Menu

None

Opzicht

Nieuwe toelichting op de kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland

21.1    Inleiding

Opzicht wordt ook wel getypeerd als tucht. Maar past dat wel in de kerk, tucht? Die vraag kan makkelijk opkomen. Tucht heeft iets pijnlijks. Het treft niet alleen degene op wie tucht wordt toegepast, maar ook degenen die het toepassen. Toch zal vrijwel iedereen die hoort van misbruik door een ambtsdrager van opvatting zijn dat de kerk dan krachtdadig zal moeten optreden. En ook dat is tucht. De kans is niet denkbeeldig dat in zo’n geval allerlei emoties naar boven komen die een rechtvaardig oordeel in de weg kunnen staan. Daarom vergt de toepassing van tucht net als de wereldlijke rechtspleging enige afstand en heldere procedures. We bespreken in deze eerste paragraaf het doel van het opzicht. Vervolgens schetsen we in de volgende paragrafen de verschillende procedures.

De toepassing van tucht vereist enige afstand en heldere procedures

De gemeente is ‘geroepen tot de dienst aan het Woord van God’ (art. IV-1 KO). Dat is de basisregel. Die echoot door in de eerste regel van de ordinantie over het opzicht: ‘De gemeente is geroepen te blijven in de weg van het belijden van de kerk.’ Het gaat daarin om leer én leven, waarbij qua leer rekening gehouden moet worden met het confessionele accent van de betrokken gemeente (ord. 10-1-4). Het lukt een gelovige lang niet altijd even goed in de weg van het kerkelijk belijden te blijven. Sterker nog, soms gaat het helemaal fout. Vrijwel altijd raakt dat dan op een of andere manier een of zelfs meer gemeenten als geheel. ‘Wanneer één lichaamsdeel pijn lijdt, lijden alle andere mee’ (1 Kor. 12:26). Op dat geheel richt zich in opdracht van de ambtelijke vergaderingen primair het werk van de classispredikant en de visitatoren, dat, zoals aangegeven, elders wordt besproken (zie § 17.5 en § 17.6). De colleges voor het opzicht zien in hun opdracht toe op individuele leden, ambtsdragers zowel als niet-ambtsdragers. Kerkvisitatie en opzicht over belijdenis en wandel werken beide vanuit de grondregel: de eer van God, het bewaren van de gemeente, het behoud van hen die dwalen (ord. 10-1-1). Hierin valt de ooit door Calvijn in zijn Institutie (IV,12,5) aangereikte drieslag voor de kerkelijke tucht te ontdekken. Nadrukkelijk is daaraan toegevoegd dat dit alles is ‘gegrond in de barmhartigheid van Christus’. Die barmhartigheid bepaalt ons bij een belangrijk evenwicht. Enerzijds is de kerk in bepaalde omstandigheden gehouden tucht te oefenen. Bijvoorbeeld om erger te voorkomen, zowel voor degene die voorwerp van de tucht wordt als voor de gemeenschap waarbinnen iemand leeft en gelooft. Anderzijds moet het doel in het oog gehouden worden. Dat is kortweg heling en herstel (vgl. ord. 10-6-1).

Aspecten als vergelding en wraak ontbreken

Wie de vergelijking maakt met het strafrecht, herkent het corrigerend-motiverend karakter van een straf: de betrokkene dient zijn gedrag te veranderen. Zolang dat niet het geval is, dient de gemeenschap tegen hem of haar beschermd te worden. Ook gaat er van een straf een waarschuwende werking uit voor derden: doe dit niet. Opvallend is echter dat aspecten als vergelding en wraak in het kerkelijk tuchtrecht volledig ontbreken. Die mogen idealiter dus geen rol spelen in een tuchtrechtelijk oordeel. In de praktijk zal er soms wel zo naar gekeken worden, zowel door degene op wie een tuchtmaatregel wordt toegepast als door anderen. Het doel is het echter nadrukkelijk niet.

In de uitoefening van het opzicht is een drietal categorieën van individuen in uiteenlopende situaties te onderscheiden die na een schets van de voor allen geldende voorfase achtereenvolgens besproken zullen worden. De eerste is in de praktijk de belangrijkste en gaat daarom voorop: degenen die een ambt of bediening hebben of de bevoegdheid om voor te gaan in de eredienst. De tweede categorie betreft gemeenteleden zonder ambt, bediening of de genoemde bevoegdheid. De derde categorie heeft betrekking op degenen die geroepen zijn tot verkondiging, catechese en/of de opleiding van predikanten en ziet op hun leer. Dit betreft vooral mensen die voor het overige in de eerste categorie vallen. Maar het kan ook om de tweede gaan. Denk dan aan de docent aan de Protestantse Theologische Universiteit die wel lid is van de kerk, maar geen ambtsdrager. Ook is in beginsel denkbaar dat iemand uit de derde groep voor het overige buiten het kerkelijk tuchtrecht valt, bijvoorbeeld als genoemde docent geen lid is van de kerk. In dat geval kan alleen de betrokken opleiding zelf zo nodig maatregelen nemen, voor zover de eigen regelgeving dat mogelijk maakt.

21.2    Voorfase

Is opzicht alleen een zaak van de kerk als organisatie (vgl. ord. 10-1-3)? Ord. 10-1-2 wil het misverstand achter deze vraag uit de weg helpen. Daar staat dat alle leden ten opzichte van elkaar in dit opzicht een roeping hebben, onafhankelijk van de vraag of een ander een ambt of functie vervult.

Alle leden hebben de roeping om naar elkaar om te zien

De kerkorde noemt vijf elementen in de uitwerking van deze roeping: naar elkaar omzien, elkaar opbouwen, elkaar Gods vergeving aanzeggen, elkaar zo nodig vermanen en – in de onderlinge omgang bepaald niet onbelangrijk – de bereidheid dit vermaan ter harte te nemen. Niemand heeft de plicht een ander aan te spreken alvorens een officiële procedure te starten. In sommige gevallen, bijvoorbeeld als er sprake is van machtsuitoefening door de ander, is het zelfs volstrekt irreëel dit te verwachten. Als het mogelijk en redelijk is, heeft in lijn met Matteüs 18:15-16 eerst persoonlijk aanspreken echter wel de voorkeur. Het kan zijn dat met een enkel gesprek de lucht geklaard is. De ander heeft dan zijn positie zodanig kunnen verhelderen dat de klacht in feite niet meer bestaat, of heeft zijn leven gebeterd.

21.3    De kerkelijke lichamen betrokken bij het opzicht

Deze paragraaf biedt een opsomming van de kerkelijke lichamen die bij het opzicht betrokken zijn. Hij beperkt zich tot een summiere beschrijving van de inrichting van deze organen, voor zover dit niet al elders in dit boek is gebeurd. De categorieën waarop hun opzicht zich richt, alsmede de bijbehorende procedures, komen in het vervolg bij elk van de categorieën uitgebreider aan de orde.

Het opzicht over degenen die tot de eerste categorie behoren, betreft ambtsdragers, kerkrentmeesters, diaconale rentmeesters, in de bediening gestelden en degenen die in de eredienst mogen voorgaan. Dit opzicht berust bij de classicale vergadering (ord. 10-7-2; vgl. 11-2-3).

Toepassing van middelen van kerkelijke tucht voor de eerste categorie is voorbehouden aan het classicale college voor het opzicht. Elke classis heeft er een (ord. 10-8-1; vgl. 4-19-1), al kan de kleine synode onder bepaalde voorwaarden besluiten classicale colleges samen te voegen en daarmee het rechtsgebied van een college vergroten (ord. 10-8-2).

Het ontbreken van de mogelijkheid de leden te herbenoemen, onderstreept hun onafhankelijkheid

De classicale vergadering benoemt de leden voor een periode van maximaal tien jaar zonder mogelijkheid tot herbenoeming: naast vijf gewone leden ten minste vijf toegevoegde leden (ord. 10-8-3). Hun functioneren kan op deze wijze niet beïnvloed worden door een eventuele wens om herbenoemd te worden. Dit onderstreept hun onafhankelijkheid. De leden, predikanten en ouderlingen, komen uit het rechtsgebied van het college. Bij verhuizing uit het rechtsgebied vervalt het lidmaatschap. Het verschil in aantal tussen de ambten van predikant en ouderling mag niet meer dan één bedragen. Bij het beëindigen van het ambt, anders dan door toepassing van de kerkelijke tucht, kan de betrokkene zijn zittingstijd volmaken zolang deze belijdend lid is van de kerk (ord. 10-8-11). In beginsel geldt deze bepaling niet voor ouderlingen die gastlid zijn (ord. 3-3-2 en 3-6-1). Zij zijn immers geen lid van de kerk. In hun geval is er een andere en betere optie: de kerkenraad kan de termijn van de ambtsdrager verlengen voor de periode dat de betrokkene zitting heeft in het college (ord. 3-7-3). Het verschil tussen gewone en toegevoegde leden bestaat hierin dat de voorzitter of diens vervanger de toegevoegde leden in voorkomende gevallen kan oproepen om deel te nemen (ord. 10-8-3). Zowel leden als toegevoegde leden zijn tevens toegevoegd lid van de andere classicale colleges. Verder benoemt de classicale vergadering voor een periode van vier jaar ten minste één adviserend lid. Dit moet een afgestudeerd jurist of een daarmee vergelijkbare deskundige zijn, belijdend lid en bij voorkeur afkomstig uit het rechtsgebied van het college (ord. 10-8-4). Deze kan wel worden herbenoemd. De classicale vergadering benoemt de voorzitter van het college in functie, maar het college regelt zelf diens vervanging als de voorzitter niet aan de werkzaamheden deelneemt (ord. 10-8-5). Het college wijst ook zelf de secretaris uit zijn midden aan. Het doet periodiek verslag van zijn werkzaamheden en uitspraken aan de classicale vergadering(en) waaronder het ressorteert (ord. 10-10-7 en 4-19-2).

Het opzicht over degenen die tot de tweede categorie behoren, grofweg gemeenteleden zonder ambt of aanverwante positie, berust bij de (wijk)kerkenraad (ord. 10-7-1). Het nemen van eventuele tuchtmaatregelen draagt de (wijk)kerkenraad op aan het (wijk)college van predikant(en) en ouderlingen, ook wel het consistorie genoemd. Hiertoe worden ook de ouderlingen-kerkrentmeester gerekend (vgl. art. V-3 KO). De (wijk)kerkenraad heeft vastgesteld hoeveel dit er in totaal (moeten) zijn (ord. 4-6-3).

Voor de kerkelijke lichamen die betrokken zijn bij een procedure in de derde categorie, zie de desbetreffende procedure (§ 21.7).

Tot slot moet in dit overzicht nog het generale college voor het opzicht genoemd worden, dat in hoofdzaak beroepszaken uit de eerste twee categorieën behandelt. De inrichting lijkt sterk op die van de classicale colleges (ord. 10-8-6,7,8,11), al is het hier de generale synode die benoemt. Het voert de voorgeschreven taken uit en maakt periodiek een verslag van werkzaamheden met een samenvatting van de uitspraken (ord. 10-10-7 en 4-28-2). Verder heeft dit college de eindverantwoordelijkheid voor de geanonimiseerde publicatie van de uitspraken van al de opzichtcolleges (GR 11-16-1 sub a; zie Protocol publicatie uitspraken).

21.4    Categorie 1: ambtsdragers, zij die in een bediening zijn gesteld of de bevoegdheid hebben om voor te gaan in de eredienst

21.4.1   Wie, wat en hoe

In de eerste categorie gaat het om opzicht over ambtsdragers, de niet in het ambt bevestigde leden van vermogensrechtelijke colleges, mensen die in een bediening zijn gesteld, alsmede degenen die bevoegd zijn om in de eredienst voor te gaan (ord. 10-7-2; vgl. 11-2-3).

Het gaat dus wat de ambtsdragers betreft om gemeentepredikanten – met inbegrip van predikanten met bijzondere opdracht – ouderlingen(-kerkrentmeester) en diakenen. Afhankelijk van het beleid van de plaatselijke gemeente ten aanzien van het passief en actief kiesrecht kan dat ook gastleden en vrienden betreffen (vgl. ord. 3-6-1 en 3-2-3). De vraag kan gesteld worden wat de basis in de ordinanties is voor tuchtuitoefening over gastleden en vrienden die ambtsdrager zijn. Enerzijds suggereren de basisartikelen immers dat het in het opzicht gaat om ‘leden’ (ord. 10-7-1; vgl. art. XII-2 KO en ord. 10-1-2), dus niet om gastleden en vrienden (vgl. ord. 2-2-1). Anderzijds ziet de bepaling over de eerste categorie onverkort op allen met een ambt, bediening of bevoegdheid om voor te gaan (ord. 10-7-2). Deze laatste regel moet het grootste gewicht krijgen. De generale regeling gastlidmaatschap schrijft bij gastleden wel overleg met het geëigende orgaan van de kerk van dat gastlid voor (GR 3-7-2). Vrienden kunnen alleen ambtsdrager zijn als zij lid zijn van een andere gemeente van de kerk (zie § 10.3.1). Daarin ligt de basis voor toepassing van het opzicht op hen; daarbij ligt overleg tussen beide betrokken kerkenraden voor de hand.

Onder de eerste categorie valt verder de kerkmusicus (GR 9-6-4), of deze nu in de bediening is gesteld of niet, en ook als deze lid is van een ander kerkgenootschap. Tot slot is er nog degene die bevoegd is om voor te gaan in de eredienst, de preekconsenthouder. Hierbij moet worden opgemerkt dat ten aanzien van gebruik en misbruik van het consent als zodanig ook de kleine synode vergaande bevoegdheden heeft (GR 10-3-2).

Bij predikanten met bijzondere opdracht dient uiteraard in voorkomende gevallen ook contact opgenomen te worden met de betrokken instelling (zie § 16.4). Predikanten in algemene dienst en zij die betrokken zijn bij de opleiding van predikanten vallen onder de classicale vergadering van de gemeente waar de betrokkene als lid is ingeschreven (ord. 10-7-2). De procedure geldt niet voor docenten van de predikantenopleiding die geen lid zijn van de kerk en aan wie derhalve ontheffing is verleend (vgl. ord. 13-6-4). Op hen kan – naast de eigen regelingen van de universiteit – slechts de procedure van de derde categorie van toepassing zijn, uiteraard slechts voor zover zij daartoe aanleiding geven.

In beginsel kan iedereen een beschuldiging inbrengen, ook iemand die geen lid is van de kerk

Wie kan een beschuldiging inbrengen? In beginsel iedereen, dus ook iemand die geen lid is van de kerk en zelfs geen enkele relatie met de kerk als zodanig onderhoudt.

Het moet gaan over de belijdenis en wandel, veronachtzaming of misbruik van het ambt, dan wel de bediening, dan wel de door de kerk toegekende bevoegdheden. De beschuldiging kan betrekking hebben op degene die deze inbrengt, maar dat hoeft niet. Het kan bijvoorbeeld gaan over fraude, de geheimhoudingsplicht, overdoop, onbehoorlijke uitlatingen, bewust onjuist uitvoeren van kerkelijke besluiten, misbruik enzovoort. Is er sprake van misbruik, dan gelden bijzondere procedurele bepalingen waarop in § 21.6 nader wordt ingegaan. Individuen kunnen niet persoonlijk verantwoordelijk gesteld worden voor de besluiten van het kerkelijk lichaam waarin zij zitting hebben, tenzij zij zich extern op een zodanige wijze hieromtrent uiten dat sprake is van tuchtwaardig gedrag (uitspraak RCO, opgenomen in rapport GCO 2016/B.8).

Privéactiviteiten van predikanten kunnen afbreuk doen aan het ambt dat zij dragen

Een tweede uitzondering is de weigering uitvoering te geven aan het besluit van een bezwarencollege (zie § 22.6.4). Belijdenis en wandel enerzijds en veronachtzaming of misbruik van het ambt anderzijds, kunnen niet altijd scherp worden onderscheiden, zeker niet bij predikanten. Privéactiviteiten kunnen zodanig van karakter zijn, dat zij afbreuk doen aan het ambt van de betrokkene (GCO 2016/C.4; vgl. ord. 3-24-1).

