Bezwaren en geschillen
22.1 Inleiding
Net als de aanduiding ‘kerkelijke rechtspraak’ klinkt ‘bezwaren en geschillen’ nogal zakelijk. Dat geldt ook voor de bewoordingen in het grondleggende art. XIV-1 KO: ‘Bezwaren en geschillen voor de behandeling waarvan in de orde van de kerk niet een afzonderlijk orgaan of een bijzondere wijze van behandeling is aangegeven, worden voorgelegd aan de daartoe aangewezen colleges.’ Het riekt bovendien naar onenigheid en conflict. De meesten in de kerk blijven er daarom liever verre van. Hoe begrijpelijk een dergelijke houding ook mag zijn, soms lukt het gewoonweg niet om het met elkaar eens te worden.
De gemeenschap moet in en door het recht kunnen bloeien
Wat dan? De formulering van ord. 12-1-1 blijkt van een heel ander kaliber dan die uit de Romeinse artikelen. Bij bezwaren of geschillen ‘geschiedt [de behandeling daarvan] ter onderhouding van het recht, met inachtneming van de rechtvaardigheid en de liefde in de gemeenschap van de kerk’. Hierin klinken verschillende Bijbelse noties door, in de eerste plaats die van het recht. Willekeur hoort niet thuis in kerkelijke besluiten. Ze moeten op de juiste wijze genomen zijn en op correcte overwegingen gebaseerd zijn. Toch is daarmee niet alles gezegd. Het recht is geen abstract, opzichzelfstaand begrip. Het wordt in de kerkelijke gemeenschap gevoed door en geeft voeding aan rechtvaardigheid en liefde. De gemeenschap moet in en door het recht kunnen bloeien.
Uit het citaat van art. XIV-1 KO blijkt dat de kerk aan de mogelijkheid bezwaren in te dienen en geschillen voor te leggen aan rechtsprekende colleges nauwelijks grenzen heeft gesteld. Het kan alleen zijn dat ze bij ‘een afzonderlijk orgaan’ moeten worden aangebracht, of dat ‘een bijzondere wijze van behandeling’ moet worden gevolgd. Deze ruimhartigheid heeft een principiële grond. ‘Alle leden van de gemeente zijn geroepen en gerechtigd hun gaven aan te wenden tot vervulling van de opdracht die Christus aan de gemeente geeft’ (art. IV-2 KO). Hoewel op plaatselijk niveau bijvoorbeeld de kerkenraad de ‘leiding’ heeft, hebben alle leden de opdracht ‘de samenwerking’ in het leven en werken van de gemeente te bevorderen en alles te richten op de lofprijzing van Gods naam ‘en de dienst in de wereld’ (art. IV-3 KO). Het besluit van de kerkenraad gaat in de geschetste taakverdeling voorop, maar gemeenteleden kunnen vanuit hun eigen verantwoordelijkheid juist geroepen zijn om in een procedure daartegen op te komen.
De terminologie inzake bezwaren en geschillen in de kerk kan verwarrend zijn voor wie enigszins bekend is met de wereldlijke bestuursrechtelijke procedures. Die van de kerk lijken daar sterk op, maar verschillen ook. Het bestuursrechtelijke bezwaar moet doorgaans worden ingediend bij het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen. In de kerk noemen we dit echter een revisieverzoek. Het bestuursrechtelijke beroep dient bij een rechtsprekend college. In de kerk heet dat beroep een bezwaar. Het bestuursrechtelijke hoger beroep heet in de kerk simpelweg beroep. Hoe een en ander in de kerk functioneert, zal in het vervolg duidelijk worden.
Geschillen zijn relatief zeldzaam
Geschillen worden vanwege de benaming van de procedure vaak in één adem met bezwaren genoemd. Bezwaren richten zich tegen een besluit van een kerkelijk lichaam. Geschillen zien op de verhouding tussen kerkelijke lichamen, ambtsdragers, degenen die in een bediening zijn gesteld of een functie vervullen, en kunnen betrekking hebben op de vervulling van hun taak, de begrenzing van hun arbeidsvelden of de omvang van hun bevoegdheden (ord. 12-4-1). Ze worden in de vorm van een bezwaarschrift aan het bevoegde college voorgelegd (ord. 12-4-2). Ze zijn zeldzaam. We noemen ze in het vervolg niet apart. De procedure is vergelijkbaar met die voor bezwaren in § 22.5 en volgende.
Dit hoofdstuk beperkt zich tot de hoofdlijn. We merken hier slechts op dat tegen het oordeel van de geschiktheidscommissie voor aanstaande predikanten bezwaar mogelijk is bij de kleine synode, en vervolgens in voorkomend geval beroep bij het generale college voor bezwaren en geschillen (zie § 16.1.1). Hun besluiten in dezen gelden als uitspraken. Verder is in de generale regelingen apart voorzien in enkele klachtenprocedures (GR 6-27; 8-15-1), procedures inzake bezwaren en geschillen met een arbeidsrechtelijk accent (GR 5-41,42; 6-28; vgl. ook GR 9-7-6,7) en vergelijkbare reglementen voor de Protestantse Theologische Universiteit (GR 14-3-1; 14-6-2; vgl. GR 14-15). Ook deze blijven in het vervolg buiten beschouwing, ook waar bijvoorbeeld GR 5-41-4 de mogelijkheid biedt in beroep te gaan bij het generale college voor bezwaren en geschillen.
22.2 Voorfase
Het zullen op plaatselijk niveau vooral kerkenraden zijn die voor ingrijpende besluiten en daarmee verbonden langlopende processen staan. Maar ook andere kerkelijke lichamen, zoals een college voor kerkrentmeesters, kunnen ermee te maken hebben. Gemakshalve beperken we ons in het vervolg tot de kerkenraad.
