Tradities in een belijdende kerk
19.1 Belijdende kerk
Het meest fundamentele dat de kerkorde kan zeggen over de kerk is te vinden in artikel I KO. Wie die tekst zorgvuldig doorleest, kan het niet ontgaan dat daarin in alle toonaarden over de Protestantse Kerk in Nederland als een belijdende kerk gesproken wordt.
Als het daarover gaat, denken we onwillekeurig snel aan de belijdenisgeschriften waarin het belijden van de kerk tot uitdrukking komt. Maar de kerkorde begint daar niet mee. Om te beginnen positioneert de kerk zichzelf ‘overeenkomstig haar belijden’ (art. I-1 KO): wat zij ten diepste is, is niet af te lezen uit haar geschiedenis of uit haar regelgeving, maar is een zaak van belijden. In geloof ziet zij zichzelf als ‘gestalte van de ene heilige apostolische en katholieke of algemene christelijke Kerk’. Als de kerk met de geloofsbelijdenis van Nicea-Constantinopel belijdt te geloven in ‘één, heilige, katholieke en apostolische kerk’ – vaak aangeduid als ‘de Kerk’, met een hoofdletter –, dan spreekt zij daarmee ook over zichzelf. Niet exclusief, alsof zij de enige gestalte van die Kerk zou zijn, maar wel positief. Zij weet dat zij zelf ook leeft ‘uit Gods genade in Jezus Christus’, en ziet zijn opdracht om het Woord te horen en te verkondigen in dat perspectief (art. I-2 KO).
De kerk belijdt niet iets, maar Iemand
De meest fundamentele uitspraak over het belijden van de kerk volgt daarna, in art. I-3 KO: ‘Betrokken in Gods toewending tot de wereld, belijdt de kerk in gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift als enige bron en norm van de kerkelijke verkondiging en dienst, de drie-enige God, Vader, Zoon en Heilige Geest’. De kerk belijdt niet iets, maar Iemand, de drie-enige God. Elke vraag over het belijden van de kerk kan alleen maar zinvol beantwoord worden als in dat antwoord op de een of andere manier ook iets gezegd wordt over die God die zich tot de wereld gewend heeft, God zoals wij Hem hebben leren kennen in Jezus Christus. De kerk leeft uit die toewending, en ze neemt er zelf ook deel aan in haar verkondiging en dienst: altijd is de wereld de horizon, ook als veel van wat de kerk zegt en doet op het eerste gezicht binnenkerkelijk van aard is. Dat is immers wat zij uit de bron, de Heilige Schrift, hoort, en wat haar verkondiging en dienst normeert.
Omdat de kerk een belijdende kerk is, heeft de generale synode de verantwoordelijkheid om zo nodig vast te stellen wat tot het belijden van de kerk behoort (zie § 19.5), en zo nodig ook wat met het belijden van de kerk in strijd is (zie § 18.8).
19.2 Twee tradities
Tegen die fundamentele achtergrond spreekt de kerkorde vervolgens over tradities. Het is bekend dat de Protestantse Kerk in Nederland zowel in de gereformeerde als in de lutherse traditie staat. Maar dat zijn verbijzonderingen van een veel bredere traditie die geldt voor het overgrote deel van de wereldwijde christenheid. Daarover gaat het eerst.
De ene gemeenschap van Gods Kerk verbindt de generaties met elkaar
‘Het belijden van de kerk geschiedt in gemeenschap met de belijdenis van het voorgeslacht’ zegt art. I-4 KO. Weer zo’n compacte zin. Belijden geschiedt, gebeurt – nu! Dat staat voorop, en wordt later – in art. I-6 t/m 11 KO – verder uitgewerkt. Het geschiedt nu, maar dan wel ‘in gemeenschap met de belijdenis van het voorgeslacht’. Twintig eeuwen laten hun sporen na. De kerk weet zich ten diepste één met de kerk van toen: daarom spreekt de kerkorde hier van gemeenschap, liever dan van overeenstemming met de belijdenis van het voorgeslacht. Soms kwam het erop aan, en ontstonden belijdenisteksten die de kern van de zaak verwoorden en die tot vandaag de dag gehoord en nagesproken willen worden. Zo zeggen of zingen we nog dikwijls na wat christenen in de eerste eeuwen beleden bij de doop, in wat we nu kennen als de Apostolische geloofsbelijdenis. Minder bekend is de geloofsbelijdenis van Nicea, ook wel bekend als de geloofsbelijdenis van Nicea-Constantinopel, een tekst waarin de concilies van eerst Nicea (325) en uiteindelijk Constantinopel (381) probeerden met meer nauwkeurigheid te verwoorden wat het betekent Jezus Christus te belijden als Zoon van God. Ook de bij velen feitelijk niet bekende geloofsbelijdenis van Athanasius, nog weer enkele eeuwen later ontstaan, wordt in ere gehouden als verwoording van de belijdenis van het voorgeslacht. In dit alles weet de Protestantse Kerk in Nederland zich verbonden met de algemene christelijke Kerk, met de kerk van alle tijden en plaatsen. De ene gemeenschap van Gods Kerk verbindt de generaties met elkaar.
Pas daarna komen de twee tradities aan bod waarmee de kerk zich in het bijzonder verbonden weet, namelijk de lutherse en de gereformeerde traditie. Weer worden documenten genoemd die verwoorden hoe de kerk, nu ten tijde van de Reformatie, probeerde de kern van de zaak vast te houden. Voor de lutherse traditie gaat het dan allereerst om de Onveranderde Augsburgse confessie (1530), bij uitstek het geschrift waarin lutherse kerken (waaronder dus ook de Protestantse Kerk in Nederland) wereldwijd hun onderlinge verbondenheid beleven. Daarnaast staat de catechismus van Luther, strikt genomen te onderscheiden in twee varianten, de Grote (1529) en de kort daarop geschreven Kleine Catechismus. In de praktijk functioneert wereldwijd vooral de Kleine Catechismus.
In de gereformeerde traditie spelen wereldwijd veel meer vergelijkbare documenten een rol: onder meer Franse, Zwitserse, Schotse en Nederlandse kerken kozen elk voor een op de eigen situatie toegesneden geloofsbelijdenis: zo ontstond ook de Nederlandse Geloofsbelijdenis (1561). Daar voegt de kerkorde onmiddellijk aan toe ‘met de Dordtse leerregels’, omdat deze gezien mogen worden als een nadere verklaring van wat de Nederlandse Geloofsbelijdenis in artikel 16 zegt over de verkiezing. Bij veel gereformeerde kerken wereldwijd is – soms naast, soms in plaats van een geloofsbelijdenis – de catechismus van Heidelberg (1563) in gebruik. Met het oog op de Waalse gemeenten noemt de kerkorde daarnaast ook de catechismus van Genève (1542), van de hand van Calvijn zelf.
Gereformeerden en lutheranen waren betrokken bij de theologische verklaring van Barmen
Met de verbondenheid met de lutherse en de gereformeerde traditie is niet alles gezegd. Want hoe verhouden die tradities zich tot elkaar? In deze dubbele bedding zijn twee documenten ontstaan die voor het belijden in het heden, dus voor het daadwerkelijk leven in die traditie(s), van belang worden geacht. Zo erkent de kerk de betekenis van de theologische verklaring van Barmen (1934), opgesteld door de Belijdende Kerk in Duitsland als een principieel protest tegen de ideologie van het nationaalsocialisme: leden van zowel lutherse als gereformeerde (en verenigde) kerken waren daarbij betrokken. Datzelfde geldt voor de Konkordie van Leuenberg (1973), waarin de zestiende-eeuwse theologische spanningen tussen lutheranen en gereformeerden zijn overbrugd in een gemeenschappelijk verstaan van het Evangelie. Het is, theologisch beschouwd, deze Konkordie die de vereniging van twee kerken van het gereformeerde type met een evangelisch-lutherse kerk in de Protestantse Kerk in Nederland mogelijk maakte.
De kerk belijdt de drie-ene God, en weet zich daarin verbonden met het voorgeslacht. Maar zij staat wel midden in deze wereld, en wil in alles wat zij doet, ‘in haar vieren, spreken en handelen’ Jezus Christus belijden als Heer en Verlosser van de wereld (art. 1-6 KO). Zo roept zij op tot vernieuwing van het leven in cultuur, maatschappij en staat, en zo getuigt zij voor mensen, machten en overheden van Gods beloften en geboden, waar mogelijk in samenspraak met andere kerken. Daarover ging het al bij de bespreking van de taken van de generale synode (zie § 18.9).
19.3 In het bijzonder verbonden met één traditie
‘De kerk erkent met de Konkordie van Leuenberg dat de lutherse en gereformeerde tradities door een gemeenschappelijk verstaan van het Evangelie bijeenkomen’ (art. I-5 KO). Dat betekent echter niet dat daarmee alle confessionele verscheidenheid uit den boze is. Juist de wederzijdse erkenning schept ook ruimte om binnen de kerk voluit te leven vanuit de eigen traditie: lutheranen hoeven niet gereformeerd te worden, en gereformeerden/hervormden hoeven evenmin hun eigen traditie te verloochenen.