Het moment waarop de gewraakte uitingen zijn gedaan of verricht, is niet direct relevant (vgl. uitspraak RCO, opgenomen in rapport GCO 2010/C.4; uitspraak RCO, opgenomen in rapport GCO 2015/C.12). Dit gegeven zal in het kader van het totaal van feiten en omstandigheden worden meegewogen. Zo kan men zich voorstellen dat ernstige, bewezen feiten uit een ver verleden wel aanleiding geven tot een procedure, maar recente geruchten niet.

De vorm van de beschuldiging is in eerste instantie vrij. In het vervolg zal blijken dat afhankelijk van het verloop van de procedure een geschreven stuk vereist kan zijn.

21.4.2   De eerste stappen

Waar moet iemand met een beschuldiging zich melden? Er zijn twee mogelijkheden. De eerste is die van de classicale vergadering. Deze gaat vervolgens over tot ‘pastorale samenspreking en vermaan’ met de beschuldigde (ord. 10-6-2). Net zomin als bij het eerdergenoemde individuele vermaan is dit een tuchtmiddel. De classicale vergadering kan overigens ook zelf aanleiding zien om iemand uit te nodigen voor een dergelijk gesprek. Afhankelijk van het verloop kan de classicale vergadering vervolgens het classicale college voor het opzicht verzoeken een onderzoek te starten. We noemen dit in het vervolg van deze paragraaf gemakshalve soms het (classicale) (opzicht)college. Strikt genomen gaat het in deze beslissingen steeds om de classicale vergadering als geheel, niet om haar breed moderamen. Het besluit komt tot stand volgens de eigen, kerkordelijk ingebedde besluitvormingsregels. Het laat zich echter goed verdedigen dat de classicale vergadering het gesprek omwille van een solide en tegelijk voldoende veilige basis voor het gesprek laat plaatsvinden in een commissie.

De tweede mogelijkheid die de klager heeft, is zijn zaak direct voor te leggen aan het opzichtcollege. Dat is, net als bij een verzoek van een classicale vergadering, verplicht om onderzoek te doen (GR 11-13).

Een opzichtcollege kan zelf op basis van feiten en omstandigheden besluiten onderzoek te doen

Het college kan daarnaast ook eigener beweging een onderzoek starten op basis van ‘feiten en omstandigheden’ die het ter kennis zijn gekomen (ord. 10-9-1). Dat kan van alles zijn, zoals berichten op social media die binnen het college bekend zijn, of de kennis van een van de leden. Uiteraard moet de gemeente van degene die het betreft, binnen de classis resp. het rechtsgebied van het classicale college liggen.

Bij bezwaren tegen de persoon van een verkozen maar nog niet bevestigde ouderling of diaken is de benadering anders (ord. 3-6-7,8; zie § 10.3.6). Het mag bij een bezwaar in deze sfeer in beginsel niet gaan over het feit dat de betrokkene de functie van scriba of voorzitter binnen de kerkenraad gaat vervullen (GCO 2012/D.2 en D.5). Het is namelijk aan de kerkenraad te bepalen wie hij uit zijn midden voor deze functies kiest. Het bezwaar moet in eerste instantie naar de kerkenraad, die vervolgens probeert het bezwaar weg te nemen. Lukt dat niet, dan zendt de kerkenraad binnen veertien dagen na ontvangst het bezwaar door naar het classicale opzichtcollege dat daarover vervolgens een uitspraak doet. Alleen als de bezwaren gegrond geacht worden en de bevestiging dus geen doorgang kan vinden, is beroep mogelijk bij het generale college (zie § 21.4.5). Richt het bezwaar zich tegen de gevolgde verkiezingsprocedure, dan dient het bij het classicale college voor bezwaren en geschillen (zie § 10.3.6).

Als de kleine synode constateert dat een classicaal college een zaak laat liggen, kan ze onder bepaalde voorwaarden het generale college opdragen de zaak ter hand te nemen (ord. 10-11-3). Een kerkenraad en de classicale vergadering kunnen in eenzelfde situatie aan het generale college om een voorziening vragen (ord. 10-11-3). Van tevoren moeten zij wel het classicale college om opheldering vragen. Het gaat daarbij om een situatie waarbij het classicale college verzuimt een onderzoek in te stellen of af te ronden. Deze bevoegdheid van kleine synode, kerkenraad en classicale vergadering kan niet gebruikt worden als een uitspraak van het classicale college genoemde gremia niet welgevallig is. Dat zou in strijd zijn met de onafhankelijkheid van de kerkelijke rechtspraak.

21.4.3   Onderzoek

Het kan zijn dat een zaak niet op zichzelf staat, bijvoorbeeld omdat er meer beschuldigingen van vergelijkbare aard zijn. In dat geval kan het college onder bepaalde voorwaarden zaken samenvoegen (GR 11-14). Het kan gevoegde zaken zowel tegelijk als toch afzonderlijk behandelen.

Het college kan gedurende een onderzoek de beschuldigde ‘ernstig adviseren’ zich voorlopig terughoudend op te stellen in zijn/haar gemeente (ord. 10-9-3). Ook op dit punt wordt het ruime begrip ‘feiten en omstandigheden’ gehanteerd. Het college kan op elk moment in de procedure dit besluit nemen. Zaken die aanvankelijk als klein beginnen, kunnen zich door allerlei factoren turbulent ontwikkelen, waardoor een dergelijk dringend advies alsnog gegeven moet worden. Uit de aard van het ernstig advies kan het college deze terughoudendheid niet afdwingen.

Een college kan gedurende zijn onderzoek iemand adviseren zich terughoudend op te stellen in de gemeente of bepalen dat de vervulling van ambt of bediening is opgeschort

Daarnaast kan het college bij het rijzen van ernstige bezwaren tegen de vervulling van ambt of bediening bepalen dat de vervulling daarvan moet worden opgeschort totdat een eindoordeel is uitgesproken (ord. 10-9-4). Het is naar de letter van de ordinantietekst onduidelijk of deze bepaling ook van toepassing is op een preekconsent: deze bepaling spreekt immers niet expliciet van het opschorten van ‘de uitoefening van door de kerk toegekende bevoegdheden’, waar even verder in ord. 10-9-7 sub c, d en e wel aan gerefereerd wordt (vgl. GR 10-3-2).

De bewoordingen van ord. 10-9-4 lijken erop te wijzen dat de discretie van het college ten aanzien van ambt, bediening en bevoegdheid ruimer is. Zo ontbreekt de uitdrukking ‘feiten en omstandigheden’, maar is wel sprake van ‘ernstige bezwaren’. De opschorting geldt ‘zolang de kerk geen eindoordeel heeft gegeven’. Als het classicale college niet besluit tot schorsing of afzetting, heft het de eventueel opgelegde ordemaatregel op. Besluit het wel tot een van deze tuchtmaatregelen en gaat de betrokkene in beroep bij het generale college voor het opzicht, dan treden die maatregelen niet in werking (ord. 10-11-6), maar herleeft wel de eventueel eerder opgelegde ordemaatregel. Het gaat bij ord. 10-9-3,4 nadrukkelijk niet om tuchtmaatregelen. Beroep tegen enkel deze ordemaatregelen is niet mogelijk, al kan uiteraard wel een poging worden ondernomen het college van gedachten te doen veranderen. Verder behoort nog voor het tot een uitspraak gekomen is, bij predikanten het opleggen van een medisch onderzoek met als mogelijk gevolg emeritaatsverlening door de kleine synode tot de opties (ord. 10-9-5).