Als de besluitvorming zorgvuldig verloopt, verhoogt dat de kwaliteit van en het draagvlak voor het uiteindelijke besluit
In veel gevallen zal in complexere zaken een procedure op papier worden gezet waarin de verschillende fasen staan beschreven die uiteindelijk tot een bepaald besluit moeten leiden. Het verdient aanbeveling dat een kerkenraad daar een risicoanalyse op uitvoert aan de hand van de criteria die de colleges voor bezwaren en geschillen aanhouden bij het beoordelen van een bezwaar of geschil (GR 11-25-1; zie § 22.5.7). Op grond van die analyse kunnen de eventuele zwakke plekken in de procedure worden aangepast. Dat is niet zozeer om de kans op ‘succes’ te vergroten, maar veeleer om teleurstelling en onrust onder de direct betrokkenen te voorkomen. De criteria waarop de rechtsprekende colleges toetsen, kunnen worden samengevat met het woord zorgvuldigheid. Als de besluitvorming zorgvuldig verloopt, verhoogt dat de kwaliteit van en het draagvlak voor het uiteindelijke besluit. Het is denkbaar dat een kerkenraad omwille van de zorgvuldigheid een ander besluit neemt dan hij in eerste instantie geneigd is te doen.
Iemand die bezwaar heeft tegen een besluit, zal bij zichzelf te rade moeten gaan of hij of zij dat bezwaar ook formeel wil indienen. Het mag nooit gaan om het behalen van het eigen gelijk. De procedure zal altijd de opbouw van de kerk moeten kunnen dienen.
22.3 Revisie
Alvorens een bezwaarprocedure te starten, kan de bezwaarmaker overwegen revisie te vragen aan het kerkelijk lichaam dat een besluit genomen heeft (ord. 12-1-3; 12-12). De Romeinse artikelen gebruiken hiervoor in art. XIV-2 KO ongelukkigerwijs het woord ‘herziening’, terwijl de ordinanties ‘herziening’ alleen gebruiken voor een besluit van het generale college voor bezwaren en geschillen om een eerdere uitspraak te herzien (ord. 12-11; zie § 22.6.5). De vraag bij revisie is of het kerkelijk lichaam opnieuw naar het besluit wil kijken. De formulering van ord. 12-12-1,3 loopt grotendeels parallel aan die voor een bezwaar (ord. 12-3-1,5); het gaat om dezelfde termijnen en voorwaarden. Zie voor de vraag wie revisie mag vragen, waarover en onder welke voorwaarden hieronder bij § 22.5. Zo moet iemand in zijn werkelijk belang of kerkelijke verantwoordelijkheid getroffen zijn. Revisie geldt niet voor uitspraken van rechtsprekende colleges. Die moeten in dit opzicht onderscheiden worden van besluiten (vgl. GR 11-1-1 sub f).
Wanneer is het verstandig een revisieverzoek te doen? Revisie is een oud instrument uit het gereformeerd kerkrecht, bedoeld voor de ambtelijke vergaderingen. Het heeft met name op plaatselijk niveau een aantal belangrijke voordelen. Het eerste is dat in de revisie alle facetten van het besluit nog een keer aan de orde kunnen komen, alle inhoudelijke overwegingen dus. Dat betreft ook, en dat is een tweede voordeel, zaken die om welke reden dan ook eerder buiten beschouwing bleven. Dit speelde in het gereformeerde kerkrecht de hoofdrol. Denk bijvoorbeeld aan een besluit rond de sluiting van een kerkgebouw waarna zich een mogelijke koper voor de andere, open te houden kerk heeft gemeld. Eerdere argumenten kunnen daardoor in een nieuw daglicht komen te staan. Het derde voordeel is dat de verschillende partijen er in een revisie nog met elkaar uit kunnen komen, zonder oordeel van een derde partij. Dat kan bevorderlijk zijn voor de onderlinge verhoudingen. Revisie vragen is niet verplicht, maar om deze redenen wel aan te bevelen.
Een revisieverzoek is een dringende poging er alsnog met elkaar uit te komen
Als aan de hiervoor aangeduide ontvankelijkheidsvoorwaarden van ord. 12-12-1 is voldaan, is het aan het kerkelijk lichaam dat het besluit genomen heeft, of het bereid is het revisieverzoek te behandelen. Als het van oordeel is dat ‘niet een element in geding wordt gebracht’ dat eerder ontbrak of onvoldoende is meegewogen, dan kan het van behandeling afzien (ord. 12-12-5). Het kerkelijk lichaam heeft in dit opzicht volledig de regie. Het oordeel over het al dan niet aanwezig zijn van nieuwe elementen is immers ook een kwestie van welwillendheid. Een revisieverzoek is een dringende poging er alsnog met elkaar uit te komen. Het moet daarom niet te lichtvaardig terzijde worden gelegd. Vaak is er al het nodige gepasseerd in de voorbereidende procedure dat het oordeel kan vertroebelen. Het kan daarom verstandig zijn hulp in te roepen van buiten om zo nog eens samen met een derde met een onbevangen blik naar het verzoek te kijken.
Als bij eenzelfde besluit zowel revisie wordt gevraagd als bezwaar wordt gemaakt, besluit de voorzitter van het bezwarencollege dat het desbetreffende kerkelijk lichaam eerst uitspraak doet over het revisieverzoek, alvorens het college het bezwaar in behandeling neemt (ord. 12-12-2). In de kerkorde staat expliciet vermeld dat een bezwaar geen schorsende werking heeft (vgl. ord. 12-3-6; GR 11-5-1; 11-24). Inzake een revisieverzoek ontbreekt een dergelijke bepaling, maar een verzoek tot revisie betekent niet dat een besluit niet mag worden uitgevoerd. Als opschorting van een besluit toch gewenst is, bijvoorbeeld omdat anders bij de verkoop van een kerk het koopcontract getekend gaat worden, is het aan te bevelen bezwaar aan te tekenen en een spoedvoorziening te vragen, ook als men het eerst nog met revisie proberen wil. Uiteraard kan het besluitvormende kerkelijk lichaam ook zelf beloven vooralsnog geen vervolgstappen te zetten.
De kerkorde kent verder geen voorschriften voor de revisieprocedure. Het besluitvormend lichaam volgt zijn eigen regels. Het is binnen de kerkordelijke bepalingen geheel vrij in de wijze waarop het het verzoek behandelt. Het kan eenvoudigweg na het ontvankelijk verklaren het verzoek bespreken en daarover een besluit nemen. Het kan echter ook de indieners horen, nieuwe adviezen inwinnen, en verder alles doen wat kan bijdragen aan een verantwoord besluit. Soms zijn er dwingende redenen om te horen, bijvoorbeeld als iemand een beperkte vaardigheid heeft zich schriftelijk uit te drukken (vgl. GCBG 2005/15).
Na een afwijzend besluit op het revisieverzoek kan degene die het verzoek deed, alsnog een bezwaarprocedure starten tegen het oorspronkelijke besluit. Het aanknopingspunt voor de termijn is dan echter het revisiebesluit, niet het oorspronkelijke besluit (ord. 12-12-4). Het revisiebesluit kan ook de weigering zijn een nieuw besluit te nemen.
In beginsel mag ook van een revisiebesluit weer revisie gevraagd worden. Het besluitvormend kerkelijk lichaam zal echter steeds kritisch mogen kijken of nieuwe elementen worden ingebracht (vgl. ord. 12-12-5). Desgewenst kan men overgaan tot uitvoering van het besluit. Een revisieaanvraag heeft immers geen opschortende werking.
22.4 De colleges betrokken bij de behandeling van bezwaren en geschillen
Er zijn twee soorten colleges die betrokken zijn bij de behandeling van bezwaren en geschillen: de classicale colleges en het generale college.
Elke classis heeft in beginsel een eigen college voor bezwaren en geschillen, maar de kleine synode kan desgewenst beslissen twee of meer colleges samen te voegen (ord. 12-2-1,2). Wat betreft de inrichting beperken we ons hier tot de hoofdlijn (ord. 12-2). Een college bestaat in de basis uit vijf leden, van wie ten minste drie (voormalig) ambtsdrager zijn. Deze basis wordt aangevuld door ten minste vijf toegevoegde leden, die in voorkomende gevallen oproepbaar zijn. Al deze leden zijn afkomstig uit de belijdende leden van de kerk binnen het rechtsgebied. De classicale vergadering benoemt hen voor een periode van ten hoogste tien jaar. De leden kunnen niet voor een aansluitende periode in hetzelfde college worden herbenoemd. Verhuizing naar buiten het rechtsgebied betekent de facto verval van het lidmaatschap. Verder kennen de colleges adviserende leden, afkomstig uit de leden van de kerk en bij voorkeur woonachtig in het ressort van het college. Onder de adviserende leden is ten minste één academisch gevormde jurist (ord. 12-2-5,9). De betrokken classicale vergadering wijst de voorzitter aan. Het college voorziet in de eventuele waarneming van het voorzitterschap bij ontstentenis van de voorzitter en kiest uit zijn midden een secretaris. Het maakt geregeld een verslag van zijn werkzaamheden (ord. 4-19-2).
De samenstelling van het generale college is vergelijkbaar met die van een classicaal college. Het is echter de generale synode die benoemt (ord. 12-2-7). Het aantal leden is niet vijf maar zeven. Daarnaast worden ten minste vijf toegevoegde leden benoemd. Al deze leden zijn afkomstig uit de belijdende leden van de kerk. De benoeming van adviseurs, het aanwijzen van voorzitter, vervangend voorzitter en secretaris vindt op vergelijkbare wijze plaats als op classicaal niveau (ord. 12-2-8,9,10). Ook dit college maakt een periodiek verslag van werkzaamheden, in zijn geval voor de generale synode (ord. 4-28-2).
22.5 Procedure in bezwaar
22.5.1 Door wie of wat
Ord. 12-3-1 zet keurig op een rijtje wie bezwaar mag maken. De eerste groep daarvan is veelkleurig: een kerkelijk lichaam, waaronder nadrukkelijk ook een kerkenraad of classicale vergadering. Ord. 4-4-1 legt uit wat onder kerkelijk lichaam verstaan moet worden (zie § 1.5). Het luistert in dit opzicht nauw. Dit maakt ook duidelijk dat losse groepen die zich in de kerk geformeerd hebben, bijvoorbeeld om de sluiting van een kerkgebouw te voorkomen, niet als groep een bezwaar kunnen indienen (vgl. GCBG 2010/12). Wel kunnen zij als individuele leden – zie hierna – een bezwaar ondertekenen en als zodanig in dat bezwaar ontvankelijk zijn.
De tweede groep die bezwaar mag maken, zijn de ambtsdragers, de derde zij die in de bediening zijn gesteld of een functie vervullen, de vierde zij die zijn ingeschreven in de registers van een gemeente. Deze laatste groep omvat dus allen die in het kader van de ledenregistratie genoemd staan in ord. 2-2-1 (vgl. ord. 2-3-2). Dat zijn dus niet degenen die in een gemeente meegeregistreerd zijn (GR 2-3-3 sub b) of uitsluitend in het landelijke ledenregister zijn ingeschreven (GR 2-8-4 sub b). Een in de bediening gestelde organist die lid is van een andere gemeente binnen de kerk of lid is van een ander kerkgenootschap, om maar een voorbeeld te noemen, mag dus uit hoofde van zijn bediening wel een bezwaar indienen bij een besluit van de kerkenraad van de gemeente waar betrokkene musiceert. Dat zal dan wel qua belang in enige relatie met diens bediening en kerkelijke verantwoordelijkheid moeten staan (vgl. § 22.5.3).
22.5.2 Waartegen
Besluit
Waartegen mag bezwaar gemaakt worden? Het antwoord hierop kan kort zijn: het besluit van een kerkelijk lichaam.
Uit zijn aard is een rapport van visitatoren met conclusies en aanbevelingen niet vatbaar voor bezwaar
Toch kan dit nog wat preciezer. Het gaat om een besluit met een zeker (rechts)gevolg. Als een gemeentelid vraagt om informatie over een bepaalde kwestie en de scriba van de kerkenraad geeft daarop antwoord, dan is dat in beginsel geen besluit. Evenmin kan het niet antwoorden worden aangemerkt als verzuim (GCBG 2011/14). Uit zijn aard is een rapport van visitatoren met conclusies en aanbevelingen niet vatbaar voor bezwaar (GCBG 2013/29), evenmin als een advies van het classicale college voor beheerszaken aan het breed moderamen van een classicale vergadering (GCBG 2014/10). Het is immers aan de desbetreffende kerkelijke lichamen te bepalen wat zij met de aangeboden informatie gaan doen. Wel kan bij een besluit op basis van een dergelijk advies getoetst worden of het advies en de totstandkoming ervan het besluit kan dragen. Iets dergelijks geldt ook voor situaties waarin de gemeente haar mening mag geven. Een kerkenraad neemt daartoe dan een voorgenomen besluit. Anders dan het definitieve besluit is dat niet vatbaar voor beroep (GCBG 2010/12; vgl. 2014/21), omdat het (nog) geen rechtsgevolg heeft. Wel kan in het kader van een procedure over het definitieve besluit de vraag gesteld worden hoe de kerkenraad de inbreng van de gemeente verwerkt heeft, al heeft hij op dat punt een zeer ruime discretie. Civielrechtelijke kwesties, zoals een meningsverschil over een overeenkomst met het bedrijf van een gemeentelid, zijn niet ontvankelijk in het kader van een bezwarenprocedure. Daarover moet de burgerlijke rechter zich uitspreken (GCBG 2018/05; vgl. 2006/10).
Ook het feit dat het een kerkelijk lichaam is dat het besluit moet hebben genomen, heeft gevolgen. Zo zal een bezwarencollege zich niet uitspreken over besluiten van individuele gemeenteleden en ambtsdragers (vgl. GCBG 2010/04).
Handeling of verzuim
Niet alleen een besluit kan door een bezwaarprocedure getroffen worden, maar ook een handeling of verzuim (ord. 12-3-4). In het kader van de ontvankelijkheid gelden dezelfde basisregels als bij een besluit. Daarnaast is in belangrijke mate de termijn bepalend waarbinnen het bezwaar tegen een verzuim wordt ingebracht. Daar gaan we hieronder nog nader op in (zie § 22.5.3).
Uitzonderingen
In afwijking van de algemene regels geldt bij drie soorten bezwaar een bijzondere procedure. De eerste is het reeds in het kader van het opzicht al aangestipte bezwaar tegen de verkiezingsprocedure van een predikant (ord. 3-4-11) of een andere ambtsdrager (ord. 3-6-6,7). Het bezwaar moet binnen vijf dagen na de bekendmaking van de verkiezing schriftelijk en ondertekend bij de kerkenraad worden ingediend. Die probeert in eerste instantie tot een vergelijk te komen met de bezwaarmaker (zie ook § 10.3.6 en § 11.1.9). Lukt dat niet, dan moet de kerkenraad het bezwaarschrift binnen veertien dagen na ontvangst doorzenden naar het desbetreffende classicale bezwarencollege, dat vervolgens een einduitspraak doet (ord. 3-4-12; resp. 3-6-8; vgl. ord. 12-8-5). In de communicatie over een bezwaar naar de gemeente zal de kerkenraad een zodanige zorgvuldigheid dienen te betrachten, dat noch de bezwaarmakers noch de gekozen ambtsdrager worden geschaad (GCBG 2008/10).
De tweede uitzondering heeft betrekking op een bijzonder besluit. Als het gaat om een bezwaar ‘tegen een besluit op het gebied van de vermogensrechtelijke aangelegenheden van de gemeente of van de diaconie’, genomen door een kerkenraad of een college van kerkrentmeester of diakenen, moet een van die kerkelijke lichamen bezwaar aantekenen bij het classicale college voor de behandeling van beheerszaken (ord. 11-9-1). Andere kerkelijke lichamen en individuele leden die een werkelijk belang hebben of in hun kerkelijke verantwoordelijkheid getroffen worden ten aanzien van deze aangelegenheden, dienen bij bezwaren in beginsel de reguliere procedure te volgen (§ 22.5.4).
De derde uitzondering betreft het verzoek van een breed moderamen van een classicale vergadering aan het generale college voor de ambtsontheffing om een predikant los te maken van zijn gemeente. Bezwaren tegen dat verzoek dienen aan de orde te komen in de procedure bij het college ambtsontheffing (GR 11-9-5; zie § 15.3).
22.5.3 Onder welke verdere voorwaarden
Termijn
De colleges hanteren omwille van de rechtszekerheid de termijn waarbinnen een bezwaar moet worden ingediend strikt. De termijn begint te tellen op de dag nadat het besluit verzonden werd of dat daarvan redelijkerwijs kennis kon worden genomen (ord. 12-3-5). Uiterlijk op de dertigste dag moet het worden ingediend.
De colleges hanteren omwille van de rechtszekerheid de termijn waarbinnen een bezwaar moet worden ingediend strikt
Inzake een kerkenraad is mede bepalend wat in de plaatselijke regeling staat over het openbaar maken van zijn besluiten (vgl. ord. 4-8-7). In veel gevallen, ook waar het niet om een kerkenraad gaat, zal de publicatie van een besluit in een kerkblad het aanknopingspunt zijn. Ziekte, vakantie, het niet bezorgd gekregen van het kerkblad, het eerst afwachten van een visitatierapport en dergelijke zullen in beginsel niet als redenen worden aangenomen om van de termijn af te wijken. Ook gesprekken naar aanleiding van een besluit schorten de termijn niet op, tenzij een gewijzigd of geheel nieuw besluit wordt genomen (GCBG 2009/19). De lijnen worden in dit opzicht strak getrokken. In bepaalde gevallen is een mondelinge, persoonlijke mededeling het moment van kennisname (vgl. GCBG 2006/03). In een situatie waarin iemand een besluit per mail ontving, was dat bepalend voor de termijn, niet de dag waarop de beslissing per post was verzonden (GCBG 2009/21).
Hoe is een en ander geregeld bij een verzuim? Dat ligt uit de aard der zaak ingewikkelder. De termijn is dan afhankelijk van ‘de bijzondere omstandigheden van elk geval, waarbij enerzijds het kerkelijk orgaan in de gegeven omstandigheden voldoende ruimte geboden moet worden om tot een beslissing te komen, zodat niet snel een verzuim mag worden aangenomen, doch anderzijds bij het nemen van een beslissing een termijn in acht moet worden genomen, die gelet op alle omstandigheden van het geval redelijk is’ (GCBG 2007/05). Ter verheldering geven we twee voorbeelden.
Tegen het feit dat een kerkenraad de jaarrekening niet ter inzage heeft gelegd (vgl. ord. 11-6-2), dient binnen dertig dagen na 1 mei van het daaropvolgende jaar bezwaar te worden gemaakt. Het generale college redeneert dat vóór die datum een ontwerpjaarrekening aan de kerkenraad voorgelegd dient te zijn en in het verlengde daarvan ook de terinzagelegging plaatsgevonden moet hebben (GCBG 2013/14). Op 1 mei kan iemand constateren of dat ook daadwerkelijk gebeurd is. Dan begint de bezwaartermijn te lopen.
In veel gevallen ontbreekt een dergelijke vaste datum. Wanneer kerkenraden bijvoorbeeld bevoegdheden overdragen aan een samenwerkingsorgaan, is toestemming van het breed moderamen van de classicale vergadering vereist (vgl. ord. 2-7-5; GR 1-1-5). Als de kerkenraden dit verzuimen, is er niet een harde datum waarop een gemeentelid van dit verzuim op de hoogte kan zijn. Dat zal van geval tot geval moeten worden bezien.
Het is verstandig ruim voor het aflopen van de termijn het bezwaar in te dienen, om verschil van inzicht over de verzending te voorkomen
Stelt het behandelend college een overschrijding van de termijn vast, dan is het bezwaarschrift niet-ontvankelijk en wordt het niet in behandeling genomen. Het instellen van beroep daartegen kan wel, maar leidt bij de beroepsinstantie eigenlijk nooit tot een ander oordeel. Het is daarom verstandig ruim voor het aflopen van de termijn het bezwaar in te dienen, om verschil van inzicht over de verzending te voorkomen, en wel zowel per mail als per post.
Het kan voorkomen dat er onvoldoende tijd is om een doortimmerd bezwaarschrift op te stellen of dat het nog tijd kost om bepaalde gegevens boven water te krijgen. In een dergelijk geval is het mogelijk een zogenaamd pro-formabezwaarschrift in te dienen met alleen de belangrijkste gegevens en daarbij aan te geven dat een nadere motivering volgt. Het ontvangend college is vervolgens verplicht vanwege de onvolledigheid van het bezwaarschrift contact op te nemen met de bezwaarmaker en gelegenheid te bieden het aan te vullen (ord. 12-5-2 en 12-5-1 sub c). Het college stelt daarvoor een redelijke termijn.
Het is denkbaar dat het doorzetten van een bezwaar om wat voor reden dan ook niet opportuun meer is. Het kan zijn dat het besluit al ten uitvoer is gelegd. Maar ook is denkbaar dat gedurende het verloop van de procedure duidelijk wordt dat de uitkomst ervan voor de bezwaarde negatiever zal uitpakken dan het bestreden besluit. De bezwaarde kan zijn/haar bezwaarschrift intrekken zolang het college nog geen beslissing genomen heeft (ord. 12-5-3).
Belang
Er dient een zekere relatie te zijn tussen de bezwaarmaker en het genomen besluit. Iemand moet ‘menen in zijn werkelijk belang of in zijn kerkelijke verantwoordelijkheid te zijn getroffen’ (ord. 12-3-1). Door het werkwoord ‘menen’ is de formulering nogal ruim.
Achteraf gelijk willen krijgen is geen belang
In de praktijk betekent dit dat wie geen enkel belang heeft of op geen enkele wijze in zijn kerkelijke verantwoordelijkheid is getroffen, in zijn bezwaar niet-ontvankelijk is. Zo wordt achteraf gelijk willen krijgen geen belang geacht, bijvoorbeeld als het bestreden besluit al is uitgevoerd (vgl. GCBG 2007/20-21-25), als iemand (inmiddels) geen lid meer is van de gemeente waar de zaak speelt (GCBG 2018/01), of als de bezwaarde stelt jurisprudentie te willen verkrijgen waar anderen hun voordeel mee zouden kunnen doen (GCBG 2005/20). Beperking van reputatieschade is in dit soort situaties evenmin zonder meer als werkelijk belang aan te merken (GCBG 2005/19). Optreden namens een ander kan alleen als diens wettelijk vertegenwoordiger (GCBG 2008/04). Uiteraard kan een moderamen in een bezwaarprocedure optreden namens de kerkenraad.
Een bijzondere aanvullende voorwaarde
In één geval dient de bezwaarde naast het voorgaande nog een bijzondere voorwaarde te vervullen. Voor zover het gaat om de besluitvorming rond de begroting of de jaarrekening van zowel gemeente als diaconie, moet de bezwaarmaker eerst zijn ‘mening’ hebben gegeven (ord. 12-3-3; vgl. ord. 11-5-4; 11-6-2). Nu is het geven van een mening vormvrij, het mag zowel mondeling als schriftelijk. Wie op dat moment vermoedt in een later stadium een bezwaar in te moeten dienen, doet er dus goed aan dat vanwege de bewijskracht schriftelijk te doen.
22.5.4 Bij welke instantie
De colleges voor de behandeling van bezwaren en geschillen zijn bevoegd, voor zover geen ander orgaan of een aparte wijze van behandeling is voorgeschreven (art. XIV-1 KO; ord. 12-6-1). Hiervoor gaven we al een aantal bijzondere procedures die buiten beschouwing blijven (§ 22.5.2). Verder horen bezwaren tegen de gang van zaken in opzichtzaken thuis bij de opzichtcolleges zelf. In bepaalde gevallen vallen vermogensrechtelijke zaken onder het classicale college voor beheerszaken, terwijl ook de losmaking van predikanten eigen regels kent. Wat overblijft en betrekking heeft op het besluit van een kerkelijk lichaam binnen het rechtsgebied van een classicaal college voor de behandeling van bezwaren en geschillen, moet bij dat college worden aangebracht (ord. 12-3-1; vgl. ord. 12-6-1). Betreft het een ander kerkelijk lichaam, bijvoorbeeld op landelijk niveau, dan is het generale college bevoegd (ord. 12-3-3). Mocht onduidelijkheid bestaan welk college een bepaalde zaak moet ontvangen, dan kan het generale college daarover om een uitspraak worden gevraagd (ord. 12-6-2).
22.5.5 Het bezwaarschrift
Waaraan moet een bezwaarschrift verder voldoen? Het moet een aantal formele kenmerken bevatten, zoals naam en woonplaats van de bezwaarde, het besluit waartegen het gericht is, zo mogelijk voorzien van een datum, dagtekening en handtekening (ord. 12-5-1). Hoofdbestanddeel is ‘een uiteenzetting met redenen omkleed en met feiten gestaafd’ van het bezwaar of geschil. De bezwaarde doet er goed aan naast deze weergave van de feiten en omstandigheden zoals die bij het gewraakte besluit een rol hebben gespeeld, duidelijk aan te geven waarom het besluit genomen is in strijd met de toetsingscriteria die de bezwarencolleges hanteren (vgl. GR 11-25-1).
Het college is verplicht de bezwaarde zo nodig in de gelegenheid te stellen zijn/haar bezwaarschrift aan te vullen
Ontbreekt een van de opgesomde vereisten, dan is het desbetreffende college verplicht de bezwaarde in de gelegenheid te stellen zijn/haar bezwaarschrift aan te vullen (ord. 12-5-2; vgl. ook GR 11-20-1). Het college behoeft deze gelegenheid overigens niet te geven als het er zeker van is dat het bezwaarschrift niet-ontvankelijk is (vgl. GCBG 2011/15-16).
Net als revisie schort een bezwaar de tenuitvoerlegging van het gewraakte besluit niet op (ord. 12-3-6; GR 11-5-1). De bezwaarmaker kan echter wel om een spoedvoorziening vragen bij de voorzitter van het bezwarencollege om de tenuitvoerlegging op te schorten (GR 11-24). Herziening van een voorziening is niet mogelijk. Wel kan er meer dan eens om gevraagd worden, ook met een vergelijkbare inhoud, zolang het desbetreffende college geen uitspraak heeft gedaan (GCBG 2016/11-II). Het is niet mogelijk tegen een voorziening in beroep te gaan.
22.5.6 De behandeling
Het college neemt, overeenkomstig de algemene bepalingen voor de kerkelijke rechtspraak, het bezwaarschrift ‘onverwijld’ in behandeling (GR 11-4-1) (zie verder § 20.3). Het verschaft de bezwaarde inlichtingen over het verloop van de procedure en de bijbehorende termijnen (vgl. ord. 12-7-1). De behandeling is in de regel niet openbaar, maar openbaarheid is niet uitgesloten (ord. 12-7-3).
Het komt voor dat over eenzelfde of verwante zaak meer bezwaarschriften binnenkomen. Het classicale college is dan bevoegd deze te voegen, dat wil zeggen: ze tegelijk te behandelen en er in samenhang over te besluiten (GR 11-21-1). Tevens is er een regeling voor het geval bezwaren de grenzen van het rechtsgebied van één classicaal college overschrijden (GR 11-21-2).
Het zal in de meeste gevallen verstandig zijn als bezwaarmaker om een zitting te verzoeken
De meeste bepalingen in het kader van de behandeling en de voorbereiding daarop hebben tot doel dat beide partijen dezelfde informatie hebben (GR 11-22,23; vgl. ord. 12-7-2). Zo wordt het kerkelijk lichaam waartegen het bezwaar zich richt, ingelicht en in de gelegenheid gesteld te reageren. Soms volgt daarop nog een ronde van reacties van beide partijen. Partijen krijgen desgevraagd inzage in alle stukken die het college in bezit heeft. Daartoe kunnen ook inlichtingen en gegevens behoren die het college zelf heeft opgevraagd bij het kerkelijk lichaam en die het kerkelijk lichaam verplicht is te verschaffen. Het college is niet verplicht een zitting te houden waarin partijen in elkaars aanwezigheid hun standpunten mondeling toelichten, maar kan er uit eigener beweging wel voor kiezen. Het is er in beginsel toe verplicht als een van de partijen erom vraagt. Het zal in de meeste gevallen verstandig zijn als bezwaarmaker om een zitting te verzoeken. Het kan helpen bepaalde punten net even wat scherper voor het voetlicht te brengen. Als er meer ondertekenaars zijn, heeft elke bezwaarde hierop individueel recht (GCBG 2013/11). Elk heeft het recht daarbij een raadsman of -vrouw mee te nemen. Tot slot: in uitzonderlijke gevallen is het mogelijk dat het college de partijen buiten elkaars aanwezigheid hoort.
Het college kan bij de bezwaarde kosten in rekening brengen alvorens de behandeling te starten (GR 11-22-4). In de praktijk houdt de kerk haar rechtspraak laagdrempelig en zien colleges van deze mogelijkheid af. Een college heeft echter deze mogelijkheid achter de hand voor het geval iemand het systeem lijkt te misbruiken door bij voortduring bezwaarschriften in te dienen.
22.5.7 De uitspraak
Op twee punten kent ord. 12 eigen besluitvormingsregels. De quorumbepaling wijkt af van die van ord. 4-5-4: bij de behandeling en beslissing dienen ten minste vijf leden en/of toegevoegde leden aanwezig te zijn, onafhankelijk dus van het benoemde totaal (ord. 12-2-11). Verder geeft bij het staken van de stemmen de stem van de voorzitter de doorslag (ord. 12-7-6). Op deze wijze wordt vertraging beperkt.
Het college kan bij een gegrondverklaring van een bezwaar besluiten de rechtsgevolgen van het besluit geheel of gedeeltelijk in stand te laten
Het college beoordeelt het bestreden besluit in het licht van het bezwaarschrift en wat verder ter tafel is gebracht aan de hand van een viertal criteria (GR 11-25-1): of het besluit is genomen in strijd met de kerkorde of met wettelijke bepalingen; of het kerkelijk lichaam in de besluitvorming niet de vereiste zorgvuldigheid in acht genomen heeft; of het kerkelijk lichaam de verleende bevoegdheid misbruikt heeft; en of het bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet tot het besluit had kunnen komen. Als een of meer criteria van toepassing zijn, betekent dit niet automatisch dat het college het bezwaarschrift gegrond verklaart. Het kán dan ‘een besluit van een kerkelijk lichaam geheel of ten dele vernietigen, aanvullen of ter zake een voorziening geven’ (vgl. ord. 12-7-4; GR 11-25-1). Het zal daarbij rekening houden met alle omstandigheden van het geval. Het college kan bij een gegrondverklaring ook besluiten de rechtsgevolgen van het besluit geheel of gedeeltelijk in stand te laten (GR 11-25-2). Dan moet er wel sprake zijn van ‘bijzondere overwegingen’, waaronder de aanname dat een nieuw besluit geen wezenlijk ander resultaat zou geven dan het bestreden besluit, of dat de bezwaarde bij de uitspraak geen ‘redelijk belang’ heeft. De vraag is wat het verschil is met het vermeende ‘werkelijk belang’ dat in het kader van de ontvankelijkheid een grote rol speelt. Het redelijk belang lijkt een meer objectief karakter te hebben. De vraag naar de ontvankelijkheid en de behandeling van de zaak zelf zijn overigens veelal niet scherp te onderscheiden. Een college dat eerst ontvankelijkheid had aangenomen, kan gaandeweg toch tot de conclusie komen dat het ‘werkelijk belang’ ontbreekt. De feitelijke uitkomst kan bij het ontbreken van een ‘werkelijk belang’ dezelfde zijn als bij het ontbreken van een ‘redelijk belang’: het besluit blijft in stand.
Wat zijn de verdere formaliteiten? De uitspraak wordt schriftelijk vastgelegd en dient een groot aantal gegevens te bevatten, zoals een samenvatting van het bezwaar, de rechtsgronden waarop de uitspraak berust, een ‘duidelijke uitspraak’ inzake het bezwaar en een mededeling over de eventuele mogelijkheden van beroep (ord. 12-7-7; GR 11-6,7). Een afschrift dient binnen dertig dagen aan de partijen en een aantal kerkelijke gremia te worden toegestuurd (ord. 12-7-8).
22.6 Procedure in beroep
22.6.1 Door wie of wat
Behalve de eerdergenoemde uitzonderingen betreffende bezwaren tegen de verkiezingsprocedure van een ambtsdrager, is in beginsel beroep mogelijk tegen de uitspraak van een classicaal bezwarencollege bij het generale college voor bezwaren en geschillen (ord. 12-8-1). Dat geldt zowel wanneer het classicale college een bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard als wanneer het gekomen is tot een oordeel als genoemd in GR 11-25. Slechts de bezwaarde of het kerkelijk lichaam dat het bestreden besluit nam, kan van de beroepsmogelijkheid gebruikmaken.
22.6.2 Verdere bepalingen
De voorschriften zijn vergelijkbaar met die bij behandeling in eerste aanleg, bijvoorbeeld wat betreft de termijn (ord. 12-8-2; vgl. ord. 12-3-5), de schorsing van de werking van het besluit (ord. 12-8-3; vgl. GR 11-5-1), de behandeling (ord. 12-9-1; vgl. ord. 12-7) en de besluitvorming (ord. 12-9-2; vgl. ord. 12-7-4). Het generale college doet bij voorkeur een einduitspraak door de zaak zelf geheel af te handelen. Het kan zich er echter ook toe beperken de uitspraak van het classicale college geheel of gedeeltelijk ongedaan te maken, en de zaak met een aantal aanwijzingen verwijzen naar het college dat eerder oordeelde, of naar een ander classicaal college (ord. 12-9-3).
22.6.3 Vernietiging
Het generale college heeft middels de hem toegezonden uitspraken van classicale colleges overzicht over de rechtspraak op dat niveau (vgl. ord. 12-7-8). Het is niet ondenkbaar dat het daarbij constateert dat verschillende classicale colleges over vergelijkbare zaken verschillend oordelen. Uitsluitend omwille van de eenheid van behandeling kan het dan ongevraagd alsnog een classicale uitspraak ‘tenietdoen en ter zake (…) de uitspraak doen zoals het geboden acht’, of in het geval van een einduitspraak van een classicaal college vaststellen dat die ‘onjuist is’, met instandhouding van de rechtsgevolgen van die uitspraak (ord. 12-10-1,2). Dit laatste betreft uitspraken met betrekking tot de verkiezing van ambtsdragers (ord. 3-4-12; 3-6-8; 12-8-5), een wrakingsverzoek (GR 11-8-4,5) en ook een spoedvoorziening (ord. 12-8-3; GR 11-5-1; vgl. GCBG 2014/13). Vernietiging volgens ord. 12-10 dient naar de letter plaats te vinden binnen zestig dagen nadat de uitspraak verzonden is. Bedoeld zal zijn: nadat het afschrift van de uitspraak aan het generale college verzonden is. Als het generale college geen gebruik maakt van de mogelijkheid van ord. 12-10-1,2 geeft het daarmee impliciet aan dat een classicale uitspraak in zijn ogen aanvaardbaar is.
22.6.4 Niet opvolgen beslissing
De kerkelijke rechtspraak wordt uitgeoefend met het oog op de bloei van de kerk, en dient daarom serieus te worden genomen. Toch komt het helaas voor dat de beslissing van een college voor bezwaren en geschillen niet wordt opgevolgd.
De kerkelijke rechtspraak dient serieus genomen te worden, omdat die wordt uitgeoefend met het oog op de bloei van de kerk
Het college kan van het niet opvolgen melding maken bij het aangewezen opzichtcollege, dat vervolgens bevoegd is de tuchtmaatregelen van ord. 10-9 te gebruiken (ord. 12-6-3), dus zowel die van ord. 10-9-6 als in voorkomend geval van ord. 10-9-7 en eventueel zelfs van ord. 10-9-8. Tucht richt zich in beginsel op individuen. De maatregel kan dan ook slechts degenen treffen die weigeren de gegeven beslissing te eerbiedigen. Betrokkenen zullen, voor zover een tuchtmaatregel dreigt, gehoord moeten worden. Maar ook verder zullen de procesregels voor het tuchtrecht geëerbiedigd moeten worden. Beroep is mogelijk. Ord. 12-6-3 heeft strikt genomen geen betrekking op de rechtspraak van een classicaal college voor beheerszaken of het generale college voor de ambtsontheffing. Het staat deze colleges echter in principe vrij een dergelijke melding te doen. Het desbetreffende opzichtcollege heeft binnen de regels van ord. 10-9 voldoende ruimte om zo nodig tot passende maatregelen over te gaan.
22.6.5 Herziening
Soms komen in de loop der tijd nieuwe feiten of omstandigheden aan het licht die een oude uitspraak in een nieuw daglicht stellen. Als het generale college deze ‘ontmoet’ en ervan overtuigd is dat ze aanleiding geven tot een andere uitspraak, dan mag het tot herziening overgaan en een nieuwe uitspraak doen (ord. 12-11-1). Procedureel is voor een dergelijke situatie nauwelijks iets vastgelegd. Zo is geheel vrij hoe het college van deze feiten en omstandigheden op de hoogte raakt. Dat kan bijvoorbeeld door middel van een verzoekschrift, maar ook door een bericht in de krant waarvan een collegelid kennisneemt. Het enige wat het college moet doen bij een nieuwe uitspraak is het zo nodig regelen van de rechtsgevolgen (ord. 12-11-2). Een spoedvoorziening is in een herzieningsprocedure echter uitgesloten (GCBG 2017/04 S-H).
22.7 Bezwaren inzake vermogensrechtelijke aangelegenheden
Als een lid van de gemeente, of bijvoorbeeld een commissie van de kerkenraad of een wijkkerkenraad, bezwaar heeft tegen de begroting van de gemeente of van de diaconie, dan kan men daarvoor onder bepaalde voorwaarden terecht bij het classicale college voor de behandeling van bezwaren en geschillen (ord. 12-3-1; zie § 22.5.4).
Anders ligt het echter wanneer een kerkenraad, een college van kerkrentmeesters en een college van diakenen er niet uit komen, en een van de drie niet weg te nemen bezwaren heeft tegen een besluit (of handeling, of weigering te handelen) op vermogensrechtelijk gebied van een van de twee andere organen. De kerkorde is summier over deze procedure (ord. 11-9-1; GR 11-19; zie ook hierboven). Bezwaar is in deze procedure uitsluitend mogelijk voor een van beide andere kerkelijke lichamen. Achter het bezwaar in de specifieke procedure die hier aan de orde is, kan een geschil over taak, bevoegdheid of arbeidsveld schuilgaan. Echter, een geschil als zodanig moet worden aangebracht in de reguliere procedure. Dat is ook het geval als het niet gaat om een vermogensrechtelijke aangelegenheid, ofwel om zaken zonder financiële consequenties. Waar de grens ligt, zal niet altijd even duidelijk zijn. Wie twijfelt over de aard van de procedure, kiest die die men het meest passend acht. De rechtsprekende colleges hebben immers doorzendplicht (GR 11-3-1) en kunnen zo nodig aan het generale college voor bezwaren en geschillen een oordeel vragen over welk college bevoegd is (ord. 12-6-2).
Het rechtsprekend college in deze specifieke procedure is het genoemde classicale college voor beheerszaken. Elders zijn we ingegaan op de samenstelling van dit college (zie § 13.7.2). Bij de behandeling van een bezwaarschrift wordt het college uitgebreid met een adviserend lid van het classicale college voor bezwaren en geschillen (ord. 11-9-2). Zijn of haar expertise ondersteunt het college op het rechtsprekende terrein waar het in de praktijk maar zelden mee te maken heeft. De procedure verloopt parallel aan die van bezwaren en geschillen in het algemeen (ord. 11-21-6; GR 11-19-1). De algemene bepalingen kerkelijke rechtspraak zijn van toepassing (vgl. § 20.3). Een bezwaarschrift moet in deze procedure in eerste instantie beschouwd worden als een verzoek om bemiddeling (ord. 11-21-4). De betrokkenen zullen immers ook in het vervolg nauw met elkaar samen moeten werken (vgl. ord. 11-5-3; 11-21-3). Lukt het niet door bemiddeling het bezwaar weg te nemen, dan doet het college een uitspraak.
Wie in beroep wil gaan tegen de uitspraak op classicaal niveau moet zich wenden tot het generale college voor bezwaren en geschillen (ord. 11-21-5; GR 11-19-2,3), dus níét tot het generale college voor beheerszaken (vgl. ord. 11-23). Uiteraard kunnen alleen de betrokken kerkenraad of colleges van kerkrentmeesters of diakenen in beroep gaan. Ook in beroep loopt de procedure parallel aan die voor andere bezwaren en geschillen (ord. 11-21-6; GR 11-19-4).