Menu

Premium

Bemoedigende woorden

Bij Joël 2:21-27 en Johannes 14:23-29

Het thema ‘belofte en verwachting’ kan men zien als een verbindende schakel tussen de profetenlezing en de evangelie lezing. Het gedeelte uit de profetie van Joël is genomen uit het begin van het tweede deel van het boek, waarin duidelijk een ander geluid klinkt dan in het eerste, met de woorden over de komst van de Dag van de Heer. Beginnend bij 2,18 is er bemoediging door de redding die de Heer zijn volk belooft. Deze toonzetting is zo bepalend voor de eerste lezing. Bij de lezing uit Johannes 14 heeft vooral de toezegging van de Pleitbezorger die Jezus hier doet, het karakter van een belofte. De leerlingen mogen voor de toekomst rekenen op de bijstand van de heilige Geest.

De evangelielezing maakt deel uit van de uitvoerige afscheidsrede van Jezus bij het Laatste Avondmaal (Joh. 13-17). Jezus is in een klein kring bijeen met zijn vrienden en getrouwen. Het bijzondere moment van dit laatste samenzijn met zijn leerlingen wordt door de evangelist meteen in 13,1 aangegeven met: ‘Jezus wist dat zijn uur gekomen was…’ Dit uur speelt al vanaf het begin van het evangelie een belangrijke rol. ‘Mijn uur is nog niet gekomen,’ zegt Jezus tegen zijn moeder op de bruiloft te Kana (2,4b). En in het laatste hoofdstuk van de afscheidsrede bidt Jezus: ‘Vader, het uur is gekomen…’ (17,1)

Monoloog

Direct bij het verhaal over de voetwassing (13,1-17) spreekt Jezus zich in taal en teken uit over wat Hem bezighoudt nu Hij beseft dat er dramatische gebeurtenissen ophanden zijn. In het vervolg hierop is er nog sprake van een meer verhalende tekst met een uitwisseling van gedachten tussen Jezus en zijn leerlingen, maar gaandeweg krijgt de rede steeds meer het karakter van een monoloog. Hier laat Jezus zijn hart spreken! In 14,22 treffen we de voorlopig laatste interactie aan, ditmaal met Judas (niet Iskariot), en vervolgens is Jezus alleen nog zelf aan het woord. Pas in 16,17 is er dan weer een reactie uit de kring van de leerlingen. Ook daarna blijft het karakter van de monoloog gehandhaafd.

De tekst voor deze dag borduurt verder op gedachten die al eerder aan de orde kwamen: het liefhebben van Jezus (14,15.21.23vv.28), zijn woorden ter harte nemen (de geboden: 14,15.21.23vv.) en de toezegging van de heilige Geest (14,16vv.26). In de tekst vallen me drie dingen in het bijzonder op.

‘The proof of the pudding…’

Het eerste, als reactie op de vraag van Judas, is dat het liefhebben van Jezus neerkomt op zich houden aan wat Hij gezegd heeft. En wie dit doet, zal in antwoord daarop de liefde van de Vader ervaren; en beiden, de Vader en de Zoon, zullen bij zo iemand wonen. Jezus legt hier alle nadruk op de levenswandel. Hij zegt immers niet iets als ‘wie gelooft in wat Ik zeg’, maar benadrukt het zich houden aan ‘mijn woord’, zoals er letterlijk staat. Hier gaat het dus om de levenswandel van de leerlingen, de manier waarop zij de woorden van Jezus in hun leven ter harte nemen. Jezus vraagt geen slaafse volgzaamheid of strikte onderwerping aan zijn wil, maar een innerlijke bereidheid om de weg (14,6) te gaan die Hij be lichaamt. Hij vraagt om openheid voor zijn Woord, dat het Woord van de Vader is, want ‘wat jullie Mij horen zeggen, zijn niet mijn woorden, maar de woorden van de Vader door wie Ik gezonden ben’ (14,24). Jezus vraagt dus eigenlijk om het Woord van de Vader ter harte te nemen – het Woord dat leven brengt, zoals eertijds het Godsvolk het te horen kreeg: ‘Houd je aan de wetten en de geboden, zoals Ik die nu aan u geef…’ (Deut. 6).

Pleitbezorger

Het tweede dat opvalt is de belofte die Jezus hier doet. Hoe moet het verder met de leerlingen wanneer Jezus niet meer bij hen is? Hoe zullen zij in staat zijn om zich te houden aan wat Jezus hun gezegd heeft? Daartoe belooft Hij hun de heilige Geest, ‘een Helper’ zoals het ook wel vertaald wordt. Parakleet staat er eigenlijk, eerder met ‘Trooster’ vertaald (NBG ’51). ‘Pleitbezorger’ is een mooie nieuwe vertaling (NBV), want dit drukt uit dat het gaat om assistentie, om geboden hulp. Parakleet betekent letterlijk: ‘erbij geroepene’, een helpende hand, iemand die bijstand verleent. Zoals een advocaat in een rechtszaak: die werd erbij geroepen om juridische bijstand te verlenen. Door de heilige Geest zullen de leerlingen in staat zijn om te doen wat Jezus van hen vraagt. De Geest zal ook alles duidelijk maken én zal in herinnering roepen. Zó hoeft de vraag ‘Wat moeten wij dan doen, hoe moeten we leven?’ geen beletsel te zijn om de weg te gaan die Jezus gewezen heeft. Het is de Geest die daarbij zal helpen. Leven vanuit de Geest betekent hier dan ook: de leiding van de Geest over je leven aanvaarden. Durven vertrouwen op de aanwezigheid van de Geest, ontvankelijk willen zijn voor de werking van de Geest, niet alles zelf in de hand willen hebben.

‘… is in the eating’

Het derde dat opvalt, heeft te maken met de ‘uitwerking’ van de levenswandel, die vooral door de kracht van de Geest gestalte krijgt. Dat is de vrede (eirènè) waarover Jezus spreekt. Let nog eens op de formulering: ‘Ik laat jullie mijn vrede na, mijn vrede geef ik jullie’ (14,27). Jezus laat iets achter én Hij geeft iets. Dat eerste (nalaten) heeft te maken met de tijd die achter hen ligt, het tweede (geven) heeft te maken met de tijd die komen gaat. Denk in dit verband nog maar eens aan de – vroegere! – vertaling van Joël 2,23, ‘want Hij geeft u de leraar ter gerechtigheid’. Hier spreekt Jezus over het verleden en over de toekomst. Te allen tijde zal zijn vrede met de leerlingen zijn. In zijn geestelijk testament doelt de Heer op een innerlijke vrede die de leerlingen zal begeleiden op alle wegen die zij gaan.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken