De kerkelijke rechtspraak
20.1 Waar het om gaat
De titel van dit hoofdstuk is afkomstig uit GR 11 die ‘kerkelijke rechtspraak’ als opschrift draagt, een term die niet in de Romeinse artikelen en ordinanties voorkomt. Wie even verder kijkt, ontdekt dat het in GR 11 meer specifiek om een drietal terreinen gaat. Het eerste is te vinden in ord. 10, met als titel ‘Het opzicht’, het tweede in ord. 12, met als opschrift ‘De behandeling van bezwaren en geschillen’, inclusief de eigen aanpak van enkele vermogensrechtelijke situaties in ord. 11. In de derde plaats biedt GR 11 regelingen voor de toepassing van ord. 3-20 en 3-21, waar het gaat over het losmaken van predikanten en de ontheffing uit het predikantsambt. De overeenkomst tussen deze drie ligt in het feit dat er een onafhankelijk oordeel geveld wordt over conflicten betreffende personen en zaken die in een direct verband staan met de kerk.
In het opzicht gaat het over de handel en wandel van personen, zowel gemeenteleden als ambtsdragers. Het wordt ook wel getypeerd als tucht. Bij bezwaren en geschillen gaat het met name om zaken, maar in geschillen ook om de onderlinge verhouding tussen kerkelijke lichamen. Maar er is ook een verschil: de regeling van de ambtsontheffing heeft een heel eigen karakter: er is formeel geen sprake van een conflict of van misdragingen, en dus ook niet van rechtspraak. Daarom wordt die procedure elders in de Toelichting besproken (zie § 15.3).
De grote nadruk op procedures en formaliteiten komt op uit een diepe, inhoudelijke overtuiging
In alle gevallen biedt de kerkorde handvatten om zaken die vaak gevoelig liggen, ordentelijk te doen verlopen. Er ligt dan ook een grote nadruk op procedures en formaliteiten. Die nadruk komt echter op uit een diepe, inhoudelijke overtuiging. Dat blijkt ook uit het feit dat enkele van de navolgende citaten terug te vinden zijn in de grondleggende Romeinse artikelen. Zo is het opzicht ‘gegrond in de barmhartigheid van Jezus Christus’ (art. XII-1 KO; ord. 10-1-1), en gaat het bij bezwaren en geschillen om het onderhouden ‘van het recht, met inachtneming van de rechtvaardigheid en de liefde’ (ord. 12-1-1).
Onwillekeurig komt bij de voorgaande alinea een vergelijking op met het wereldlijk recht. Het opzicht kent overeenkomsten met het strafrecht en vooral met het daarmee verwante tuchtrecht. Bij het laatste kan gedacht worden aan het tuchtrecht van beroepsgroepen, zoals doctoren en advocaten, maar ook aan verenigingen, bijvoorbeeld in de sport. Soms is het iemand vanwege een bepaald gedrag verboden deel te nemen aan wedstrijden. De behandeling van bezwaren en geschillen lijkt in haar uitwerking in sterke mate op het bestuursrecht, dat bijvoorbeeld betrekking heeft op de aanvraag voor een vergunning.
De wereldlijke rechtspraak in ons land is gehouden de normen van art. 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens in acht te nemen, het recht op een eerlijk proces (‘right to a fair trial’). Dat betekent dat hoor en wederhoor wordt toegepast, beide partijen recht hebben op dezelfde informatie, er een recht bestaat op een raadsvrouw/-man, de rechter onafhankelijk en onpartijdig dient te zijn enzovoort. De kerkelijke rechtspraak is hiertoe niet zonder meer verplicht. Niettemin neemt de kerk zulke fundamentele rechten serieus. Daarom zijn deze principes zo veel mogelijk in de regelgeving verwerkt.
De gewenste zorgvuldigheid zal steeds afgewogen moeten worden tegen een voortvarende aanpak
Hoewel woorden als zorgvuldig en zorgvuldigheid in de ordinanties in het geheel niet voorkomen en in GR 11 slechts sporadisch, zijn ze leidraad in de procedures. De gewenste zorgvuldigheid zal echter steeds afgewogen moeten worden tegen een voortvarende aanpak, in het bijzonder waar het mensen persoonlijk treft (vgl. GR 11-4; ord. 10-10-6). Een zaak moet goed worden onderzocht. Als het echter te lang gaat duren, schaadt dat niet alleen de direct betrokkenen, maar uiteindelijk heel de kerk. Pers en social media zullen mogelijk druk op de zaak zetten en verantwoordelijken zoeken. Een zaak moet daarom ‘onverwijld’, in opzichtzaken in ieder geval binnen twee maanden, in behandeling worden genomen. De beschuldigde moet duidelijkheid verschaft worden over de beschuldiging en de procedure die hem/haar te wachten staat. De ambtelijke vergaderingen en colleges moeten erop gericht zijn zaken ‘zonder vertraging’ af te doen (GR 11-4). Dat sluit dus niet uit dat er toch de nodige tijd overheen gaat.
Een ander punt op het gebied van de zorgvuldigheid betreft de geheimhoudingsplicht, zoals die in ord. 4-2 omschreven is (zie § 8.6). Wat iemand in ambt, functie of dienst, en in een taak vanwege gemeente of kerk ter kennis komt en een vertrouwelijk karakter draagt, behoort tot de geheimhouding, ook na beëindiging van ambt, dienst, functie of taak. Ook de kerkelijke rechtspraak heft de geheimhoudingsplicht niet zonder meer op. Voor zover dat nodig en mogelijk is, kan iemand zich met het beroep op deze plicht verschonen, dat wil zeggen: zich geheel of gedeeltelijk onttrekken aan de rechtsgang. Een andere situatie is het als iemand zelf beschuldigd wordt. We willen in dit verband wijzen op een tweetal uitspraken. De eerste is van een regionaal (we zouden nu zeggen: classicaal) college voor het opzicht uit 2013. Inzake het mogen overleggen van een niet-kerkelijk document met een vertrouwelijk karakter stelde het college dat ‘het recht op verweer van fundamentele betekenis is’ waarop slechts om ‘zwaarwegende redenen’ een inbreuk kan worden gemaakt (GCO 2013/D.16). Een ander regionaal college bepaalde dat mededelingen voor dat college over het verloop van een kerkenraadsvergadering niet onder het ambtsgeheim vallen (GCO 2016/A.1). Zij zijn relevant voor de ingediende bezwaren. Beide uitspraken wijzen in de richting dat iemand omwille van het te voeren verweer in een opzichtzaak de geheimhouding (deels) mag doorbreken.
Een verder kenmerk van de rechtspraak binnen de kerk is dat regels over bewijs zo goed als ontbreken. Colleges kunnen hieromtrent binnen de grenzen van redelijkheid en billijkheid naar eigen inzicht handelen. Hierop bestaat een uitzondering. Feiten die een rechter in een strafzaak op tegenspraak – dus in aanwezigheid van de verdachte – in een onherroepelijke uitspraak heeft vastgesteld, worden in het opzicht ‘als waar aangenomen, tenzij tegenbewijs wordt geleverd’ (ord. 10-9-11).
In dit hoofdstuk gaat het over de kerkelijke rechtspraak in het algemeen, met inbegrip van alternatieve geschilbeslechting, en over algemene bepalingen met betrekking tot de samenstelling en werkwijze van de rechtsprekende colleges. De kerk mag de zaken die in de kerkelijke rechtspraak aan de orde zijn, zelf beslechten. Toch kan zij niemand het in art. 17 van de Nederlandse grondwet neergelegde recht op toegang tot de rechter ontzeggen. In een korte paragraaf tot slot geven we aan in welke gevallen effectief van dit recht gebruik kan worden gemaakt.
De twee hierop volgende hoofdstukken betreffen achtereenvolgens de opzichtprocedure en de procedures voor de behandeling van bezwaren en geschillen. De visitatie die ook in ord. 10 aan de orde komt, is hiervoor al behandeld (zie § 17.6). Voor een aantal details van de procedures en bijzondere (vorm)voorschriften moeten de kerkordelijke bepalingen waarnaar verwezen wordt, geraadpleegd worden.
20.2 Alternatieve geschilbeslechting
Niemand is in geschilbeslechting verplicht de weg van de kerkelijke rechtspraak te volgen bij een geschil. De kerkorde noemt expliciet een drietal alternatieven: arbitrage, bindend advies en mediation (GR 11-2-1). Het woord geschil in de genoemde bepaling heeft een brede betekenis. Het kan betrekking hebben op een bezwaar of geschil, maar ook op onenigheid waarover in een opzichtprocedure een uitspraak wordt gevraagd.
Niemand is in geschilbeslechting verplicht de weg van de kerkelijke rechtspraak te volgen
Voor alle drie de alternatieven geldt dat beide partijen het er expliciet mee eens moeten zijn er gebruik van te maken. Bij mediation proberen de partijen onder begeleiding van een mediator er samen uit te komen. Lukt dat, dan moet elk instemmen met de uitkomst. Het verdient aanbeveling een mediator in te schakelen die geregistreerd staat bij de Mediatorsfederatie Nederland (MfN) en/of is aangesloten bij het op kerkelijke conflicten gerichte Platform voor conflictbegeleiding en mediation (PCM). Bij arbitrage en bindend advies is het, net als in de kerkelijke rechtspraak, een buitenstaander die een uitspraak doet over het conflict. De kosten van de alternatieven zijn voor de partijen zelf, die over de verdeling onderling afspraken maken.
Het valt buiten het bestek van dit boek om een volledig overzicht te geven van de voor- en nadelen van alternatieve geschilbeslechting. In het algemeen geldt dat de partijen meer zelf kunnen sturen dan bij de kerkelijke rechtspraak, en zich niet zonder meer hoeven te houden aan de kerkelijke beoordelingskaders en criteria. Zo hoeft bij een bezwaar tegen een besluit minder nadruk op de gevolgde procedure te liggen en kunnen nadrukkelijker ook inhoudelijke aspecten worden meegenomen. Verder zal er zeker bij mediation meer ruimte en aandacht zijn voor behoud en zo mogelijk zelfs herstel van onderlinge verhoudingen die in een reguliere procedure vaak sterk onder druk komen te staan.
Het ligt wellicht niet direct voor de hand, maar ook in het kader van het opzicht kunnen de alternatieve wegen bewandeld worden, met name die van de mediation. Denk bijvoorbeeld aan een uit de hand gelopen conflict waarin de ene partij de andere of beide partijen elkaar van onchristelijk en tuchtwaardig gedrag beschuldigen.
Alternatieve geschilbeslechting schort nooit eventuele termijnen op
Gebruik van alternatieve geschilbeslechting schort nooit eventuele termijnen op. Onderlinge afspraken tellen niet, ‘tenzij het besluitvormend orgaan uitdrukkelijk te kennen zou hebben gegeven dat het oorspronkelijk besluit daarmee van de baan zou zijn en een nieuw en andersluidend besluit zal worden genomen’ (GCBG 2009/19). Als iemand alsnog een kerkordelijke procedure wil kunnen starten, zal de bezwaarmaker die tijdig aanhangig moeten maken, in veel gevallen nog voordat de alternatieve procedure is afgerond. Nadeel daarvan is dan wel weer dat het de vertrouwensbasis voor het alternatief verzwakt, zeker als het mediation betreft.
Als eenmaal een procedure aanhangig is gemaakt, kunnen partijen alsnog alternatieve geschilbeslechting beproeven. Het desbetreffende college zal dan doorgaans de behandeling van het bezwaar opschorten (vgl. GR 11-2-3). Het maakt hierin echter een eigen afweging. Het is hiertoe niet verplicht. Het college kan ook eigener beweging mediation aanbevelen (GR 11-2-2). Mocht de aanbeveling worden opgevolgd, dan zal het college de uitkomst van de mediation uiteraard afwachten, alvorens de behandeling – mocht dat nog nodig zijn – voort te zetten.
Wie gebruikmaakt van een van de hier genoemde of andere alternatieven, moet zich ervan bewust zijn dat dit gevolgen kan hebben als men zo nodig vervolgens een gang naar de burgerlijke rechter maakt (zie ook § 20.4).
20.3 Algemene bepalingen
Naast de handreiking voor alternatieve geschilbeslechting zoals die hiervoor is weergegeven, is er nog een aantal bepalingen die gelden voor alle vormen van kerkelijke rechtspraak die in dit hoofdstuk besproken worden. Sommige verdienen het in het vervolg nog eens apart te worden genoemd. Voor de meeste geldt dat het bij een enkele vermelding in deze paragraaf blijft.
Voor de samenstelling van de rechtsprekende colleges geldt dat iemand niet in meer dan één van de colleges voor de visitatie, het opzicht en de behandeling voor bezwaren en geschillen zitting heeft of als adviserend lid dient, hetzij classicaal, hetzij generaal. Iemand kan dus niet bijvoorbeeld tegelijk visitator zijn én lid van het classicaal college voor het opzicht. Maar de ordinantie voegt daar nog iets aan toe: ‘tenzij ordinanties en generale regelingen anders bepalen’ (ord. 10-3-9; 10-8-10; 12-2-12). Dat verwijst naar de regel dat de leden en toegevoegde leden van een classicaal college voor het opzicht tevens toegevoegd lid zijn in de andere classicale colleges (ord. 10-8-3), en naar de regel dat de voorzitters van de classicale colleges voor de visitatie lid zijn van het generale college voor de visitatie (ord. 10-3-6). Iemand kan wel lid zijn van een van de genoemde colleges en tevens bijvoorbeeld lid van het generale college voor de ambtsontheffing of het classicale college voor beheerszaken.
De kerkelijke rechtspraak in de Protestantse Kerk in Nederland is complex. Het is niet altijd direct duidelijk waar iemand zich moet vervoegen. Met het oog daarop is er een doorzendverplichting van kracht voor bezwaarschriften die bij het verkeerde kerkelijk lichaam worden ingediend (GR 11-3). Zij dienen direct te worden doorgestuurd naar het college dat kennelijk bevoegd is.
De kerkelijke rechtspraak is gediend met een voortvarende afdoening
De kerkelijke rechtspraak is gediend met een voortvarende afdoening. Zaken moeten daarom ‘onverwijld’ in behandeling worden genomen (GR 11-4-1). Is meer tijd nodig voor een ‘zorgvuldige behandeling’, dan kan een college een eerder gestelde termijn met opgaaf van redenen aan betrokkenen verlengen (GR 11-4-2). Bij ‘onredelijke vertraging’ echter worden zo nodig maatregelen genomen, hetzij op verzoek van rechtstreeks betrokkenen, hetzij op initiatief van het behandelend college zelf (GR 11-4-3).
Een rechtsprekend college waakt ertegen dat (toegevoegde) leden of voor hem werkzame personen de besluitvorming op grond van persoonlijke belangen beïnvloeden (GR 11-8-3). Zowel (toegevoegde) leden als adviseurs verschonen zich als hun medewerking de onafhankelijkheid en/of onpartijdigheid schade zou berokkenen (GR 11-8-2; ord. 12-7-5). Zij kunnen ‘onder vermelding van de feiten en omstandigheden’ worden gewraakt (GR 11-8-4): dat wil zeggen: een van de partijen vraagt om vervanging van het betrokken lid van het college. In beginsel kunnen alleen individuele leden worden gewraakt, nooit een college als geheel, tenzij gegronde bezwaren bestaan tegen elk lid afzonderlijk. Het wrakingsverzoek wordt behandeld door het eigen college dat hierover een eindbeslissing neemt (GR 11-8-5).
Het generale college voor bezwaren en geschillen heeft uitgesproken dat opzichtcolleges met inachtneming van de kerkordelijke kaders zelf de wijze van behandeling van een zaak mogen bepalen en daarvoor de benodigde procedurele besluiten mogen nemen (GCBG 2017/08). Aangenomen mag worden dat dit geldt voor alle rechtsprekende colleges.
Op de kerkelijke rechtspraak zijn in principe de algemene besluitvormingsregels van toepassing (ord. 4-5-1 t/m 4). In de volgende hoofdstukken vermelden we steeds de afwijkende regels.
Voor alle uitspraken in het kader van de kerkelijke rechtspraak gelden dezelfde basisregels (GR 11-6). Uitspraken zijn schriftelijk. Zij bevatten de gronden voor de uitspraak: de overwegingen bij de vastgestelde feiten en de redenen. Het kan zijn dat een uitspraak in de opvatting van het rechtsprekend college een zodanig spoedeisend karakter draagt dat die in eerste instantie mondeling geschiedt, al dan niet voorzien van de gronden. Indien beroep openstaat, bevat de uitspraak tevens de zogenaamde beroepsclausule (GR 11-7). De clausule geeft aan door wie, binnen welke termijn en bij welk college beroep kan worden ingesteld.
In het kader van algemeen geldende bepalingen zij verder opgemerkt dat alle Waalse gemeenten voor zover het in de kerkelijke rechtspraak om classicale colleges gaat, vallen onder die van de classis Noord-Brabant, Limburg en Réunion Wallonne (vgl. ord. 4-20-1).
20.4 De burgerlijke rechter
Het kan zijn dat de uitkomst van alternatieve geschilbeslechting of kerkelijke rechtspraak niet de gewenste is en de gang naar de burgerlijke rechter wordt gemaakt. Dat valt als zodanig buiten het bestek van dit boek. Het luistert nauw. Niettemin willen we hier enkele algemene opmerkingen maken.
In het algemeen kan de uitkomst van de alternatieve geschilbeslechting ter beoordeling aan de rechter worden voorgelegd. Die zal dat binnen de voor de aard van de beslechting geldende regels doorgaans marginaal toetsen. De rechter beoordeelt of deze regels zijn gerespecteerd, en of in redelijkheid tot dit besluit kon worden gekomen. De rechter zal terughoudend zijn ten aanzien van de inhoud, zeker waar die de geloofsovertuiging raakt.
De burgerlijke rechter zal zich over uitkomsten van de kerkelijke rechtspraak in beginsel alleen willen buigen als de kerkelijke procedure uitgeput is
De beperkte toetsing geldt eveneens voor de uitkomsten van de kerkelijke rechtspraak, al hangt de precieze benadering mede af van de insteek van de procedure. De burgerlijke rechter zal zich over uitkomsten van de kerkelijke rechtspraak in beginsel alleen willen buigen als de kerkelijke procedure uitgeput is. Staat bijvoorbeeld beroep open bij het generale college, dan zal ook beroep moeten zijn ingesteld en de uitspraak daarover moeten zijn afgewacht. Op deze hoofdregel bestaan twee belangrijke uitzonderingen. De eerste is als er geen spoedprocedure bestaat, terwijl de betrokkene wel baat zou hebben bij een dergelijke procedure. Een kortgedingprocedure voor de burgerlijke rechter is dan in beginsel mogelijk. De tweede uitzondering is als de kerkelijke rechtspraak niet omgeven is met voldoende rechtswaarborgen. De rechter zal echter het bestaan van een van deze twee uitzonderingen niet snel aannemen.
Als een van de partijen zich niet aan de uitkomst van de kerkelijke rechtspraak wil houden, komen zaken weer anders te liggen en zal de burgerlijke rechter doorgaans wel bereid zijn een uitspraak te doen.
Wie de gang naar de burgerlijke rechter wil maken, zal voor het welslagen van zijn zaak specialistische en daarmee dikwijls kostbare juridische hulp dienen te zoeken.
Als een kerkelijke zaak tevens onder het bereik van het strafrecht valt, is er geen beletsel om aangifte te doen. Het is dan aan het Openbaar Ministerie om te bepalen of er vervolg aan gegeven wordt.