De generale regeling reikt voor het onderzoek een procedure aan. Zeker in gevallen waarin om welke reden dan ook nog geen gesprek met de beschuldigde heeft plaatsgevonden, zal in het begin van de procedure, voorafgaand aan het eigenlijke onderzoek, recht gedaan moeten worden aan de in ord. 10-6-2 uitgesproken intentie van ‘pastorale samenspreking en vermaan’. Ook los daarvan zullen alle betrokkenen, en in het bijzonder uiteraard het opzichtcollege, zich gedurende het gehele proces rekenschap moeten geven van het uiteindelijke doel van het opzicht: herstel van verhoudingen. Waar in een eerder stadium een beschuldiging misschien nog mondeling was, zullen nu zaken op schrift gezet moeten worden. Degene om wie het gaat, ontvangt een mededeling dat een onderzoek tegen hem/haar loopt, alsmede – als dat aan de orde is – een afschrift van de klacht die tegen hem/haar is ingebracht of het verzoek om nader onderzoek dat aangaande hem/haar gedaan is (ord. 10-10-1; GR 11-13-1,2). Hoewel het er niet met zoveel woorden staat, zal een opzichtcollege dat eigener beweging op grond van feiten en omstandigheden tot onderzoek besloten heeft, dat ook schriftelijk moeten verantwoorden. Nadat de beschuldigde hierop heeft gereageerd, kan de beschuldiger of verzoeker zijn/haar visie op deze reactie geven (GR 11-13-3,4). Als de zaak zich daarvoor leent, kan het college afzien van de reactie en/of de visie op de reactie (GR 11-13-6). Gedurende de procedure hebben de betrokkenen recht de stukken en verslagen in te zien en daar een afschrift van te verkrijgen (ord. 10-10-1; GR 11-13-5).

Iemand die beschuldigd is, mag zich in een zitting altijd laten bijstaan door een raadsman of -vrouw naar eigen keuze

Op deze voorbereidende schriftelijke fase volgt een zitting van het opzichtcollege. De beschuldigde kan hier zijn/haar standpunt mondeling toelichten en zich daarin laten bijstaan door een raadsman of -vrouw (ord. 10-10-1; GR 11-15-1). Deze ondersteuning is niet nader gekwalificeerd, bijvoorbeeld met een verplichting tot juridische scholing. Het kan iedereen zijn, zowel van binnen als van buiten de kerk. Het zal echter duidelijk zijn dat het zinvol is iemand te zoeken met een zekere (kerk)juridische kennis en ervaring. Het voorgaande geldt, als daar sprake van is, ook voor degene of de classicale vergadering die de zaak aanhangig heeft gemaakt (GR 11-15-2). Dit horen gebeurt in elkaars aanwezigheid, behalve als het ‘een zorgvuldige behandeling zal belemmeren dan wel om andere, bijzondere redenen’ (GR 11-15-3). In dat geval stelt het college een schriftelijke samenvatting op die beide partijen ontvangen. Zowel de beschuldiger als de beschuldigde kunnen verzoeken dat de samenvatting wordt voorgelezen en na overleg met hem of haar wordt vastgesteld (GR 11-15-4). Ook dan heeft het college over de tekst dus het laatste woord. Op de zitting kunnen op verzoek van betrokkenen getuigen en deskundigen worden gehoord (GR 11-15-5). Eventuele kosten zijn voor henzelf. Strikt genomen is het college zelf uitsluitend bevoegd om deskundigen in te schakelen (vgl. ord. 10-9-2). Als het echter eigener beweging tot een onderzoek heeft besloten, zal dat gelet op het geheel van de regelgeving het gebruik van getuigen niet uitsluiten.

Een zorgvuldig onderzoek kost tijd. De kerkorde kent voor het opzicht geen mogelijkheid een spoedvoorziening te vragen. In de kerkelijke jurisprudentie is echter in een dergelijke mogelijkheid in een enkel geval wel voorzien (GCBG 2012/08). Het betrof een procedurele kwestie, over het beschikbaar stellen van de bandopname van een zitting. Het verzoek moet dan gedaan worden aan de voorzitter van het college waar de zaak aanhangig is, die vervolgens binnen de kerkordelijke kaders naar bevind van zaken handelt.

21.4.4   Uitspraak

In de behandeling en bij de uitspraak van een zaak zijn vijf leden en/of toegevoegde leden van het classicale college aanwezig (ord. 10-8-9). Ten minste twee derde moet zich voor toepassing van het op te leggen tuchtmiddel verklaren (ord. 10-10-2, vgl. ord. 10-6-3), wil de uitspraak geldig zijn. Het college maakt een afweging ten aanzien van zowel belijdenis en wandel als veronachtzaming of misbruik van ambt, bediening of kerkelijke bevoegdheden (ord. 10-9-6,7,8). Onder kerkelijke bevoegdheden vallen naast de in ord. 10-7-2 al genoemde bevoegdheid om voor te gaan in de eredienst ook andere bevoegdheden die gegeven zijn met in de kerkorde omschreven functies, zoals die van kerkrentmeesters die geen ouderling zijn, of diaconale rentmeesters.

De volgorde waarin in de uitspraak een en ander aan de orde komt, zal van de inhoud van de zaak afhangen. Het college kan beginnen met belijdenis en wandel en vervolgens kijken naar ambt, bediening of kerkelijke bevoegdheden, maar ook het omgekeerde is mogelijk. Neem het voorbeeld van een diaken. Als een conflict met een ander gemeentelid voorwerp van onderzoek is, dan zal het doorgaans in eerste instantie gaan om belijdenis en wandel. Als het echter gaat om fraude door de betrokken diaken, dan zal vermoedelijk eerst naar de vervulling van het ambt worden gekeken.

Voor de uitspraak inzake belijdenis en wandel door het classicale college, zie de beschrijving in § 21.5.4.

Inzake ambt, bediening en bevoegdheid om voor te gaan in de eredienst zal het opzichtcollege moeten overwegen of er sprake is van veronachtzaming of misbruik (ord. 10-9-7). Het zijn, net als bij belijdenis en wandel, open normen die nadere invulling behoeven. In de beoordeling van de zaak kan bij kerkelijk werkers en predikanten wat betreft hun kerkelijke positie gerefereerd worden aan de Beroepscode en gedragsregels voor predikanten en kerkelijk werkers om te bepalen of sprake is van veronachtzaming of misbruik (GR 4-7-1; 5-4a-1). Bij kerkelijk werkers gaat het alleen om degenen die als zodanig werkzaam zijn (GR 4-1-1 sub a). Bij predikanten geldt de beroepscode volgens de kerkorde alleen voor gemeentepredikanten (GR 5-1-1 sub c; 5-4a). Het is echter een door de synode aanvaard document en kan op die basis ook op andere predikanten worden toegepast.

Als het college van opvatting is dat veronachtzaming of misbruik aan de orde is, dan heeft het een vijftal opties, in oplopende zwaarte. Ze lopen min of meer synchroon met de middelen bij belijdenis en wandel: een terechtwijzing; een ambtelijke vermaning; een schorsing voor bepaalde tijd in het ambt, de bediening of de toegekende bevoegdheden; een schorsing voor onbepaalde tijd; en ten slotte de ontzetting uit ambt of bediening dan wel het ontnemen van toegekende kerkelijke bevoegdheden (ord. 10-9-7 sub a t/m e). Het verschil tussen een schorsing voor bepaalde en een voor onbepaalde tijd bestaat hierin dat in het tweede geval het opzichtcollege na een te bepalen termijn van maximaal drie jaar de zaak opnieuw moet beoordelen. Het heeft naast voorzetting van de schorsing voor onbepaalde tijd twee mogelijkheden: terugkeer in ambt, bediening of bevoegdheid, of ontzetting daaruit. Bij voortzetting van de schorsing zal opnieuw een termijn moeten worden bepaald. Een verzoek tot opheffing kan ook eerder dan de afgesproken termijn aanhangig worden gemaakt door de betrokkene en/of een betrokken ambtelijke vergadering. Als dat niet leidt tot een ander oordeel van het college, zal na de oorspronkelijk vastgestelde periode van maximaal drie jaar de zaak opnieuw bekeken moeten worden (GCO 2016/C.1). Zie verder § 21.9, over het herstel van verhoudingen.