De wederzijdse erkenning schept ruimte om vanuit de eigen traditie te leven
Binnen de kerk als geheel is daarom voorzien in een evangelisch-lutherse synode en een raad van advies voor het gereformeerd belijden (zie onder). Maar het onderscheid speelt natuurlijk allereerst op het vlak van de gemeenten, en dat is dan ook wat in ord. 1-1 aan de orde wordt gesteld. Binnen de kerk kennen we vier soorten gemeenten (zie boven, § 2.1): naast protestantse gemeenten ook evangelisch-lutherse en hervormde gemeenten en gereformeerde kerken. De hervormde gemeenten en de gereformeerde kerken ‘weten zich in het bijzonder verbonden met de belijdenisgeschriften van de gereformeerde traditie’, en de evangelisch-lutherse gemeenten ‘in het bijzonder met de belijdenisgeschriften van de lutherse traditie’ (ord. 1-1-1). Voor zover belijdenisgeschriften in het gemeenteleven een rol spelen, bijvoorbeeld in de catechese, ligt het voor de hand dat in een evangelisch-lutherse gemeente eerder gegrepen wordt naar de catechismus van Luther, terwijl een hervormde gemeente eerder denkt aan de Heidelbergse Catechismus. In die zin is er sprake van een bijzondere verbondenheid (al zal die niet altijd heel bewust beleefd worden), en daar is – binnen het totaal van het belijden van de kerk dat voor allen geldt – niets mis mee. De kerk erkent en respecteert dat (ord. 1-1-2), en er zal dus bijvoorbeeld door een synode of bij een visitatie geen druk worden uitgeoefend om daar verandering in te brengen. Zo wordt ook bij het opzicht waar dat van belang is, rekening gehouden met deze bijzondere verbondenheid (ord. 10-1-4). Maar, spannender soms, ook de (wijk)gemeenten worden geacht die bijzondere verbondenheid van andere gemeenten te erkennen en te respecteren (ord. 1-1-3,4). Zo ga je dus als wijkgemeenten binnen een algemene kerkenraad en als gemeenten binnen een ring met elkaar om. Echte erkenning en werkelijk respect verdragen zich niet met afstandelijkheid of onverschilligheid: dan mag ook verwacht worden dat men in elkaar geïnteresseerd is en in het licht van de Bijbel het gesprek tussen de tradities aangaat, in de hoop op groeiende herkenning. De kerkorde zegt dat zo: de gemeenten ‘zijn geroepen om in gehoorzaamheid aan het Woord van God te volharden en te groeien in het gemeenschappelijk belijden van de kerk’ (ord. 1-1-3).
Ook aanstaande predikanten kunnen hun bijzondere verbondenheid met een van beide tradities tot uitdrukking brengen, en wel bij het afleggen van de proponentsbelofte (ord. 13-18-7; zie § 16.1.4).
19.4 Onopgeefbaar verbonden met het volk Israël
De Protestantse Kerk in Nederland weet zich dus onlosmakelijk verbonden met de algemene christelijke Kerk, en meer in het bijzonder met de lutherse en de gereformeerde traditie. Maar daarmee is nog niet alles gezegd. Er is ook een ‘onopgeefbare verbondenheid’ met het volk Israël, en ook dat heeft alles te maken met het belijdende kerk zijn.
In de kerkorde krijgt Israël al in de allereerste zin een plaats. In deze openingszin beschrijft de kerk wie zij zelf is, als gestalte van de ene heilige katholieke en apostolische Kerk. Direct daarop volgt de uitspraak dat zij zich, ‘delend in de aan Israël geschonken verwachting’, uitstrekt naar de komst van het Koninkrijk van God (art. I-1 KO). Israël krijgt dus een plaats in het zelfverstaan van de kerk en is zo medebepalend voor de identiteit van de Protestantse Kerk.
Het gesprek met Israël is bij uitstek de vorm waarin de verbondenheid kan worden beleefd
De Protestantse Kerk deelt in de aan Israël geschonken verwachting. De kerk zegt hiermee dat zij niet ontstaan is los van Israël of buiten Israël om: er bestaat een wezenlijke verbondenheid tussen Israël en de kerk. Zonder Israël zou er geen kerk zijn. In art. I-7 KO komt dit fundamentele artikel daarop terug: ‘De kerk is geroepen gestalte te geven aan haar onopgeefbare verbondenheid met het volk Israël’. De verbondenheid krijgt hier de kwalificatie ‘onopgeefbaar’. Zo wezenlijk en belangrijk vindt de kerk deze verbondenheid. Dan is het dus wel zaak dat hieraan ook handen en voeten wordt gegeven. Lang heeft de kerk naast Israël geleefd zonder contact of zelfs in vijandschap.
Wat betekent dit praktisch voor de kerk of de gemeente? Dit wordt uitgewerkt in het vervolg van art. I-7 KO. Het gesprek wordt hier genoemd als bij uitstek de vorm waarin de verbondenheid kan worden beleefd. De kerk zoekt dat gesprek ‘als Christus-belijdende geloofsgemeenschap’ – immers, het is juist Jezus Messias die de kerk met Israël verbindt! Dat gesprek betreft het verstaan van de Heilige Schrift (beide putten immers althans ten dele uit dezelfde bronnen), en dan wel in het bijzonder betreffende de komst van het Koninkrijk van God. De kerk en Israël staan onder het voorteken van dezelfde verwachting.
Het gesprek zoeken betekent dus dat de kerk en de plaatselijke gemeente – de kerk ‘in al haar geledingen’ (ord. 1-2-1) – contact zoeken met joodse gesprekspartners. Dit kunnen landelijke organisaties zijn en plaatselijk bijvoorbeeld de joodse gemeenschap van de synagoge. De kerkorde moedigt dus aan om concreet te worden in de verbondenheid.
In ord. 1-2 krijgt het gesprek met Israël verdere uitwerking en aanmoediging. Hierbij krijgt in ord. 1-2-2 de generale synode in het bijzonder tot taak o.a. het toerusten van de gemeenten tot de ontmoeting met Israël, en het bevorderen van inzicht in en de bestrijding van antisemitisme. Een gevoelig punt ligt ook in de aandacht voor de plaats van Joodse leden van de kerk, de Messiasbelijdende Joden.
Hoe kan de plaatselijke gemeente nu gestalte geven aan de verbondenheid met Israël? Hiervoor zijn verschillende middelen. Het bewust contact zoeken met Joden in eigen stad of dorp is al een eerste stap. Men kan hen bemoedigen en meeleven met de joodse feestdagen door een eenvoudige kaart te sturen of een attentie te brengen. De jaarlijkse Israëlzondag vieren kan een goed instrument zijn om de gemeente toe te rusten in kennis van de verbondenheid. Dit kan natuurlijk ook het hele jaar door in kerkdiensten en gespreksgroepen als het Oude Testament en ook het Nieuwe Testament opengaat.
Er zijn enerzijds heel veel mogelijkheden, anderzijds zijn deze mogelijkheden ook weer beperkt omdat er niet zoveel joden meer in Nederland leven om het mogelijk te maken gestalte te geven aan de verbondenheid. De joodse gemeenschap stelt het overigens over het algemeen wel zeer op prijs als de kerk haar verbondenheid en steun tot uitdrukking brengt.
Is het verplicht voor de plaatselijke gemeente? De kerkorde spreekt niet van verplichting, maar spreekt wel in de sterke bewoording van ‘geroepen zijn’. Het is een roeping. Dus een hoge opdracht.
De verbondenheid met het volk Israël betekent geen kritiekloze steun aan de staat Israël
Het gestalte geven aan de verbondenheid met Israël roept onder kerkleden ook vragen en kritiek op. Meer dan eens heeft de generale synode erover gesproken. Dit wordt vaak veroorzaakt doordat ‘het volk Israël’, zoals het in de kerkorde staat, gelijk wordt geschakeld met de politiek van de staat Israël.
Nu is voor joden de staat Israël belangrijk. Zeker ook voor hun bescherming en voor de mogelijkheid om gestalte te kunnen geven aan hun jood-zijn. Maar de verbondenheid met Israël, zoals de kerkorde dat aanduidt, betekent niet dat de kerk hiermee uitspreekt dat zij kritiekloos achter de regering van Israël staat. Veel Joden en Israëli’s zelf zijn het niet eens met het beleid van de regering van Israël. Verbondenheid betekent ook niet dat je geen kritiek mag hebben op elkaar. Goede vriendschap houdt in dat je ook kritiek op elkaar uit als dat nodig is. Het zou een misvatting zijn om de verbondenheid met het volk Israël te versmallen tot instemming met de politiek van de staat Israël. Wel onderstreept de kerk het bestaansrecht van Israël, zoals dat in het volkenrecht vastligt: ‘Daarbij dient enerzijds het recht van Israël op een zelfstandig staatkundig bestaan en op veiligheid en anderzijds het recht van de Palestijnen op zelfbeschikking – een zelfstandig staatkundig bestaan en veiligheid en een eigen economische ontwikkeling – erkend te worden, en uitgangspunt te zijn voor verdere onderhandelingen. Dat alles samen is: vrede.’ De kerkorde moedigt kortom de kerk in al haar geledingen aan om de onopgeefbare verbondenheid met Israël gestalte te geven. Hierbij kan veel creativiteit ingezet worden. Samenwerking met andere kerken is waar mogelijk ook op dit terrein geboden (ord. 1-2-3).
19.5 Heroverweging van de inhoud van het belijden
De kerk staat in twee uit de Reformatie stammende tradities, de gereformeerde en de lutherse (zie § 19.2). Daar gaat het onder meer over de betekenis van de in art. I-4 KO genoemde gereformeerde en lutherse belijdenisgeschriften voor het belijden van de kerk.
Maar daarmee is niet alles gezegd: er leven binnen de kerk heel verschillende opvattingen over de betekenis van dit historische belijden voor de kerk nu. De generale synode zal het gesprek daarover willen bevorderen, omwille van een goede balans van eenheid en verscheidenheid. Wat dit kan betekenen, blijkt vooral uit ord. 1. Het is immers denkbaar dat binnen de kerk, of ook binnen de synode zelf, serieuze vragen worden gesteld bij de inhoud van de belijdenisgeschriften. Dat zou kunnen leiden – al is het sinds 2004 nog niet gebeurd, en zal het ook wel niet zo snel gebeuren – tot een aanpassing, hetzij door een nieuw document de status van een belijdenisgeschrift te geven, hetzij door de wijziging van de tekst van een van die geschriften. In ord. 1-4 wordt de eerstgenoemde mogelijkheid uitgewerkt: de generale synode kan een ‘uiting van de kerk’ aanmerken als uitdrukking van het belijden van de kerk (ord. 1-4-1). Te denken is aan een synoderapport over een belangrijke vraag betreffende het belijden van de kerk vandaag, of ook aan een speciaal met dat doel geschreven nieuw belijdenisgeschrift. Dat gaat niet zomaar, zo lezen we in ord. 1-4-2, en het is ook sinds 2004 nog niet aan de orde geweest. Als de generale synode zo’n besluit wil nemen, dan dient zij eerst alle mindere vergaderingen de gelegenheid te geven daarover door middel van consideraties hun mening te geven. Kerkenraden dienen hun opvattingen daarover in bij de classicale vergadering. De classicale vergadering vormt op basis daarvan haar eigen mening, en brengt die ter kennis van de generale synode. De evangelisch-lutherse synode doet dat eveneens. Maar ook ‘daarvoor in aanmerking komende’ zusterkerken uit de oecumene worden geraadpleegd: dan gaat het natuurlijk vooral om kerken die ook leven binnen een van beide belijdenis-tradities. Hun mening over een nieuw belijdenisgeschrift doet ertoe. Een laatste ‘veiligheidsklep’ ligt in de bepaling dat zo’n synodebesluit alleen geldig is als minstens twee derde van de uitgebrachte geldige stemmen daarvóór is.
Het is denkbaar dat de synode een belijdenisgeschrift van een andere kerk aanvaardt als een eigen belijdenisgeschrift
Het gaat hier dus om ‘uitingen van de kerk’, geschreven voor en door de Protestantse Kerk in Nederland. Het is natuurlijk ook denkbaar dat de generale synode besluit een belijdenisgeschrift van een andere kerk – zoals de Belijdenis van Belhar uit Zuid-Afrika – te aanvaarden als een eigen belijdenisgeschrift; in dat geval zou een andere route gevolgd moeten worden, namelijk die van de aanpassing van artikel I van de eigenlijke kerkorde, de Romeinse artikelen. In grote lijnen gaat het dan om een gelijke procedure (zie § 18.5).
Het kan ook zijn dat er in de kerk op een bepaald punt bezwaren ontstaan tegen de tekst van een van de belijdenisgeschriften. Zo’n bezwaar heet een gravamen, en in ord. 1-5 wordt daarvoor een uitvoerige procedure gegeven. Het kan in beginsel door elk lid van de kerk worden ingediend, en wel bij de classicale vergadering. Maar het moet wel gaan om de tekst van een belijdenisgeschrift of een daarmee (naar ord. 1-4) gelijkgesteld document. Zie voor de wijze waarop de classicale vergadering een gravamen dient te behandelen § 17.8.
Als de classicale vergadering een gravamen van voldoende gewicht acht, dan herhaalt zich de hele procedure in feite bij de generale synode. Meent de generale synode dat het bezwaar in feite geen gravamen is, dan stuurt zij het door naar het generale college voor de behandeling van bezwaren en geschillen (zie § 22.5.4).
Neemt zij het gravamen wel in bespreking, dan benoemt de generale synode een voorbereidingscommissie, en volgen een hoorzitting en een theologisch advies. Betreft het een van de lutherse belijdenisgeschriften, dan wordt ook de evangelisch-lutherse synode om advies gevraagd; betreft het een van de gereformeerde belijdenisgeschriften, dan is een advies nodig van de raad van advies voor het gereformeerd belijden (waarin ook leden van andere kerken uit de gereformeerde gezindte zitting hebben). Los daarvan kan ook andere zusterkerken om een oordeel gevraagd worden. Uiteindelijk geeft de generale synode een eindoordeel, dat aan alle betrokkenen wordt toegezonden. Voor de inhoudelijke erkenning van een gravamen is een twee derde meerderheid van stemmen in de generale synode nodig.
19.6 De evangelisch-lutherse synode
Binnen de Protestantse Kerk in Nederland vormen de lutheranen een kleine minderheid. Juist daarom is in de structuur van de kerk een bijzondere plaats ingeruimd waar het lutherse geluid te horen is. Er zijn niet alleen evangelisch-lutherse gemeenten, maar er is ook een evangelisch-lutherse synode.
De aanduiding ‘synode’ kan misverstanden oproepen. Het zou de indruk kunnen wekken dat het gaat om een synode naast de generale synode, het hoogste bestuursorgaan van de kerk. Dat is onjuist: zoals we zullen zien, vaardigt de evangelisch-lutherse synode enkele leden af naar de generale synode, en daarmee staat zij dus eerder op het niveau van een classicale vergadering. Toch is het ook geen aparte classicale vergadering voor de evangelisch-lutherse gemeenten: die maken gewoon deel uit van de classicale vergadering in hun gebied.
De kerk wil zuinig zijn op de lutherse traditie
De kern van het bestaansrecht van de evangelisch-lutherse synode is aangeduid met de eerste taak die de kerkorde haar toebedeelt, en die ook in de eigenlijke kerk-orde wordt aangegeven: ‘het zorg dragen voor het bewaren en aan de gehele kerk dienstbaar maken van de lutherse traditie’ (ord. 4-22-1; vgl. art. VI-4 KO). De kerk als geheel wil zuinig zijn op deze traditie, en de evangelisch-lutherse synode is daarvoor een belangrijk instrument. En dan gaat het niet om bewaren in de zin van conserveren, maar om bewaren in het perspectief van dienstbaar maken aan de gehele kerk. Van de evangelisch-lutherse synode mag verwacht worden dat zij zich mengt in het kerkelijk gesprek over tal van vragen – binnen en buiten de generale synode – met de geheel eigen bijdrage die de lutherse traditie kan bieden. Voordat bezien wordt wat dat concreet kan betekenen, eerst iets meer over de samenstelling van de evangelisch-lutherse synode.
19.6.1 Samenstelling en werkwijze
Het bijzondere van de evangelisch-lutherse synode komt ook tot uitdrukking in haar samenstelling. Waar de classicale vergadering en de generale synode samengesteld zijn uit leden, verkozen door mindere ambtelijke vergaderingen, worden de leden van de evangelisch-lutherse synode direct gekozen uit en door de evangelisch-lutherse leden van de kerk (ord. 4-21-1). Bijzonder is ook dat deze synode voor twee derde – twaalf van de achttien leden, en zes van de negen secundi – uit niet-predikanten bestaat: dat kunnen ouderlingen of diakenen zijn, maar het kunnen ook ‘gewone’ gemeenteleden zijn (ord. 4-21-2,4). Elke vier jaar worden voor alle plaatsen in de evangelisch-lutherse synode nieuwe verkiezingen gehouden (ord. 4-21-3), conform een door de evangelisch-lutherse synode vastgestelde verkiezingsregeling (ord. 4-21-5; vgl. ook ord. 2-3-6). Ten slotte kent de evangelisch-lutherse synode ook een aantal vaste adviseurs, onder wie de hoogleraar lutherana van de PThU (het in ord. 13-2-2 genoemde Evangelisch-Luthers Seminarium is inmiddels opgegaan in de Protestantse Theologische Universiteit; zie GR 14-3-2). Verder zijn als adviseurs beschikbaar een daartoe aangewezen kerkmusicus, een van de leden van elk van de organen van bijstand van de synode, de afgevaardigden van de synode naar de generale synode en de afgevaardigden van de evangelisch-lutherse synode naar de assemblee en de andere bestuursorganen van de Lutherse Wereld Federatie, voor zover zij niet reeds deel uitmaken van de evangelisch-lutherse synode (ord. 4-21-6).
De werkwijze van de evangelisch-lutherse synode is geregeld in ord. 4-23, en wordt wat betreft onder meer haar wijze van vergaderen, haar archieven en haar financiële zaken nader vastgelegd in een eigen regeling voor haar wijze van werken (ord. 4-23-7). Zij komt ten minste tweemaal per jaar bijeen, en eventueel in een buitengewone zitting, als minstens zes leden van deze synode daarom verzoeken, of ook als de generale synode daarom vraagt. Zo’n buitengewone zitting moet dan binnen zes weken plaatsvinden (ord. 4-23-1).
Elke vier jaar is er dus een nieuwe evangelisch-lutherse synode. De president van de teruggetreden synode leidt de verkiezing van een nieuwe president (altijd een predikant), een vicepresident en een secretaris, en nog twee andere leden die met elkaar het moderamen vormen, hier de synodale commissie genoemd (ord. 4-23-2,3). Daarin moeten minstens twee predikanten en minstens twee niet-predikanten zitting hebben.
De taken van de synodale commissie liggen voor de hand: synodevergaderingen voorbereiden, samenroepen en leiden, overleggen met het moderamen van de generale synode en waar nodig besluiten van de evangelisch-lutherse synode uitvoeren (ord. 4-23-4). De evangelisch-lutherse synode kan commissies instellen die haar en de synodale commissie ondersteunen (ord. 4-23-6).
19.6.2 De agenda van de evangelisch-lutherse synode
Hierboven werd al gewezen op de kerntaak van de evangelisch-lutherse synode, het zorg dragen voor het bewaren en aan de gehele kerk dienstbaar maken van de lutherse traditie (ord. 4-22-1). Alles wat verder in dit ordinantieartikel over de taken van de evangelisch-lutherse synode wordt gezegd, staat onder dat voorteken. In dat perspectief onderhoudt de evangelisch-lutherse synode contact met de evangelisch-lutherse gemeenten en de evangelisch-lutherse leden van de kerk en ook met evangelisch-lutherse instellingen.
Heel evident is dat in de bepaling dat de evangelisch-lutherse synode considereert over wijzigingen van de kerkorde (art. XVII-4 en art. XVIII-4 KO). Betreft een wijziging in de kerkorde uitsluitend de evangelisch-lutherse gemeenten of de evangelisch-lutherse synode, dan is instemmend advies van de evangelisch-lutherse synode vereist (art. XVIII-3). Gaat het om een ordinantiewijziging die in het bijzonder de evangelisch-lutherse leden van de kerk, de evangelisch-lutherse gemeenten of de evangelisch-lutherse synode betreft, dan dient vooraf overlegd te worden met en advies gevraagd te worden van de evangelisch-lutherse synode (ord. 4-22-2). Ook bij besluiten om een uiting van de kerk aan te merken als uitdrukking van het belijden van de kerk, considereert de evangelisch-lutherse synode daarover (ord. 1-4-2).
De president van de evangelisch-lutherse synode heeft een eigen rol in het beroepingswerk
Met het oog op het bewaren en aan de gehele kerk dienstbaar maken van de lutherse traditie, geeft de evangelisch-lutherse synode ook leiding aan het leven en werken van de evangelisch-lutherse gemeenten tezamen. Zo speelt de president van de evangelisch-lutherse synode ook een eigen rol bij het beroepingswerk van een evangelisch-lutherse gemeente (vgl. ord. 3-3-4). Verder kan de synode periodiek een gezamenlijke vergadering bijeenroepen, en niet alleen zorg dragen voor de toerusting van de evangelisch-lutherse leden van de kerk, maar ook bijdragen aan de toerusting van de andere leden van de kerk inzake de evangelisch-lutherse traditie. Verder onderhoudt deze synode contact met de Protestantse Theologische Universiteit, omdat deze universiteit een eigen rol heeft bij het bewaren en aan de gehele kerk dienstbaar maken van de lutherse traditie (ord. 13-2-4; GR 14-3-2; 14-4-3). Uiteraard kent ook de evangelisch-lutherse synode een beleidsplan (ord. 4-21-1). Verder is zij formeel verantwoordelijk voor het bijhouden van het register van de evangelisch-lutherse leden van de kerk (zie § 14.2). Net als een classicale vergadering geeft zij consideraties over vragen van belijden en kerkorde die haar door de generale synode worden voorgelegd, en spreekt zij zo nodig tegenover de generale synode uit wat er leeft in de evangelisch-lutherse gemeenten. Het ligt voor de hand dat zij de verslagen van haar afgevaardigden naar de generale synode behandelt en omgekeerd de generale synode informeert over de werkzaamheden van de evangelisch-lutherse synode.
De evangelisch-lutherse synode wijst drie afgevaardigden naar de generale synode aan (ord. 4-22-1; 4-24-2). Verder onderhoudt zij de relatie van de kerk met de Lutherse Wereld Federatie.
Net als bij de kerkenraad (ord. 4-7-1), de classicale vergadering (ord. 4-14-1) en de generale synode (ord. 4-25-1) behoort het ook tot de taak van de evangelisch-lutherse synode alles te doen ‘wat verder naar de orde van de kerk van haar wordt gevraagd’ (ord. 4-22-1). In de ordinanties komen we de evangelisch-lutherse synode daarom vele malen tegen: dikwijls heeft deze dan een instemmende of adviserende bevoegdheid bij beslissingen die elders worden genomen. De evangelisch-lutherse synode kan zulke taken overigens ook delegeren aan de synodale commissie (ord. 4-23-5). De belangrijkste taken worden nu kort aangeduid: verdere informatie is steeds elders in deze Toelichting te vinden.
Bij bepaalde besluiten die evangelisch-lutherse gemeenten betreffen, kan (het breed moderamen van) een classicale vergadering niet handelen zonder eerst de evangelisch-lutherse synode te horen (ord. 2-10-2). Dat betreft een besluit tot wijziging van de aanduiding van de gemeente (ord. 2-4-3), of van de grenzen van de gemeenten (ord. 2-4-5), een besluit om een gemeente in een samenwerkingsverband onder te brengen (ord. 2-7-6), te laten samengaan met een of meer andere gemeenten (ord. 2-8-5), of op te heffen (ord. 2-9-2).
Bij maatregelen ten opzichte van lutherse gemeenten of predikanten is de evangelisch-lutherse synode dikwijls betrokken
Ook bij het beroepen van een predikant voor een evangelisch-lutherse gemeente is de evangelisch-lutherse synode betrokken. Het beroepingswerk wordt begeleid door de president van de evangelisch-lutherse synode of een door deze aan te wijzen predikant van de kerk die als consulent fungeert (ord. 4-10-5). Voor een beroep in deeltijd (ord. 3-3-1) en voor het wijzigen van het percentage van de volledige werktijd (ord. 3-17-2) is toestemming van de synodale commissie vereist. Ook bij andere maatregelen van de kerk ten opzichte van predikanten in een evangelisch-lutherse gemeente is de evangelisch-lutherse synode of de synodale commissie betrokken, bijvoorbeeld in de vorm van overleg met de president als vanwege spanningen in een gemeente een predikant vrijstelling van werkzaamheden wordt verleend (ord. 3-19-1). Wil het breed moderamen van de classicale vergadering dat andere ambtsdragers zich gedurende enige tijd onthouden van ambtswerkzaamheden, dan kan dat alleen in overleg met de president van de evangelisch-lutherse synode (ord. 4-11-1). In het nog dieper ingrijpende geval dat de generale synode meent te moeten besluiten voor een kerkenraad gedelegeerden te moeten aanwijzen, kan dat alleen na overleg met de synodale commissie (ord. 4-12-1).
Wanneer een predikant moet worden losgemaakt of ontheven van het ambt, is medewerking van de evangelisch-lutherse synode een voorwaarde (ord. 3-20-1 resp. ord. 3-21-1), en wel door middel van de aanwijzing van twee leden die worden toegevoegd aan het generale college voor de ambtsontheffing (GR 11-10-4).
Ook als de kerkenraad van een evangelisch-lutherse gemeente qua aantal leden beneden het vereiste minimum terechtkomt en het breed moderamen van de classicale vergadering overweegt maatregelen te nemen, wordt de evangelisch-lutherse synode gehoord (ord. 4-6-5).
Als bijzondere omstandigheden aanleiding geven om een kerkelijk werker in een evangelisch-lutherse gemeente de bevoegdheid van Woord en sacramenten te geven, kan het betrokken breed moderamen van de classicale vergadering dat alleen doen na advies van de evangelisch-lutherse synode (GR 4-8-1; vgl. ord. 3-12-14).
Verder is de evangelisch-lutherse synode betrokken bij enkele benoemingen. Zo benoemt zij een aantal visitatoren die waar nodig classicale en generale visitatoren bijstaan (ord. 10-3-8), en draagt zij een lid van haar financiële commissie voor bij de benoeming van leden van het generale college voor de behandeling van beheerszaken (ord. 11-23-2). Dat laatste kan ook als het gaat om de benoeming van leden van het generale college voor de toelating tot het ambt (ord. 13-16-2).
Bij de benoeming, door of vanwege de generale synode, van althans één van de leden van de raad van toezicht van de PThU, dient de raad van toezicht tevoren overeenstemming te bereiken met de evangelisch-lutherse synode (GR 14-5-2).
Desgevraagd adviseert de evangelisch-lutherse synode de colleges voor de visitatie, de colleges voor het opzicht (ord. 10-7-4) en de colleges voor de behandeling van beheerszaken ook als een betrokken kerkenraad, ambtsdrager of gemeentelid zich tot haar wendt (ord. 4-22-1).
19.6.3 Het beheer en de vertegenwoordiging van de evangelisch-lutherse synode
De evangelische-lutherse synode heeft rechtspersoonlijkheid (ord. 11-15-1), en heeft dus ook verantwoordelijkheden op het terrein van het beheer. De regeling daarvan lijkt sterk op die van de classicale vergaderingen (vgl. § 17.9). Er is een financiële commissie (ord. 11-14-1,2), bestaande uit ten minste drie synodeleden, benoemd voor de tijd van vier jaar, met de eenmalige mogelijkheid van herbenoeming. De commissie werkt in overleg met en in verantwoording aan de evangelisch-lutherse synode dan wel de synodale commissie. Dat overleg impliceert voorstellen die worden ingebracht in het begrotingsoverleg met het bestuur van de dienstenorganisatie en de kleine synode (ord. 11-19-1).
De betrokkenheid van de financiële commissie bij het toezien op het beheer van de evangelisch-lutherse gemeenten waarvan ord. 11-14-3 spreekt, wordt daarin zichtbaar dat de jaarstukken van alle betrokken gemeenten worden toegezonden aan de financiële commissie (ord. 11-7-1), en dat een classicaal college voor de behandeling van beheerszaken zich over de vermogensrechtelijke aangelegenheden van een evangelisch-lutherse gemeente of diaconie pas uitspreekt na advies van bedoelde financiële commissie (ord. 11-22-2). In zulke gevallen brengt het classicale college voor de behandeling van beheerszaken ook verslag van zijn werkzaamheden uit aan de evangelisch-lutherse synode (ord. 11-22-4).
Zoals een plaatselijke gemeente voorafgaande aan bepaalde rechtshandelingen toestemming van het classicale college voor de behandeling van beheerszaken nodig heeft (vgl. ord. 11-7-3), zo kan de evangelisch-lutherse synode vergelijkbare rechtshandelingen slechts verrichten na instemmend advies van de kleine synode. Dat betreft onder meer het (ver)bouwen, kopen, verkopen, verhuren of verpachten van onroerende zaken, financiële transacties boven een door de kleine synode vastgesteld bedrag, het aangaan van arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd, het aangaan van een financiële overeenkomst met een lid van de financiële commissie, het verstrekken of aangaan van geldleningen, e.d., het aangaan van niet-begrote verplichtingen, het aanvaarden van erfstellingen, legaten en schenkingen onder last of voorwaarden, het oprichten van of deelnemen aan een stichting, en het voeren van processen voor de overheidsrechter dan wel het aangaan van bijvoorbeeld arbitrageovereenkomsten. Erfenissen kunnen slechts worden aanvaard onder het voorrecht van boedelbeschrijving (ord. 11-16-1).
De evangelisch-lutherse synode wordt vertegenwoordigd door haar president en haar secretaris tezamen. Voor beiden worden plaatsvervangers aangewezen (ord. 11-15-1).
19.7 Raad van advies voor het gereformeerd belijden
De evangelisch-lutherse synode is ingesteld om daarmee de relatief zwakke positie van de lutherse traditie in de kerk te waarborgen. Op zichzelf heeft de gereformeerde belijdenistraditie zoiets niet nodig. In sommige zaken die specifiek het belijden van de kerk betreffen, is het echter gewenst dat naast het advies van de evangelisch-lutherse synode (vanuit luthers perspectief) ook een advies wordt gegeven vanuit de gereformeerde traditie. Daarom kent de kerk ook een raad van advies voor het gereformeerd belijden. Daarin nemen op uitnodiging van de kerk ook leden van andere kerken uit de gereformeerde traditie deel.
Deze raad adviseert de generale synode over zaken die het gereformeerd belijden raken. In de kerkorde wordt deze raad daarom enkele malen expliciet genoemd, namelijk als het gaat om de behandeling van een gravamen inzake het belijden van de kerk (ord. 1-5-6), en wanneer een leertuchtprocedure tegen een predikant is gestart (ord. 10-15-2). In die gevallen is deze raad de evenknie van de evangelisch-lutherse synode. Maar ook bij andere belijdenisgevoelige zaken kan de generale synode deze raad om advies vragen; trouwens, ook andere ambtelijke vergaderingen of organen van de kerk kunnen op deze raad desgewenst een beroep doen. De generale synode kan de raad zo nodig ook verzoeken contact te onderhouden met andere kerken en organisaties op gereformeerde grondslag. Overigens overlegt de raad altijd eerst met de generale raad van advies voordat hij een advies uitbrengt aan de synode.