Als het om berît in het boek Exodus gaat, spreekt men meestal van het Sinaiverbond.[1] Daarbij verwijst men vooral naar Exodus 24:1-18, dat bekend staat als het verhaal van de verbondssluiting, maar nog twee andere passages worden in dat verband genoemd: 19:3-8, waarin Jhwh de Israëlieten - overigens in een conditionele zin - oproept om zijn berît te bewaren (19:5) en 34:10-28, een passage waarin - na het gouden kalf-gebeuren (Ex. 32-33) - vier keer sprake is van kārat berît, meestal weergegeven door ‘een verbond sluiten’ (34:10,12,15,27). De drie passages waarin berît een rol speelt, verhouden zich volgens diverse uitleggers als