Het doel van supervisie is herstel van vertrouwen en verbetering van het functioneren van de betrokkene

Behalve bij de maatregelen van terechtwijzing en ontzetting, moet het college bovendien overwegen de betrokkene supervisie op te leggen (ord. 10-9-8; zie ook het protocol ‘Supervisie’). Dit heeft als doel: ‘herstel van vertrouwen en verbetering van het functioneren van de betrokkene’. De maatregel is eenmalig en heeft een maximumduur van drie jaar. Hij kan volgens het protocol ‘Supervisie’ behalve op predikanten ook op kerkelijk werkers worden toegepast, maar niet op overige ambtsdragers. Als de betrokkene naast een ambtelijke vermaning of een schorsing supervisie opgelegd gekregen heeft, maar deze heeft niet de beoogde uitwerking, dan kan de kleine synode besluiten het college voor de ambtsontheffing te verzoeken de betrokkene van het ambt te ontheffen (ord. 3-21-1; zie § 16.6).

Ord. 10-10-4 vermeldt aan wie – binnen dertig dagen – een besluit tot toepassing van een middel van kerkelijke tucht in afschrift moet worden toegezonden (vgl. ord. 10-10-3). Dat zijn niet alleen de direct betrokkenen, maar ook bijvoorbeeld het generale college voor het opzicht en de kleine synode. Wordt geen tucht toegepast, dan volstaat toezending aan de direct betrokkenen en aan het generale college voor het opzicht (ord. 10-10-5). Dat laatste is onder meer van belang met het oog op het door dat college te schrijven periodieke verslag (ord. 10-10-7).

Mocht ten gevolge van de uitspraak ten aanzien van een predikant een recht op wachtgeld ontstaan, dan dient dit aan de beheercommissie centrale kas predikants-traktementen te worden gemeld (GR 11-6-5; 5-31; vgl. ord. 10-10-4).

21.4.5   In beroep

En dan? Waar de mogelijkheden voor het aanreiken van een zaak voor het opzicht zeer ruim zijn, zijn die voor het instellen van beroep beperkt. De mogelijkheid staat in de eerste plaats open voor degene op wie tucht is toegepast. Ook als geen tuchtmaatregel is toegepast maar de betrokkene zich niet kan verenigen met de gronden daarvoor, is beroep mogelijk (ord. 10-11-1). Vervolgens is er de eventuele beschuldiger die het niet eens is met het genomen besluit of de gegeven motivering (ord. 10-11-2): ook die kan in beroep gaan, evenals de kerkenraad (ord. 10-11-4).

Tegen een klacht aangaande belijdenis en wandel in het kader van een lokale verkiezingsprocedure, is alleen beroep mogelijk als het bezwaar gegrond wordt verklaard (ord. 3-6-8). De gedachte daarachter is enerzijds dat langdurige procedures zich slecht verdragen met de verkiezingsprocedure en dat deze zaken dus zo mogelijk in enkele aanleg afgedaan moeten kunnen worden, maar anderzijds dat iemand wiens reputatie op het spel staat, zich wel tot op het hoogste niveau moet kunnen verweren.

De bepalingen laten geen ruimte voor een pro-formaberoep

Beroep moet binnen dertig dagen worden ingesteld bij het generale college (ord. 10-7-3; ord. 10-11-5). Dat dient ‘schriftelijk en gemotiveerd’ te gebeuren. De kerkordelijke bepalingen voor het opzicht laten geen ruimte voor een zogenaamd pro-formaberoep, waarbij de gronden voor het beroep later worden ingediend. Uitstel zou zich ook slecht verdragen met de aard van het opzicht, waarbij het persoonlijk leven van leden van de kerk in het geding is. De eventuele beschuldiger moet beseffen dat beroep de inwerkingtreding van een opgelegde tuchtmaatregel opschort (ord. 10-11-6). Deze kan in het beroepschrift zijn/haar zorg hieromtrent uiten. Het generale college kan namelijk op grond van ‘feiten en omstandigheden’ lopende het vervolgonderzoek wel dringend adviseren dat de beschuldigde zich terughoudend opstelt ten opzichte van het gemeenteleven, ook als dat in eerste aanleg niet is gebeurd (vgl. ord. 10-9-3). Dat geldt ook voor de voorlopige maatregel dat het ambt of de bediening niet mag worden uitgeoefend (vgl. ord. 10-9-4). Zie voor deze maatregelen ook § 21.4.3.

De bezwaren kunnen in beroep zowel de zaak zelf betreffen als procedurele kwesties die in eerste aanleg gespeeld hebben. Het onderzoek verloopt vervolgens op dezelfde wijze als in eerste aanleg, met eerst een schriftelijke ronde en vervolgens een zitting.

Elk classicaal college zendt zijn besluiten toe aan het generale college (ord. 10-10-4). Ook als geen beroep is ingesteld, kan het generale college een zaak in behandeling nemen en het besluit vernietigen (ord. 10-11-8). Het is hiertoe bevoegd ‘in het belang van de eenheid van de behandeling van bezwaren inzake belijdenis en wandel’ (GR 11-18-1). Het gaat dus vooral om uitspraken die sterk afwijken van wat in soortgelijke gevallen gebruikelijk is. Als het generale college geen gebruik maakt van deze mogelijkheid, geeft het daarmee impliciet aan dat een uitspraak past binnen wat algemeen gebruikelijk geacht moet worden.

Vergelijkbaar met de eerste aanleg is ook de gang van zaken rond de uitspraak. De criteria en de maatregelen zijn dezelfde. Als het generale college een voorgelegde zaak vernietigt, kan het een zaak zelf afdoen, die terugverwijzen naar de instantie die in eerste aanleg de uitspraak deed, of verwijzen naar een door hem aan te wijzen classicaal college (ord. 10-11-9). Alleen geldt voor de uitspraak van het generale college dat er voor de verzending in afschrift geen verschil wordt gemaakt tussen het wel en niet opleggen van tuchtmaatregelen (vgl. ord. 10-11-10).

21.5    Categorie 2: gemeenteleden zonder ambt, bediening of bevoegdheid om voor te gaan

21.5.1   Wie, wat en hoe

In deze tweede categorie gaat het om opzicht over gemeenteleden zonder ambt, bediening of bevoegdheid om voor te gaan. Hiertoe behoren naast de ‘gewone’ leden ook de gastleden (GR 3-6-3). Strikt genomen had deze regel beter in de ordinanties – dus in ord. 2 of ord. 10 – verankerd kunnen zijn. Daar worden leden en gastleden immers juist van elkaar onderscheiden (ord. 2-2-1) en richt het opzicht zich op de leden van de gemeente (ord. 10-7-1). De generale regeling maakt echter niet alleen duidelijk dat de kerkenraad bij het aanvragen en toekennen van het gastlidmaatschap het opzicht over de gastleden aanvaardt. De kerkenraad moet zich er ook van vergewissen dat het gastlid zich onder het opzicht van de kerk stelt en dit in voorkomend geval aan kunnen tonen (GR 3-4-1). Er is dus sprake van een vrijwillige aanvaarding van het opzicht. Bij gastleden geldt verder dat over besluiten inzake het opzicht overleg gepleegd moet worden met het geëigende orgaan van de kerk van dat gastlid (GR 3-7-2).

Naar de letter van de ordinanties vallen ongedoopten en vrienden niet onder het opzicht. Zij behoren immers niet tot de ‘leden van de gemeente’ die in ord. 10-7-1 genoemd worden (vgl. ord. 2-2-1), en zijn ook niet met leden gelijkgesteld zoals de gastleden. Vrienden die lid zijn van een andere gemeente van de kerk vallen onder het opzicht van die gemeente.

Als het opzicht iemand betreft die een ambt bekleedt of iemand met een kerkelijke bevoegdheid, kan dat niet buiten beschouwing blijven (ord. 10-9-6; zie § 21.4), ook als de beschuldiging in feite hem of haar als lid van de gemeente betreft. In dat geval moet de classicale vergadering en bij een eventuele tuchtmaatregel het classicale college voor het opzicht de zaak overnemen (ord. 10-7-2).

Waarover kan het gaan? Het zal vooral gaan over de belijdenis en wandel van het betrokken lid. Denk bijvoorbeeld aan een conflict met onverkwikkelijke gebeurtenissen en uitlatingen waardoor gemeenteleden niet meer avondmaal met elkaar kunnen vieren. Of keer op keer in het openbaar gedane uitspraken die qua inhoud zo ver af liggen van wat in de gemeente gemeengoed is, dat zij ontwrichtend werken. Daarnaast kan de tucht in deze categorie betrekking hebben op de wijze waarop iemand omgaat met een functie in de gemeente, zonder dat het gaat om een ambt, een bediening, het lidmaatschap van een van de vermogensrechtelijke colleges, de bevoegdheid om voor te gaan in de eredienst, of een andere kerkelijke bevoegdheid (zie § 21.4). Te denken valt aan het geven van catechese, pastoraal bezoekwerk of het boekhouderschap van een vermogensrechtelijk college.

Voor het overige geldt hetzelfde als in de vergelijkbare paragraaf over de eerste categorie is vermeld (zie § 21.4).

21.5.2   De eerste stappen

Voor de eerste stappen zij verwezen naar hetgeen daarover bij de eerste categorie geschreven is. In plaats van de classicale vergadering komt de kerkenraad, in plaats van het classicale college het college van predikant(en) en ouderlingen.

Als de onafhankelijkheid gevaar loopt, kan het lokale opzichtcollege besluiten de zaak over te doen aan het classicale college

Zeker in een plaatselijke (wijk)gemeente is het goed denkbaar dat een college van predikant(en) en ouderlingen direct of gaandeweg tot de conclusie komt dat de zaak hun eigen mogelijkheden te boven gaat. Mogelijk is de gemeente maar klein en is het daardoor moeilijk afstand te nemen. Ook is denkbaar dat mede daardoor een of meer leden van het plaatselijk college worden gewraakt (GR 11-7). Het opzichtcollege is in dit verband namelijk een rechtsprekend college! Maar ook als het college afgaande op eigen waarnemingen tot onderzoek overgaat, vereist dat bijzondere aandacht, omdat het dan én als aanklager én als rechter optreedt. Als de onafhankelijkheid op wat voor manier dan ook gevaar loopt, kan het college besluiten de zaak over te doen aan het classicale college (ord. 10-7-6). Dat treedt dan op in plaats van het lokale opzichtcollege.

21.5.3   Onderzoek

Zie voor de onderzoeksfase § 21.4.3.

21.5.4   Uitspraak

Alvorens het plaatselijke opzichtcollege van predikant(en) en ouderlingen tot een definitief oordeel komt, dient het advies te vragen van het classicale college voor het opzicht (ord. 10-7-1). In het hoogst uitzonderlijke geval dat het gaat om het verbroken achten van de gemeenschap met de kerk, is zelfs instemming nodig van dit college (ord. 10-9-9).

De regels schrijven niet voor of het opzichtcollege het gehele dossier overlegt en het classicale college daarover hoort, of dat het een voorlopig besluit neemt en dat voorlegt. Ten minste twee derde van het in de plaatselijke regeling vastgestelde aantal leden van het college van predikant(en) en ouderlingen dient bij de behandeling betrokken te zijn en zich achter het uiteindelijke tuchtbesluit te scharen (ord. 10-10-2). Het college kan de zaak dus niet aan een commissie uit zijn midden delegeren.

Het college moet zich beperken tot belijdenis en wandel (ord. 10-9-6). Waar het gaat om een functie zoals in § 21.5.1 genoemd – bijvoorbeeld het geven van catechese, pastoraal bezoekwerk of het boekhouderschap van een vermogensrechtelijk college –, is vervolgens het kerkelijk lichaam dat de betrokkene benoemde, aan zet. Dat zal zelfstandig een afweging moeten maken of de betrokkene in het licht van de tuchtuitspraak de functie kan blijven uitoefenen. De betrokkene kan bij een eventuele negatieve beslissing de bezwarenprocedure volgen (zie hoofdstuk 22).

De criteria die het college ten aanzien van belijdenis en wandel dient te hanteren zijn globaal omschreven: onchristelijke belijdenis, onchristelijke levenswandel en een andere wijze van verstoren van de orde in het leven en werken van de kerk (ord. 10-9-6; zie voor de bijzondere verbondenheid met bepaalde belijdenisgeschriften § 19.3).

Een opzichtcollege is niet verplicht iemand die schuldig is een tuchtmaatregel op te leggen

Het college kan op basis van het verrichte onderzoek concluderen dat er geen grond is voor het aannemen van tuchtwaardig gedrag. Als het gedrag van de beschuldigde aan een van de criteria voldoet, kán het opzichtcollege een of meer maatregelen opleggen. Het is daartoe dus niet verplicht. Het doel van de tucht zal nadrukkelijk meegenomen moeten worden in de overwegingen. Het college heeft daarbij in eerste instantie de keuze uit een viertal maatregelen: een terechtwijzing; een vermaning om terug te keren van de onchristelijke weg in belijdenis en/of wandel; een ernstige vermaning dat door deelname aan het avondmaal in de bestaande situatie de gemeenschap geschaad zou worden; een schorsing voor bepaalde of onbepaalde tijd in de uitoefening van zowel het actief als het passief kiesrecht (ord. 10-9-6 sub a t/m d). De formulering bij het avondmaal geeft enerzijds aan dat volgens het opleggend college deelname aan de maaltijd van de Heer schadelijk is voor de vierende gemeente en daarom van deelname afgezien dient te worden, en anderzijds dat de uiteindelijke verantwoordelijkheid voor het al dan niet deelnemen bij de betrokkene ligt.

Naast de voorgaande maatregelen is er bij ‘ergerniswekkende hardnekkigheid’, als er al eerder een of meer maatregelen zijn toegepast, een vijfde mogelijkheid: het door de houding van de beschuldigde verbroken achten van de gemeenschap met gemeente en kerk (ord. 10-9-9). De bepaling geeft aan dat de beschuldigde in feite door zijn/haar handel en wandel zichzelf buitenspel heeft gezet en dat het college dit constateert. Men zou op grond van de tekst kunnen denken dat de lichtste tuchtmaatregel, een terechtwijzing, al voldoende is om in een volgende stap meteen maar ‘de gemeenschap met gemeente en kerk verbroken te achten’. Dat doet echter geen recht aan de ernst van de gebezigde formuleringen. Qua woordgebruik is deze meest verstrekkende tuchtmaatregel bij geconstateerde hardnekkigheid de overtreffende trap van de ernstige vermaning die plaatsvindt bij ‘de kennelijke verharding tegen het Woord’. Het ligt derhalve voor de hand dat in een eerder stadium in ieder geval dit tuchtmiddel is toegepast.

21.5.5   In beroep

Zie voor een beroepsprocedure § 21.4.5.

21.6    Een bijzondere situatie: misbruik van pastorale relaties of gezagsrelaties

Het tuchtrecht kent in zaken van de eerste en tweede categorie een aantal bijzondere regels voor situaties van misbruik. Dit wordt als volgt gedefinieerd: ‘misbruik van macht en vertrouwen door degene die in een ambt of een dienst staat, een kerkelijke functie vervult of kerkelijke bevoegdheden uitoefent, in een pastorale relatie of in een relatie die betrokkene uit hoofde van dit ambt, deze dienst, functie of bevoegdheden onderhoudt, in de vorm van seksuele handelingen of toespelingen op of uitnodigingen tot seksueel contact dan wel van ander intimiderend gedrag, alles al dan niet onder druk van geheimhouding’ (GR 11-17-1).

Het kan ook gaan om ander intimiderend gedrag

Meestal wordt bij misbruik gedacht aan seksueel misbruik. Wie goed leest, ontdekt dat de definitie zich daartoe echter niet beperkt. Het kan ook gaan om ‘ander intimiderend gedrag’, bijvoorbeeld de dreiging bepaalde vertrouwelijke informatie openbaar te maken. Doorgaans zal men bij de mogelijke plegers van misbruik denken aan de hiervoor omschreven eerste categorie: ambtsdragers, mensen in een bediening en zij die de bevoegdheid hebben om voor te gaan. De kring wordt evenwel ruimer getrokken. Het kan ook gaan om mensen uit de tweede categorie, zoals iemand die in het kerkelijk jeugdwerk actief is (vgl. ord. 9-1-1 en 9-6-4,5) of de beheerder van een gebouw (GCO 2012/C.2). GR 11-17 spreekt van bezwaar en bezwaren inzake misbruik. Deze vallen uiteraard niet onder de in het volgende hoofdstuk nog te bespreken bezwaarprocedures, maar betreffen het opzicht.

Het zal duidelijk zijn dat misbruik hoe dan ook diep ingrijpt in het kerkelijk leven. Zorgvuldigheid is daarom op haar plaats. Misbruik moet gestopt. Maar ook zal voorkomen moeten worden dat er op onterechte gronden procedures worden gestart met verstrekkende gevolgen voor de betrokkenen. De situaties kunnen sterk verschillen, de regels daarmee ook. De Protestantse Kerk heeft daarom een brochure doen verschijnen waarin de meest voorkomende situaties worden uitgewerkt.

GR 11-17 biedt een aantal extra waarborgen voor de behandeling van misbruiksituaties. Zij komen in plaats van of boven op de algemene regels voor het opzicht die in de kerkorde te vinden zijn. De eerste is dat zodra de desbetreffende ambtelijke vergadering en/of het desbetreffende opzichtcollege met misbruik geconfronteerd wordt, zij door de generale synode benoemde deskundigen inschakelen (GR 11-17-3,4,5). Een college wordt bij een misbruikzaak uitgebreid met twee van deze deskundigen die stemhebbend zijn en meegeteld worden bij het vaststellen van de voor tucht benodigde twee derde meerderheid (vgl. ord. 10-10-2). Bij een beroep schakelt het generale college andere deskundigen in dan degenen die in eerste instantie betrokken waren (GR 11-17-4).

Als een ander dan de misbruikte of diens wettelijke vertegenwoordiger het bezwaar heeft ingediend, is de hoofdregel dat behandeling alleen mogelijk is als de misbruikte bereid is een verklaring af te leggen (GR 11-17-6). Hierop bestaan twee uitzonderingen: als het bezwaar is ingediend door de kerkenraad van de beschuldigde, of door het breed moderamen van de classicale vergadering waartoe de gemeente van de beschuldigde behoort, én het opzichtcollege van oordeel is dat het ‘kerkelijk belang’ met behandeling gediend is; en/of als er meer feiten en omstandigheden bekend zijn die tot een onderzoek volgens ord. 10-9-1 aanleiding geven (GR 11-17-7). Dit laatste geldt ook als de misbruikte zijn/haar bezwaar intrekt (GR 11-17-8).

Op verzoek van een van hen worden de betrokkenen afzonderlijk gehoord

De confrontatie tussen beschuldigde en beschuldiger kan pijnlijk zijn, in het bijzonder ten overstaan van een volledig opzichtcollege. De kerkorde kent daarom twee bijzondere bepalingen voor misbruiksituaties. Een college kan gevraagd en ongevraagd ‘om andere bijzondere redenen’ het horen doen plaatsvinden door een van de deskundigen en een ander lid van het college (GR 11-17-9). Op verzoek van een van hen worden de betrokkenen afzonderlijk gehoord (GR 11-17-10). Het college zal anders dan in een reguliere procedure altijd gehoor moeten geven aan een dergelijk verzoek (vgl. GR 11-15-3). Van de zitting wordt een verslag gemaakt. De vereisten voor vaststelling en verspreiding staan in GR 11-17-9,10.

De bewijsvoering in misbruiksituaties is vaak verre van eenvoudig. In het algemeen geldt hetgeen de strafrechter bij een onherroepelijke uitspraak als feiten heeft aangenomen ‘als waar (…), tenzij tegenbewijs wordt geleverd’ (ord. 10-9-11; zie ook § 20.1). Doorgaans zal het afwachten van een dergelijke uitspraak op gespannen voet staan met de verplichting een zaak ‘zonder vertraging tot een afronding te brengen’ (GR 11-4-3). GR 11-17-11 biedt het behandelend college expliciet de mogelijkheid toch op een afronding door het Openbaar Ministerie of de strafrechter te wachten. Ook andere motieven kunnen bij de keuze een rol spelen, bijvoorbeeld de wens om de overheid in dezen niet voor de voeten te lopen. Als voor uitstel gekozen wordt, moet het college daarbij ook overwegen of toepassing van ord. 10-9-4 geboden is, het opschorten van de vervulling van ambt of bediening als daar ernstige bezwaren tegen zijn gerezen (vgl. § 21.4.3). Hoewel ord. 10-9-3, het ernstige advies zich terughoudend op te stellen ten aanzien van deelname aan het gemeenteleven, hier niet expliciet genoemd wordt, kan ook daarvan in voorkomende gevallen gebruik worden gemaakt.

Enkele bepalingen regelen bij misbruik de bijzondere afhandeling als eenmaal een uitspraak is gedaan. Zo kan het opzichtcollege besluiten om op verzoek van de beschuldiger dan wel van degene die het misbruik betreft, de naam van de een dan wel van de ander niet te vermelden in de voorgeschreven afschriften (GR 11-17-12; zie ook het protocol ‘Publicatie uitspraken’). Het generale college voor het opzicht moet de uitspraken en de achterliggende stukken voor een periode van twintig jaar bewaren (GR 11-17-13; zie ook het protocol ‘Informatie en register’). Het verstrekt een classicaal college dat daarom verzoekt bepaalde informatie over eerdere zaken. Het houdt aan de hand van een daartoe opgesteld protocol een register bij van zaken waarin een tuchtmaatregel is toegepast, en voorziet door de kleine synode aangewezen kerkelijke organen van de desbetreffende gegevens.

21.7    Categorie 3: geroepenen tot verkondiging, catechese en predikantenopleiding

Een geheel eigen categorie is de zogenaamde leertucht, die, zoals het woord al aangeeft, betrekking heeft op iemands leer. Alleen al de krachtige bewoordingen geven aan dat toepassing van leertucht zeer uitzonderlijk is. Het gaat om situaties waarin de fundamenten van de kerk worden aangetast, de gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift wordt uitgesloten en de gemeenschap met de belijdenis van het voorgeslacht verbroken wordt (ord. 10-13-1). De procedure om dit vast te stellen is uitvoerig en daarmee met tal van waarborgen omkleed.

Wie kan leertucht treffen? Hoewel in de uitwerking vooral over predikanten gesproken wordt, heeft deze afdeling van het tuchtrecht betrekking op allen die geroepen zijn tot de verkondiging en de catechese, alsmede de predikantenopleiding (ord. 10-13-2,3). Zo vallen kerkelijk werkers en anderen met preekconsent eronder (GR 10), maar ook docenten die geen predikant zijn en een rol hebben in de vorming en opleiding van predikanten (vgl. ord. 13-6-4), alsmede strikt genomen ook gemeenteleden die catechese geven (vgl. ord. 9-3-5). In het navolgende wordt gemakshalve van predikanten gesproken.

Hoewel de procedure deels de kenmerken heeft van kerkelijke rechtspraak, valt die niet onder de nadere bepalingen van GR 11 (vgl. GR 11-1-1 sub a). Het opzicht van de classicale vergaderingen zoals dat in ord. 10-14 beschreven is (zie § 17.7), draagt voor deze categorie het karakter van de principieel aan de tuchtuitoefening voorafgaande ‘pastorale samenspreking en vermaan’ (ord. 10-14-2; vgl. ord. 10-6-2). Dat wordt wezenlijk anders bij het ingaan van de procedure van ord. 10-15, het opzicht door de generale synode (zie § 18.8): dan is immers de classicale vergadering al tot een negatief oordeel gekomen. Maar ook de synode neemt zelf geen tuchtmaatregelen.

Het is in deze categorie van de tucht de classicale vergadering zelf die het voortouw neemt. Als die vermoedt dat er sprake is van aantasting van de fundamenten van de kerk, dan geeft zij, na de betrokken kerkenraad gehoord te hebben, aan het classicale college voor de visitatie opdracht een onderzoek in te stellen (ord. 10-14-1). Zo nodig probeert het college de betrokkene op andere gedachten te brengen (ord. 10-14-2). De visitatoren sturen een verslag van hun werkzaamheden aan de classicale vergadering, die vervolgens een besluit neemt over het al dan niet voortzetten van de zaak (ord. 10-14-3,4).

Gelet op het gewicht van de zaak en de aard van de aanpak, is het niet anders dan fair dat de beschuldigde zich mag laten bijstaan door deskundigen op theologisch en juridisch terrein

Besluit ze tot voorzetting, dan vinden twee gesprekken plaats met de betrokkene, waarbij ook theologisch deskundigen betrokken worden en van advies dienen (ord. 10-14-5,6). In de bepalingen is niet – zoals bij een eventuele volgende fase, in de zitting van de generale synode – expliciet voorzien in bijstand door een of twee belijdende leden van de kerk (ord. 10-15-3). Toch zal gelet op de ernst van de zaak ook in de classicale fase aan de belangrijkste waarborgen voor de kerkelijke rechtspraak moeten worden voldaan. De beschuldigde mag zich dus laten bijstaan door deskundigen op theologisch terrein, en zal desgewenst ook aanspraak mogen maken op bijstand door een raadsman of -vrouw, mits deze belijdend lid van de kerk is. Ook zal betrokkene toegang verschaft moeten worden tot alle stukken in het dossier. Waar het niet wenselijk is dat de predikant werkzaamheden verricht, zal het breed moderamen van de classicale vergadering en/of de classispredikant gebruik moeten maken van de vrijstelling van werkzaamheden in ord. 3-19, onder de daar gegeven condities.

Als de classicale vergadering van oordeel is dat de opvattingen van de betrokkene ‘zich niet meer bewegen in de weg van het belijden van de kerk en daarmee de fundamenten van de kerk aantasten’, dan legt zij de zaak beargumenteerd aan de generale synode voor (ord. 10-14-6,7). Kiest zij er na rijp beraad voor om dit niet te doen, dan staat daartegen volgens het generale college voor bezwaren en geschillen slechts beroep open voor bezwaarden uit het eigen ressort (vgl. GCBG 2010/01; 2010/R-27; vgl. 2010/21).

Het onderzoek wordt op landelijk niveau voortgezet. Een commissie van de generale synode bereidt de zaak voor en stelt de predikant in de gelegenheid schriftelijk op het oordeel van de classicale vergadering te reageren (ord. 10-15-1,2). Tevens wordt advies gevraagd van enkele landelijke organen. De predikant krijgt vervolgens de gelegenheid zijn of haar standpunt mondeling toe te lichten en te onderbouwen, desgewenst bijgestaan door een of twee belijdende leden van de kerk (ord. 10-15-3). Op grond van dit alles spreekt de synode zich uit over de beschuldigingen.

De synode spreekt zich zelf niet uit over de consequenties van deze uitspraak. In het geval de synode meent dat het belijden van de kerk wordt aangetast, krijgt de predikant een termijn om zich naar dat oordeel te voegen en de omstreden opvattingen voortaan niet meer naar voren te brengen (ord. 10-15-4,5). Het is denkbaar dat de predikant op grond van dit oordeel tot de conclusie komt dat in de kerk voor hem of haar als predikant geen plaats is en ontheffing van het ambt vraagt, of zelfs zich aan de gemeenschap van de kerk onttrekt. Dit kan uiteraard op elk moment van de procedure voorkomen. Als de predikant bij de omstreden opvattingen blijft en het oordeel niet aanvaardt, of als hij of zij niet binnen de gestelde termijn reageert, dan wordt de zaak voorgelegd aan het generale college voor het opzicht dat gebruik kan maken van de tuchtmaatregelen in ord. 10-9-7,9 (ord. 10-15-6). De maatregelen van ord. 10-9-6,8 zijn kennelijk in een situatie als deze uitgesloten, al worden zij in ord. 10-9-7 wel genoemd als mogelijk toepasselijk. Toepassing van ord. 10-9-9 – het uitspreken dat de gemeenschap met gemeente en kerk verbroken wordt geacht – is in dit geval blijkbaar ook toegelaten zonder dat eerst een andere tuchtmaatregel is toegepast (zie § 21.4.4). De voorafgaande procedure van ord. 10-14,15 dient dan in zijn geheel als oproep tot bekering.

De regelgeving laat in deze procedure met name in hoogste instantie veel open, al is het de vraag of gelet op de aard en ernst van dit type zaken niet méér sluitende bepalingen nodig zijn. Gelukkig heeft de kerk er tot op heden geen ervaring mee opgedaan op synodaal niveau.

21.8    Herziening

Er kunnen zich situaties voordoen waarin bij het nemen van een tuchtmaatregel in hoogste instantie niet alle relevante feiten en omstandigheden bekend waren. Denk aan bepaalde stukken die niet beschikbaar waren, of een getuige die pas later naar voren treedt.

Herziening kan ook plaatsvinden ten aanzien van een maatregel die iemand is opgelegd die inmiddels overleden is

Als het generale college van opvatting is dat de nieuwe ‘feiten en omstandigheden’ aanleiding zouden kunnen geven tot een ander besluit, dan kan het overgaan tot herziening (ord. 10-12-1). De formuleringen zijn zo ruim, dat eigenlijk iedereen deze kan aandragen. Het kan ook betrekking hebben op een maatregel die iemand is opgelegd die inmiddels overleden is (GCO 2013/B.7). Het generale college neemt een beslissing die alsnog rekening houdt met de nieuw aangereikte feiten en omstandigheden.

21.9    Herstel

Zoals uit de inleiding op het opzicht al duidelijk is geworden, zijn de procedures waar mogelijk gericht op herstel. Maatregelen voor onbepaalde tijd kunnen worden opgeheven door het college dat zich het laatst over de zaak gebogen heeft, als berouw is gebleken (ord. 10-9-10). Het college is hierin autonoom. Leden of kerkelijke lichamen die eerder bij de zaak betrokken waren, kunnen er geen invloed op
uitoefenen als een college zou besluiten tot opheffing van de opgelegde maatregel(en). Niettemin hebben zij twee mogelijkheden om de zaak weer aan de orde te stellen. Zij kunnen vragen om een herziening (ord. 10-12-1), of de zaak opnieuw aanhangig maken. In beide gevallen moeten zij dan nieuwe feiten aandragen. Bij de herziening vanwege het kerkordelijk voorschrift, bij het opnieuw aanhangig maken omdat op grond van het juridische principe ‘ne bis in idem’ een tweede veroordeling voor exact dezelfde zaak niet mogelijk is.

Predikanten die voor onbepaalde tijd geschorst zijn, kunnen bij berouw en/of het terugkomen op de eerder ingenomen, door de kerk afgewezen theologische positie onder bepaalde voorwaarden hun ambt weer vervullen (ord. 10-9-10; vgl. ord. 10-9-7 sub d en e; bij leertucht ord. 10-15-7). Voor situaties van misbruik is voor terugkeer niet alleen oprecht en gebleken berouw van belang, maar toetst het betrokken college ook op verzoening, zoals dat is uitgewerkt in het protocol ‘Verzoening’ (vgl. ord. 10-6-4; GR 11-17-14). In alle gevallen betekent herstel na een schorsing voor onbepaalde tijd een lange weg, waarbij in beginsel onder meer opnieuw een onderzoek wordt gedaan naar de geschiktheid en het colloquium opnieuw moet worden afgelegd (vgl. ord. 3-26-2). Het opzichtcollege dient zich ervan te vergewissen dat de predikant aan deze voorwaarden heeft voldaan. Na toepassing van de tuchtmaatregel ontzetting uit het ambt dient eveneens de route van ord. 3-26-2 opnieuw te worden gevolgd, hoewel dat niet met zoveel woorden in ord. 10-9-7 sub e is gesteld (GCBG 2013/23).


Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken