld. Zelfs imponerende representanten van de protestantse clerus minor is het op een enkele uitzondering na niet gelukt een plaatsje te veroveren in biografische naslagwerken.[34] Duijs is, niettegenstaande de omvang van zijn oeuvre en het grote aantal lezenswaardige verhalen van zijn hand, daarin niet geslaagd, althans niet postuum.[35][36] Verschillende redenen kunnen daarvoor aangevoerd worden. We laten ze de revue passeren.
De echo van de 19de-eeuwse standenmaatschappij klinkt door in de geschiedschrijving van die periode met als gevolg veel aandacht voor de predikanten, de clerus maior,[37] en een geringe interesse voor de clerus minor. Een effect daarvan is ook dat de schrijvende predikanten uit die tijd een grotere belangstelling ten deel is gevallen dan de schrijvende godsdienstonderwijzers. In het meest recente handboek over de geschiedenis van de Nederlandse letterkunde in de 19de eeuw figureren de eerstgenoemden;[38] de laatstgenoemden ontbreken. Maar er is meer. De meeste van Duijs’ novellen zijn verschenen in ‘vergeten’ tijdschriften.[39] Bovendien staat bij de hedendaagse letterkundige onderzoekers de interesse voor de literaire producten van de ‘stichtelijke’ auteurs uit de 19de eeuw in geen verhouding[40] tot de aandacht die zij, naar het zich laat aanzien, in de sterk door de kerk en het christelijke geloof gestempelde 19de-eeuwse samenleving zullen hebben genoten.[41] Bedacht moet ook worden dat het ‘midden’ van het 19de-eeuwse Nederlandse protestantisme, waartoe Duijs behoorde, geen prioriteit heeft gehad in het historische onderzoek. De aandacht was vooral gericht op de uitersten ter rechter- en ter linkerzijde, op enerzijds de Afscheiding, het Réveil en de Doleantie, en op anderzijds het Modernisme.
Tot slot, de reeds genoemde Hendrik Polman is aan de absolute vergetelheid ontkomen dankzij het bestaan van een schare bewonderaars in , onder wie vooraanstaande notabelen, zoals Nicolaas Beets. Zij hebben zich ervoor ingezet de aandacht voor de persoon en het werk van Polman levend te houden. Bij Duijs heeft het klaarblijkelijk ontbroken aan vereerders die zich na zijn overlijden geroepen voelden een ‘erezuil’ voor hem op te richten. Bij zijn dood had hij zijn tijd gehad. Aan het einde van de 19de eeuw was te Kampen het kerkelijke ‘midden’ geheel overvleugeld door de orthodoxie.