Menu

Premium

Besef wie je bent

Alternatief bij 5e zondag van Pasen (1 Petrus 2,16-17 en 3,1-13)

Je komt niet hier vandaan. Je woont hier, in het beste geval ben je goed geïntegreerd, maar je afkomst zal je altijd kenmerken. Je leeft in een omgeving met, op z’n minst gedeeltelijk, andere normen en waarden. Soms word je met scheve ogen aangekeken; wat je doet, wordt in de gaten gehouden en in je nadeel uitgelegd. Jouw rechten verschillen van de rechten van volledige burgers en mensen die vanaf hun geboorte hier wonen. Je komt elders vandaan, je thuis is elders.

De verzen die we vandaag lezen, horen in de grote context die in 1 Petrus 2,11 is begonnen. Daar worden de beoogde ontvangers van de brief aangesproken als paroikoi en parepidèmoi. Onze vertalingen hebben moeite om de lading van deze termen in één Nederlands woord te vatten: ‘inwoners en vreemdelingen’ (SV), ‘vreemdelingen en ballingen’ (WV), ‘bijwoners en vreemdelingen’ (NBG51). NBV04 en NBV21 nemen hun toevlucht tot een parafrase: ‘vreemdelingen die ver van huis zijn’.

Het gaat om mensen die in een andere samenleving verblijven dan hun oorspronkelijke, hetzij voor een kortere tijd, bijvoorbeeld voor een (zaken)reis (paroikoi), hetzij voor langere tijd of zelfs permanent (parepidèmoi). Deze twee termen belichten als het ware de negatieve kant van wat Paulus positief verwoordt: ‘Maar óns vaderland is in de hemel’ (Fil. 3,20).

IJveraars voor het goede

Met deze metafoor van een vreemdeling of buitenlander maakt de schrijver de briefontvangers duidelijk wie zij zijn in de samenleving waarvan zij deel uitmaken, en wat zij kunnen verwachten: ze zijn anders dan de anderen, hun doen wordt kritisch bekeken, soms wordt er kwaad over hen gesproken. Ook handelingsadviezen kunnen afgeleid worden uit deze metafoor: hoe moet je leven als tijdelijke of permanente vreemdeling? Het antwoord van de eerste Petrusbrief: je moet het goede doen.

Val niet op door als vreemdeling slecht te handelen. Bejegen iedereen met waardering. Iedereen – dat sluit de mensen in die slecht over je spreken en de overheid die je misschien een mindere status toekent en je mogelijk niet goed behandelt (2,16-17). En dit allemaal doe je – opnieuw gebruikt de schrijver een metafoor – niet omdat je een slááf bent van de samenleving. Niet omdat zíj mogen bepalen wat je wel of niet doet. Niet omdat je hun móét gehoorzamen. Maar als een vrij mens die zijn doen en laten zelf kan bepalen. De enige aan wie je gehoorzaamheid verschuldigd bent is God. In de verhouding tot Hem ben je slaaf, maar verder ben je vrij. Vrij om ‘ijveraar te worden voor het goede’ (3,13).

Niet de goede vragen

‘Zoek uw schoonheid niet in uiterlijkheden, zoals kunstige kapsels, gouden sieraden en mooie kleren’ (3,3). Ja, mag ik dan als christen geen sieraden en geen mooie kleren dragen? Soms stellen christenen vragen als tieners: doorvragen tot je een helder ‘nee’ krijgt om vervolgens gepikeerd te constateren dat ‘nietsmag’ en te proberen om het verbod te omzeilen. Maar geloof is niet een reeks voorschriften. ‘Mag ik’ is de verkeerde vraag bij de tekst. Wederom is het zaak te beseffen wie je bent en waarvoor je bedoeld bent. Wie met prioriteit de schoonheid zoekt in ‘de verborgen mens in het hart’, in ‘het onvergankelijke van een zacht en bedachtzaam gemoed’ (3,4) hoeft niet naar een christelijke dresscode te vragen, maar mag zelf als vrij mens en slaaf van God een beslissing nemen.

Rolmodel Sara

Als vreemdeling val je maar beter niet op door ongebruikelijk gedrag. Misschien is dat de achtergrond van de woorden over de onderschikking van de vrouw. Want, aldus niet weinig commentatoren, de ondergeschikte rol van de echtgenote was in de oudheid de norm. Maar met Sara als rolmodel (3,6) zijn ook andere benaderingen van echtelijke relaties mogelijk. Terwijl in onze tekst geconstateerd wordt dat Sara aan Abraham gehoorzaam was, zijn elders de rollen verwisseld: Abram was gehoorzaam aan de stem van Sara (Gen. 16,2), namelijk toen zij voorstelde dat hij maar bij Hagar een zoon moest verwekken. En de enige keer dat Sara Abraham ‘heer’ noemt, tijdens de aankondiging van Isaaks geboorte, is Sara niet echt een toonbeeld van ondergeschiktheid: ‘Ik ben verwelkt en mijn heer is al oud’ (Gen. 18,12) – een zoon, hoe moet dat kunnen?

Soms zit in christelijke overtuigingen de potentie om maatschappelijke realiteiten te veranderen. Paulus stuurt de weggelopen slaaf Onesimus, die christen is geworden, terug naar zijn bezitter Filemon, ‘nu niet meer als slaaf, maar als veel meer dan een slaaf, als geliefde broeder’ (Filem. 16). Of Onesimus nu Filemons slaaf blijft of niet, de relatie tussen beiden is veranderd.

Tegen de mannen wordt in de eerste Petrusbrief gezegd dat zij hun vrouwen moeten beschouwen als ‘mede-erfgenamen van de genade van het leven’ (3,7). Ze zijn niet meer ondergeschikte levensbegeleiders, ze zijn net als de mannen zelf door God gewaardeerd om de gave van het leven te ontvangen. Hoe kun je iemand minachten of kleineren die in Christus je broer of zus is (vgl. Rom. 14,10)? Relaties veranderen wanneer wij de nieuwe realiteit in Christus deze relaties laten bepalen. Dan ondervindt het gezamenlijke gebed geen belemmering (1 Petr. 3,7).

Zegen wie u vloeken, doe goed aan hen die u haten

Niet kwaad met kwaad vergelden, goede woorden gebruiken over degenen die slecht over je spreken (3,9). Hoeveel zelfverloochening moet dit van de gemeenteleden gevraagd hebben. En wederom lijkt de schrijver te zeggen: besef wie je bent. Als je je voor de geest haalt dat je zelf geroepen bent om zegen te erven, dan kun je afzien van een reactie in de lijn van ‘oog om oog, tand om tand’.

Deze exegese is opgesteld door Martin Ruf.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken