De generale synode
Elke ambtsdrager kan gevraagd worden lid te worden van de generale synode. Dan kom je in een vreemde maar boeiende wereld terecht. In dit hoofdstuk gaat het daarover, vooral vanuit het perspectief van de leden van de synode: waar krijg je dan mee te maken?
Eerst kijken we naar de meer formele kanten: hoe is de synode samengesteld, wat doet zij, hoe doet zij dat, en welke ondersteuning krijgt zij? Daarna komt haar agenda aan de orde: wat zijn haar inhoudelijke verantwoordelijkheden?
18.1 De samenstelling van de generale synode
Net als de classicale vergadering komt ook de generale synode ‘van onderop’ tot stand. Dat is kenmerkend voor het presbyteriaal-synodale stelsel, zoals het stelsel van kerkregering van kerken als de Protestantse Kerk in Nederland genoemd wordt. Dit stelsel gaat uit van de plaatselijke kerkenraden (presbyteria), die vertegenwoordigers afvaardigen naar ‘synodi’: in deze kerk zijn dat de classicale vergadering en de generale synode (zie ook § 8.1).
Ord. 4-24 regelt de samenstelling van de generale synode nauwkeurig. Om te beginnen vaardigt elke classicale vergadering vijf ambtsdragers af. Dat maakt 5 x 11 = 55 leden. Verder komen er drie afgevaardigden uit de evangelisch-lutherse synode, en een uit de Réunion Wallonne. En ten slotte telt de generale synode enkele afgevaardigden van geassocieerde kerken (zie § 18.15): de Evangelisch-altreformierte Kirche (EAK) in Niedersachsen, de Bond van Vrije Evangelische Gemeenten en de Gereja Kristen Indonesia Nederland benoemen elk een afgevaardigde. Zo komen we op 62 stemgerechtigde leden.
Een gesloten circuit van bestuurders moet voorkomen worden
Een classicale vergadering is slechts tot op zekere hoogte vrij in het aanwijzen van haar afgevaardigden naar de generale synode. Niet meer dan twee van hen mogen lid zijn van de classicale vergadering die hen afvaardigt: minstens drie komen dus rechtstreeks uit de kerkenraden in de classis. Dit voorkomt een te gesloten circuit van kerkelijke bestuurders. Een classispredikant mag sowieso niet worden afgevaardigd naar de generale synode (ord. 4-24-3). Verder is een door de kleine synode vastgesteld rooster van toepassing dat per classicale vergadering aangeeft welke ambten in elk geval onder de afgevaardigden aanwezig moeten zijn. In de praktijk betekent dat dat elke classicale vergadering minstens één predikant en één diaken moet afvaardigen, en meestal ook een ouderling en een ouderling-kerkrentmeester. Voor de vijfde ambtsdrager is de keus volledig aan de classicale vergadering. Voor elke afgevaardigde moet ook een plaatsvervanger (secundus) met hetzelfde ambt worden aangewezen. Elk jaar treedt een vijfde van de leden van de generale synode af, dus moet de classicale vergadering – als er geen tussentijdse vacatures zijn – gewoonlijk jaarlijks één nieuwe afgevaardigde aanwijzen.
Het is denkbaar dat de samenstelling van de generale synode al met al toch wat onevenwichtig wordt wat betreft de soort gemeente waartoe de betrokkenen behoren. Er zijn bijvoorbeeld wel erg weinig afgevaardigden die ambtsdrager zijn in een hervormde gemeente. Dan kan de kleine synode (zie blz. 246) maximaal vijf classicale vergaderingen vragen een extra ambtsdrager (en in dit voorbeeld dan natuurlijk uit een hervormde gemeente) af te vaardigen (ord. 4-24-5). Daarbij kan aangegeven worden om welk ambt het dan moet gaan, zodat ook daarin een zekere evenredige vertegenwoordiging wordt bevorderd, maar dat hoeft niet.
Verslag uitbrengen is niet hetzelfde als verantwoording afleggen
Wie afgevaardigd is, heeft ook de plicht verslag uit te brengen aan de classicale vergadering – dan wel de evangelisch-lutherse synode – die hem of haar afvaardigde (ord. 4-25-2). Daarbij moet opgemerkt worden dat ‘verslag uitbrengen’ niet hetzelfde is als ‘verantwoording afleggen’. Synodeleden doen hun werk ‘zonder last of ruggespraak’: zij besluiten op basis van wat voor de kerk als geheel goed is, ook als dat misschien bij velen in de eigen classis niet direct goed zou vallen.
Ten slotte zijn er de adviseurs. Een daarvan ligt kerkordelijk vast, nl. de president van de evangelisch-lutherse synode (ord. 4-24-2). Voor het overige mag de generale synode het in haar huishoudelijke regeling zelf regelen. Vaste adviseurs komen uit de kring van de generale raad van advies, het bestuur en de directie van de dienstenorganisatie, het generale college voor de visitatie, de Protestantse Theologische Universiteit en het bureau Juridische Zaken.
18.2 Hoe de generale synode werkt
Tweemaal per jaar twee of drie dagen vergaderen: daarmee is het voor de meeste synodeleden formeel wel bekeken (ord. 4-26-1). Een extra, ‘buitengewone’ zitting is denkbaar, maar komt zelden voor. Het kan zijn dat de kleine synode daartoe aanleiding ziet, het kan ook zijn dat minstens drie classicale vergaderingen daarom vragen. Dan moet de synode binnen zes weken bijeenkomen.
Ord. 4-26-2 regelt dat de dagelijkse leiding van de generale synode ligt in handen van haar moderamen. Dat bestaat uit vijf synodeleden, een preses, een scriba, en drie assessoren (letterlijk: bijzitters), een eerste, een tweede en een derde. De voorzitter, naar traditioneel gebruik preses genoemd, en de scriba (de secretaris), treden het meest naar buiten. Praktisch elk jaar begint de eerste synodezitting met de verkiezing van nieuwe moderamenleden. De preses wordt voor vijf jaar gekozen uit de leden van de synode. Meestal betreft het een predikant: zo niet, dan moet assessor I een predikant zijn. Deze treedt op als plaatsvervangend voorzitter, en heeft ook een zittingstermijn van vijf jaar. Dat zal meestal betekenen dat de termijn van vijf jaar waarvoor preses en assessor I door hun classicale vergadering zijn afgevaardigd, wordt overschreden. Dan mogen zij toch aanblijven, zolang zij maar ambtsdrager blijven in hun gemeente: in ord. 3-7-3 is geregeld dat een kerkenraad de zittingstermijn met het oog hierop kan verlengen. Wordt de zittingstermijn als synodelid overschreden, dan wijst de classicale vergadering naast de betrokkene een nieuwe afgevaardigde aan, en verliest de betrokken (plaatsvervangend) preses het stemrecht in de generale synode. De assessoren II en III worden voor een periode van twee jaar gekozen: zij kunnen aansluitend herkozen worden, maar als hun zittingstermijn als synodelid afloopt, is geen verlenging mogelijk.
De scriba heeft een wat andere positie. Deze wordt voor een termijn van vijf jaar benoemd uit alle predikanten van de kerk, en hoeft dus op het moment van benoeming nog geen lid van de synode te zijn. Als dat wel zo is, zou deze predikant in beginsel de termijn als afgevaardigde van de betrokken classicale vergadering kunnen afronden; het ligt echter meer voor de hand dat de classicale vergadering in zijn of haar plaats een ander aanwijst. De scriba kan aansluitend voor een tweede termijn van vijf jaar worden benoemd, en de scriba is fulltime in dienst van de landelijke kerk. Ook de preses wordt – als het een predikant betreft – voor een groot deel van zijn of haar tijd vrijgesteld van werk in de gemeente. De generale synode legt in een instructie vast wat zij van de scriba verwacht.
Dat is wat de kerkorde regelt: voor het overige bepaalt de huishoudelijke regeling van de generale synode wat er moet gebeuren wanneer er een tussentijdse vacature ontstaat of wanneer er tegelijkertijd te veel moderamenleden terugtreden waardoor de continuïteit binnen het moderamen in gevaar kan komen. In de huishoudelijke regeling wordt verder onder meer geregeld hoe de synodevergaderingen worden bijeengeroepen, en hoe de agenda tot stand komt (ord. 4-26-6), maar ook hoe je als synodelid invloed kunt uitoefenen op de besluitvorming. Voor nieuwe synodeleden wordt altijd een bijeenkomst belegd waarin de concrete gang van zaken bij synodevergaderingen wordt toegelicht.
De taak van het moderamen is die van elk dagelijks bestuur
Ord. 4-26-3 beschrijft de taak van het moderamen. Dat is in beginsel die van elk dagelijks bestuur: het moderamen bereidt de vergaderingen van de generale synode en de kleine synode voor, en voert wat daarin besloten wordt uit als er geen andere instantie is aangewezen. Verder zijn er altijd wel formele en administratieve zaken die de synode aan haar moderamen overlaat, en zaken waarmee niet gewacht kan worden tot de volgende synodezitting: daarover – en trouwens over al zijn werkzaamheden – rapporteert het moderamen achteraf aan de synode. Al in 2004 is door de generale synode een document aanvaard, waarin allerlei taken van de generale (en de kleine) synode gedelegeerd zijn aan het moderamen. In de praktijk is het moderamen ook het aanspreekpunt en het gezicht van de kerk: vooral de scriba, maar ook de preses, treden in voorkomende gevallen naar buiten om in het maatschappelijk debat publiekelijk duidelijk te maken waar de kerk voor wil staan.
Net als de classicale vergadering kent ook de generale synode een breed moderamen, hier kleine synode genoemd (ord. 4-26-4). Daarin worden naast de vijf moderamenleden door de generale synode nog vijftien leden gekozen. Voor zestien van de twintig leden ligt het ambt vast: van elke ambtsgroep zijn het er vier. Minstens één lid van de kleine synode moet een lutherse achtergrond hebben, en zo nodig door toevoeging van een of twee adviserende leden wordt het totaalaantal lutheranen in de kleine synode op minimaal drie gebracht. Ook bij de kleine synode geldt dat er voor elk lid een plaatsvervanger (secundus) wordt gekozen die aan dezelfde eisen voldoet als de primus.
Tientallen malen wordt in de kerkorde een taak van de kleine synode genoemd
De taak van de kleine synode wordt in ord. 4-26-5 heel kort omschreven. De synode kent namelijk een aantal ‘organen van bijstand’ (zie ord. 4-27 en § 18.3.1), commissies die een specifieke uitvoerende taak hebben, zoals het besturen van de dienstenorganisatie of het houden van toezicht op de Protestantse Theologische Universiteit. De kleine synode is daarvoor het eerste aanspreekpunt: zij ‘geeft leiding aan en coördineert’ hun werk. Dat klinkt rijkelijk vaag, maar in de praktijk betekent het veel werk. De kerkorde zegt niet met zoveel woorden dat de kleine synode ‘alles moet verrichten wat naar de orde van de kerk van haar wordt gevraagd’ (vgl. de taak van de generale synode, ord. 4-25-1), maar dat had er heel goed kunnen staan. Want vele tientallen malen wordt elders in de kerkorde een taak van de kleine synode genoemd, bijvoorbeeld als het gaat om de indeling van de gemeenten in classes (ord. 2-11; vgl. ord. 2-7-6), om het bijhouden van het register van kerkelijk werkers (ord. 3-12-4; vgl. ook ord. 3-12-13), en vooral om tal van zaken die in ord. 3 zijn geregeld met betrekking tot het predikantschap, zoals het verlenen van emeritaat (ord. 4-25-2) of ontheffing van het ambt (ord. 4-26-1). Verder heeft de kleine synode taken rond het personeelsbeleid (ord. 4-29-6). Zo stelt zij ook de generale regelingen vast die met rechtsposities te maken hebben, voor de predikanten (GR 5), de kerkelijke medewerkers (GR 6) en de kerkmusici (GR 9); de andere generale regelingen worden vastgesteld door de generale synode zelf (ord. 4-25-1). Een belangrijke taak van de kleine synode betreft verder de financiën van de kerk als geheel (zie ord. 11-17 t/m 19). Voor alle taken die in de kerkorde aan de kleine synode zijn toebedeeld, geldt dat de generale synode ze niet naar zich toe kan trekken.
Veel ligt dus elders in de kerkorde al vast. Bovendien kan de generale synode besluiten zaken die op haar agenda thuishoren, te delegeren aan de kleine synode (ord. 4-26-5). Met name op het gebied van het beheer heeft de kleine synode eigen bevoegdheden (zie § 18.17).
18.3 De ondersteuning van het synodewerk
Synodeleden hoeven niet alles zelf te bedenken, want de generale synode krijgt de ondersteuning van een aantal organen van bijstand, door haar benoemde commissies die op specifieke terreinen deskundig zijn. Ook zijn verschillende verantwoordelijkheden, bijvoorbeeld met betrekking tot de kerkelijke rechtspraak, uitbesteed aan zelfstandige colleges. Over organen van bijstand en colleges valt het volgende te zeggen.
18.3.1 Organen van bijstand
De organen van bijstand en hun taken worden genoemd in ord. 4-27. De leden ervan worden benoemd door de generale synode. De synode wijst zelf de voorzitter en de secretaris aan. De algemene regel is dat de leden dezelfde zittingstermijn hebben als ambtsdragers in de kerkenraad: eerst vier jaar, en met verlengingen tot maximaal twaalf jaar (ord. 4-27-2; vgl. ord. 3-7-1). Op deze regel wordt soms in de nadere regeling een uitzondering gemaakt.
Voor alle organen van bijstand geldt dat zij werken in opdracht van, onder verantwoordelijkheid van en in verantwoording aan de generale synode respectievelijk de kleine synode. Zij rapporteren dus periodiek aan de generale synode (ord. 4-27-2,6), die de afhandeling daarvan desgewenst kan delegeren aan de kleine synode (ord. 4-27-7).
Als eerste orgaan van bijstand wordt de generale raad van advies genoemd (ord. 4-27-3). Deze raad adviseert de generale synode in beginsel bij alle inhoudelijke agendapunten, vooral als het werk van de dienstenorganisatie aan de orde is. Het bestuur van de dienstenorganisatie kan ook rechtstreeks advies krijgen van de generale raad van advies.
Daarmee zijn we bij een tweede orgaan van bijstand, het bestuur van de dienstenorganisatie (ord. 4-27-5). De scriba van de generale synode en een ander moderamenlid maken er deel van uit, zolang zij in het moderamen zitting hebben (GR 8-3-2). Voor de andere bestuursleden geldt – in afwijking van ord. 4-27-2 – een zittingstermijn van vier jaar, met eenmaal een mogelijke verlenging van vier jaar (GR 8-3-3). Het bestuur heeft uiteraard als taak de dienstenorganisatie (zie ook ord. 4-27-8) te besturen, binnen de kaders van het door de generale synode vastgestelde beleidsplan en de door de kleine synode vastgestelde begroting (zie verder § 18.3.3).
Ord. 4-27-5 ziet ook een taak voor dit bestuur ten aanzien van de zorg voor de opleiding en begeleiding van predikanten en kerkelijk werkers, maar zegt daarbij ‘voor zover niet aan anderen toevertrouwd’. Immers, de verantwoordelijkheid voor de opleiding van predikanten ligt primair bij de Protestantse Theologische Universiteit en haar raad van toezicht, in ord. 4-27-1 ook genoemd als een orgaan van bijstand (zie hierover verder § 18.6).
De synode kan naar behoeven commissies instellen en bemensen
Nog een ander orgaan van bijstand wordt met name genoemd, namelijk de raad van advies voor het gereformeerd belijden (ord. 4-27-4). De rol die deze raad speelt, komt aan de orde in § 19.7.
Ook andere, hier niet bij name genoemde commissies die namens de synode een taak verrichten – zoals de in ord. 13-17-2 genoemde geschiktheidscommissie voor aankomende predikanten – gelden als organen van bijstand. De synode kan naar behoeven ook verder commissies instellen en bemensen (ord. 4-27-6).
18.3.2 De generale colleges
De in ord. 4-28 genoemde generale colleges hebben een andere, onafhankelijker positie. Voor de meeste ervan is de taak elders in de kerkorde omschreven: op het terrein van het opzicht het generale college voor de visitatie (ord. 10-4 en 10-5-3; zie § 17.6) en het generale college voor het opzicht (waarvan de bevoegdheden zijn geregeld in ord. 10-9; zie § 21.3), dat net als het generale college voor de behandeling van bezwaren en geschillen (ord. 12-8 t/m 11; zie § 22.4) een rechtsprekend college is. Verder is er het generale college voor de toelating tot het ambt van predikant (ord. 13-16) en zijn tegenpool, het generale college voor de ambtsontheffing (ord. 3-20 en 3-21). Nieuw is het generale college voor de behandeling van beheerszaken (ord. 11-23; GR 12-4; zie § 13.7.6). De leden ervan worden benoemd door de generale synode, op voordracht van de classicale colleges voor de behandeling van beheerszaken, die elk een lid uit eigen midden voordragen. Ook de evangelisch-lutherse synode draagt iemand voor, namelijk een lid van haar financiële commissie. Voor alle leden wordt ook een toegevoegd lid voorgedragen, die door de voorzitter ter verrichting van de werkzaamheden van het college kan worden opgeroepen. De generale synode wijst de voorzitter van het generale college aan. Zie voor de taak van dit college § 13.1.4 en § 13.7.6.
Alleen over de taak van het generale college voor de kerkorde is niets te vinden in de kerkorde zelf. In de praktijk heeft dit college de opdracht voorstellen tot wijziging van de kerkorde te formuleren en aan de generale synode voor te leggen (zie § 18.5). Meestal gaat dat op verzoek van de generale synode, maar het college kan ook zelfstandig vaststellen dat een kerkordewijziging gewenst is.
Generale colleges zijn onafhankelijk
Voor de benoeming van leden van de meeste generale colleges gelden dezelfde regels als hierboven genoemd bij de organen van bijstand: minimaal vier, maximaal twaalf jaar. Voor de leden van de rechtsprekende colleges geldt een zittingstermijn van ten hoogste tien jaar, zonder mogelijkheid van verlenging of herbenoeming (ord. 10-8-6). Dit versterkt hun onafhankelijkheid, met name als zij bezwaren tegen besluiten van de generale synode moeten behandelen: zij zijn niet voor een herbenoeming afhankelijk van de generale synode. Omdat het generale college voor de visitatie bestaat uit de voorzitters van de classicale colleges, is de zittingstermijn van deze leden afhankelijk van hun benoeming op classicaal niveau (ord. 10-3-6; zie § 17.6). In alle gevallen wordt de voorzitter van een generaal college door de generale synode aangewezen. Ook generale colleges rapporteren periodiek aan de generale synode.
18.3.3 De dienstenorganisatie
De generale synode is nauw betrokken op de dienstenorganisatie. Het bureau van de generale synode is onderdeel van de dienstenorganisatie, een groot deel van haar agenda wordt voorbereid binnen deze organisatie, en veel van haar besluiten impliceren opdrachten aan de dienstenorganisatie. Het bestuur van de dienstenorganisatie is een orgaan van bijstand van de synode (zie § 18.3.1). De directeur van de dienstenorganisatie is bij de meeste zittingen van de synode als adviseur aanwezig.
In de generale regeling dienstenorganisatie (GR 8) is vastgelegd hoe de verhoudingen zijn. De dienstenorganisatie is een zelfstandig onderdeel van de kerk, met rechtspersoonlijkheid (GR 8-1). Daarin rust de bevoegdheid van de dienstenorganisatie om bijvoorbeeld gebouwen te (ver)huren.
Het bestuur van de dienstenorganisatie bestaat uit zes leden, benoemd door de generale synode (GR 8-3). Verschillende andere functies worden onverenigbaar geacht met die van lid van het bestuur, en expliciet wordt geregeld hoe het lidmaatschap tussentijds kan worden beëindigd of onderbroken (GR 8-3).
De taak van de dienstenorganisatie betreft de dienstverlening aan de opbouw van de gemeenten, de theologische arbeid van de kerk, de missionaire, diaconale en oecumenische opdracht van de kerk, en de ondersteuning van het werk van en ten behoeve van de meerdere vergaderingen, met inbegrip van de fondswerving (GR 8-2). De generale regeling legt verder vast wat precies de taken van het bestuur zijn, hoe men te werk gaat, en hoe de besluitvorming plaatsvindt (GR 8-4 t/m 6). Het bestuur vergadert regelmatig met de algemeen directeur van de dienstenorganisatie, die wordt benoemd door de generale synode (GR 8-8). Zo wordt bepaald hoe het door de generale synode vastgestelde beleid wordt uitgevoerd, en hoe nieuw beleid wordt voorbereid. Het bestuur bereidt het beleidsplan van de dienstenorganisatie voor in nauw overleg met het moderamen van de generale synode. Het beleidsplan wordt uiteindelijk vastgesteld door de generale synode (ord. 4-27-8; GR 8-10).
Het bestuur van de dienstenorganisatie is niet zelf werkgever, maar de kerk
In het besturenoverleg met vertegenwoordigers van de classicale vergaderingen (GR 8-9) vindt afstemming plaats van het beleid op landelijk en op classicaal niveau. Via werk- en beraadsgroepen, waarvan de leden worden benoemd door de algemeen directeur, worden naast de medewerkers van de dienstenorganisatie ook deskundige gemeenteleden betrokken bij het beleid.
De kerk is werkgever van allen die op arbeidsovereenkomst werken voor de landelijke kerk (GR 6-1-1): zij hebben een rechtspositie die is gebaseerd op de generale regeling rechtspositie kerkelijke medewerkers (GR 6). Dat geldt zowel voor wie werkzaam zijn in de dienstenorganisatie als voor predikanten in algemene dienst (ord. 3-22-6; 3-29-1). Het bestuur van de dienstenorganisatie is dus niet zelf de werkgever, maar de kerk, in dezen vertegenwoordigd door de generale synode. Het overleg over de arbeidsvoorwaarden wordt van de zijde van de kerk in het georganiseerd overleg gevoerd door een delegatie van vijf door de kleine synode benoemde personen, van wie drie op aanbeveling van het bestuur van de dienstenorganisatie. De algemeen directeur is een van hen. Omdat GR 6 ook geldt voor werknemers op plaatselijk en classicaal niveau, benoemt ook de Vereniging voor Kerkrentmeesterlijk Beheer twee leden van deze delegatie (GR 6-2-1). In de generale regeling en daarbij behorende uitvoeringsbepalingen vindt men de afspraken op alle terreinen die in een cao behoren, zoals de wijze waarop een arbeidsovereenkomst tot stand komt, de wederzijdse verplichtingen van werkgever en werknemer, regelingen rond arbeidsongeschiktheid, vakanties en verlof.
18.3.4 Kerkelijke instellingen
Naast de al bestaande organen van bijstand kan de generale synode desgewenst ook nieuwe ‘kerkelijke instellingen’ in het leven roepen (ord. 11-24). Het gaat dan om het uitbesteden van de uitvoering van een deel van het kerkelijk werk. Zo’n instelling heeft rechtspersoonlijkheid als zelfstandig onderdeel van de kerk (vgl. art. 2:2 BW), net zoals een gemeente (zie § 1.4). Een en ander moet bij generale regeling worden geregeld. Daarin worden dus de taken van de instelling vastgelegd, alsmede de samenstelling, taken en bevoegdheden van het bestuur van de instelling. De leden worden door de generale synode benoemd. De verhouding tot de generale synode dient in de generale regeling nauwkeurig beschreven te zijn. Daarin staat ten slotte ook een regeling voor het opheffen van de instelling. Tot nu toe kent de kerk twee kerkelijke instellingen: de PThU en de Dienstenorganisatie.
18.4 Dienstboek, liedboek en bijbelvertalingen
Tot de taken van de generale synode behoort ook het vaststellen van orden van dienst die tezamen het dienstboek van de kerk vormen (ord. 5-9-1). In het hoofdstuk over de eredienst kwamen we in deze Toelichting dit dienstboek al veelvuldig tegen. Het biedt in een brede variatie orden voor de eredienst, met inbegrip van de bediening en viering van de sacramenten en andere liturgische handelingen (zie § 4.5). Het dienstboek bestaat inmiddels uit twee boeken, het Dienstboek: Een Proeve – Schrift, Maaltijd, Gebed (1998) en het Dienstboek: Een Proeve. Deel II – Leven, Zegen, Gemeenschap (2004).
We zagen ook al dat de generale synode een of meer bijbelvertalingen aanwijst en een of meer psalm- en gezangboeken aanbiedt. Ook zo ‘bevordert de synode de eenheid in de kerk’ (ord. 5-9-1; vgl. ord. 4-25-1), maar de woordkeus in ord. 5-9 maakt direct duidelijk dat het er niet om kan gaan alles ‘van bovenaf’ in de grootst mogelijke uniformiteit te regelen.
‘Bij voorkeur’: dat geeft de nodige ruimte
Opvallend zijn de nuances in de gebruikte werkwoorden. Bijbelvertalingen worden door de synode aangewezen. Wat de Protestantse Kerk in Nederland betreft, is dat alleen gebeurd met de Nieuwe Bijbelvertaling (2004), maar ook de vertalingen die voor de vereniging van 2004 in gebruik waren – de Statenvertaling en de NBG-vertaling – gelden als aangewezen. Psalm- en gezangboeken worden aangeboden: hier gaat het – naast de bundels die vóór 2004 in gebruik waren in de afzonderlijke kerken, waaronder de ‘oude psalmberijming’ en het Liedboek voor de Kerken van 1973 – om het Liedboek: zingen en bidden in huis en kerk van 2013. Vertalingen en liedbundels worden in de eredienst ‘bij voorkeur’ gebruikt (ord. 5-9-1). Dat geeft de nodige ruimte. Orden van dienst (samengebracht in het dienstboek van de kerk) worden echter vastgesteld, en hier geldt een sterkere verplichting er gebruik van te maken – waarbij overigens het Dienstboek een grote afwisseling aan mogelijke teksten laat zien op praktisch alle terreinen. De Waalse gemeenten, verenigd in de Réunion Wallonne, hebben krachtens ord. 4-20-4 de ruimte voor een eigen beleid op dit terrein. Ook geassocieerde kerken (zie § 18.15) hebben deze ruimte.
Een besluit op dit terrein neemt de synode niet in één keer. In een eerste stap geeft de generale synode een orde, bijbelvertaling of liedboek vrij ‘ter beproeving door de gemeenten’ (ord. 5-9-3). Na enige tijd worden dan de classicale vergaderingen gehoord over de ervaringen in de gemeenten, en wordt ook advies gevraagd aan ‘de organen van de kerk die op het desbetreffende terrein werkzaam zijn’, dat wil zeggen: de (betrokken onderdelen van de) dienstenorganisatie. Zo is het ook gegaan met het Liedboek 2013. Bij het Dienstboek gaat het echter nog altijd om ‘proeven’, waarover de synode nog een definitief besluit moet nemen (ord. 5-9-3). Onder de door de synode vastgestelde orden worden ook gerekend de orden van de kerken die zijn samengegaan in de Protestantse Kerk in Nederland; daaronder vallen dus ook de klassieke formulieren die vóór de vereniging in de kerken in gebruik waren.
Het in ord. 5-9-4 genoemde ‘kerkboek’ heeft iets fictiefs; het bestaat niet als een boek in één band. Alleen al vanwege de omvang zou een bundel als bedoeld – met daarin psalmen, gezangen, orden van dienst én belijdenisgeschriften – nooit in één uitgave kunnen worden gebundeld.
18.5 De kerkorde
Praktisch elk jaar staan op de agenda van de generale synode wel voorstellen tot wijziging van de ordinanties (en zelden ook van de eigenlijke kerkorde) en/of de generale regelingen. De taak van de synode om de tekst van de kerkorde en de ordinanties vast te stellen, wordt in de ordinanties niet met zoveel woorden genoemd: die ligt impliciet in de woorden ‘het verrichten van alles wat verder naar de orde van de kerk van haar wordt gevraagd’ (ord. 4-25-1). Het gaat hier om een taak van zo groot gewicht dat de procedure geheel in de eigenlijke kerkorde is vastgelegd. De drie slotartikelen van de kerkorde (art. XVII t/m XIX KO) handelen daarover. In ord. 4-25-1 wordt onder de taken van de generale synode wel genoemd het vaststellen van de generale regelingen (voor zover dit niet is opgedragen aan de kleine synode).
De generale synode kan ordinanties niet zomaar aanpassen
Generale regelingen kunnen door de generale synode met een gewone meerderheid van stemmen worden gewijzigd of vastgesteld. Ze mogen uiteraard niet in strijd komen met de ordinanties of de eigenlijke kerkorde. Maar ordinanties kan de generale synode niet zomaar aanpassen. Een voorstel tot wijziging kan worden ingediend door een classicale vergadering, door de evangelisch-lutherse synode of door een orgaan van bijstand van de generale synode, al dient men zich daarover wel een- en andermaal te beraden (art. XVII lid 3 KO), Ook in de generale synode zelf kan zo’n voorstel worden ingediend. Wordt een principebesluit tot wijziging genomen, dan krijgt het generale college voor de kerkorde de opdracht met een tekstvoorstel te komen. Het is daarbij overigens denkbaar dat het college moet constateren dat de voorgestelde wijziging niet mogelijk is, bijvoorbeeld omdat dat zou strijden met de eigenlijke kerkorde of met het burgerlijk recht. Gewoonlijk komt er wel een tekstvoorstel. De generale synode stelt dat, al dan niet bij amendement aangepast, in eerste lezing vast. Daarna legt zij het eerst voor aan de kerkenraden ‘ter consideratie door de classicale vergaderingen en door de evangelisch-lutherse synode’ (art. XVII lid 4 KO; zie boven, § 1.2.1). Als de consideraties binnen zijn, worden die eerst bekeken door het generale college voor de kerkorde, dat rapporteert aan de generale synode en eventueel een aangepast tekstvoorstel doet. Pas daarna kan de synode de desbetreffende ordinantie of wijziging in een ordinantie definitief vaststellen.
Soms is wel duidelijk dat een dergelijke ingewikkelde procedure haar doel voorbij zou schieten, bijvoorbeeld als het alleen maar gaat om de wijziging van de naam van een in de ordinanties genoemde instelling. Dan kan de generale synode bij de behandeling in eerste lezing met alle geldig uitgebrachte stemmen als haar oordeel uitspreken dat het evident is dat de consideratie door de mindere vergaderingen niet noodzakelijk is, en is zij bevoegd de beoogde wijziging direct definitief vast te stellen.
Dezelfde procedure wordt ook gevolgd als de generale synode nieuwe overgangsbepalingen bij de ordinanties wil vaststellen (ovb. 1). Bovendien is het generale college voor de kerkorde (als ‘commissie van overgang’) bevoegd bij gebleken onduidelijkheden, oneffenheden en dergelijke in ordinanties, generale regelingen of overgangsbepalingen, een voorlopige correctie aan te brengen (ovb. 2). De kleine synode is bevoegd die correctie binnen dertig dagen buiten werking te stellen; zo niet, dan blijft die van kracht totdat langs de normale weg over een kerkordewijziging is beslist.
Op dezelfde manier als ordinanties kan blijkens het daaropvolgende kerkordeartikel ook een wijziging in de eigenlijke kerkorde worden aangebracht, maar er is één verschil: bij de behandeling in tweede lezing is een meerderheid van twee derde van de uitgebrachte geldige stemmen vereist (art. XVIII-5 KO).
Bovendien is voor een wijziging die betrekking heeft op de evangelisch-lutherse gemeenten of de evangelisch-lutherse synode al bij de eerste lezing instemmend advies van de evangelisch-lutherse synode vereist (art. XVIII-5 KO).
Artikel XIX KO gaat over de orde van de kerk in tijden van nood, en maakt het mogelijk dat bij buitengewone omstandigheden van land en volk die het normaal functioneren van het leven van de kerk onmogelijk maken, van de orde van de kerk afwijkende maatregelen worden genomen.
18.6 De predikantsopleiding
Ook met de predikantsopleiding krijgt men als lid van de synode regelmatig te maken, bijvoorbeeld als er voorstellen voor benoemingen op de agenda staan. Een van de belangrijkste verantwoordelijkheden van de generale synode betreft immers de zorg voor de opleiding en vorming van predikanten. Het belang voor kerk en gemeenten van goed opgeleide predikanten die een op het gemeentewerk toegesneden persoonlijke en spirituele vorming hebben gehad, kan nauwelijks overschat worden.
Bij de predikantsopleiding denken we onmiddellijk aan de Protestantse Theologische Universiteit (PThU). De uitvoerige regelingen zijn te vinden in ord. 13 en in GR 14 en 15 (vgl. art. XV KO). Eerder kwam in deze Toelichting al aan de orde wat deze regelingen betekenen voor iemand die predikant wil worden. Nu wordt eerst de structuur van deze instelling besproken. Daarna komt de eigen verantwoordelijkheid van de synode aan de orde.
18.6.1 De structuur van de Protestantse Theologische Universiteit
Als erkende, bijzondere universiteit voldoet de PThU aan de eisen die de wet stelt met betrekking tot haar bestuurlijke structuur. Er is een college van bestuur onder voorzitterschap van de rector (ord. 13-4). De leden van het college van bestuur worden benoemd door de raad van toezicht.
Voor een goed begrip van de verhoudingen gaan we hier wat dieper in op de opzet van de predikantsopleiding aan de PThU. Ord. 13-2 en GR 14-1 zeggen daar meer over. Van belang is dat de PThU een kerkelijke rechtspersoon is, naar art 2:2 BW (ord. 13-2-2), en dat de PThU ook een taak heeft op het gebied van theologisch wetenschappelijk onderzoek en van kerkelijke en maatschappelijke dienstverlening (ord. 13-2-3; 13-8-2).
Dat de Protestantse Theologische Universiteit een universiteit heet, hangt samen met de wetgeving van de overheid. De PThU is in de zin der wet een ‘levensbeschouwelijke universiteit’, evenals bijvoorbeeld de Theologische Universiteit van de Christelijke Gereformeerde Kerken in Apeldoorn. Op grond daarvan wordt de PThU door de overheid op eenzelfde wijze bekostigd als andere, ‘gewone’ universiteiten, maar zij moet dan ook aan dezelfde kwaliteitseisen voldoen. Dit alles neemt niet weg dat het hier gaat om een universiteit met één faculteit, de theologische.
In de praktijk werkt de PThU nauw samen met de Vrije Universiteit en de Rijksuniversiteit Groningen (GR 14-1).
De raad van toezicht is de schakel tussen kerk en PThU (ord. 13-1-1). Deze heeft ten opzichte van de synode een verantwoordings- en inlichtingenplicht (GR 14-7). Ord. 13-3, over de raad van toezicht, wordt verder uitgewerkt in GR 14-5,6. In deze Toelichting komen alleen de hoofdlijnen aan de orde. Krachtens de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) dient de raad van toezicht professioneel, deskundig en onafhankelijk te zijn. Dat heeft consequenties voor de samenstelling, de wijze van benoeming en het onafhankelijk functioneren van de raad van toezicht. De raad is zodanig samengesteld dat deugdelijk en onafhankelijk toezicht mogelijk is (zie ord. 13-3-3, verder uitgewerkt in GR 14-5).
De leden van de raad van toezicht van de PThU moeten onafhankelijk zijn
De raad van toezicht heeft volgens ord. 13-3-1 tot taak ‘de belangen te verzorgen van de opleiding en vorming van de predikanten’ en is met name belast met het toezicht op het bestuur van de PThU. Sleutelwoorden in ord. 13-3-2 zijn vervolgens: houden van toezicht op bestuur en beheer en op de uitvoering van de aan de PThU opgedragen taken, het verlenen van goedkeuring – ten aanzien van samenwerking van de PThU met theologische faculteiten van de VU en de RUG, en ten aanzien van overeenkomsten met de rijksoverheid inzake financiering –, en het doen bijhouden van het album van de kerk (zie § 16.1.1). GR 14-6 werkt bepaalde onderdelen verder uit. Het toezicht betreft het voldoen aan wettelijke en kerkordelijke regelingen, de goedkeuring van reglementen, instellingsplannen, begrotingen en jaarrekeningen, samenwerkingsovereenkomsten en dergelijke.
Wat ten slotte de samenstelling van de raad van toezicht betreft: het gaat om vijf belijdende leden van de kerk, die door de generale synode of vanwege haar – dat wil zeggen: door de kleine synode – worden benoemd. In GR 14-5 wordt duidelijk dat de synode bij een benoeming niet over één nacht ijs gaat: onder meer de generale raad van advies en het college van bestuur van de PThU dienen te worden gehoord. In GR 14-5-6 wordt verder duidelijk gemaakt dat de leden van de raad van toezicht onafhankelijk dienen te zijn. Dubbelfuncties met het lidmaatschap van enig in de procedure betrokken orgaan, of bijvoorbeeld met het docentschap aan enige theologische onderwijsinstelling, zijn daarom niet toegestaan.
De leden van het college van bestuur wonen de vergaderingen van de raad van toezicht met adviserende stem bij, tenzij de raad van toezicht anders beslist (GR 14-5-7).
Naast een college van bestuur en een raad van toezicht is er ten slotte ook nog een raad van advies. Nu sinds 2007 alleen de PThU de opleiding en vorming van predikanten voor haar rekening neemt, zou het risico kunnen bestaan dat de kerkelijke en theologische verscheidenheid die vroeger gegeven was met het bestaan van meerdere instellingen op meerdere locaties, minder zichtbaar zou worden. De raad van advies (ord. 13-5) wordt alleen al in zijn samenstelling geacht die verscheidenheid te weerspiegelen. De (maximaal) negen leden, benoemd door de raad van toezicht na afstemming met onder andere de kleine synode, moeten dus afkomstig zijn uit de breedte van de Protestantse Kerk in Nederland. Zij moeten ook deskundig zijn op de verschillende terreinen waarop de (dienstdoende) predikanten van de kerk werkzaam zijn, zegt lid 4. Daarin moet in elk geval worden voorzien. Overigens sluit de tekst van lid 4 niet uit dat als adviseurs ook personen van buiten de Protestantse Kerk in Nederland worden toegevoegd, bijvoorbeeld op grond van deskundigheid.
Ten slotte dient vermeld te worden dat de PThU ook een actieve rol speelt in het bewaren en aan de gehele kerk dienstbaar maken van de lutherse traditie (ord. 13-2-4; GR 14-6-3). Ook het vroegere Evangelisch-Luthers Seminarium is immers opgegaan in de PThU (al wordt het nog wel vermeld in ord. 4-21-6 en 13-2-2), en de kerk wil niet alleen in de gereformeerde (calvinistische), maar ook in de lutherse
traditie staan (zie hoofdstuk 19). Juist omdat het aantal lutheranen binnen de kerk relatief gering is, is op dit punt in de ambtsopleiding een speciale voorziening getroffen.
18.6.2 De rol van de generale synode
Nu kijken we vooral naar de verantwoordelijkheden die de generale synode hierin heeft, steeds ondersteund door de raad van toezicht. Wat doet de synode zelf op dit gebied?
Allereerst benoemt de synode de voorzitter en de andere leden van de raad van toezicht (ord. 13-3-3; vgl. GR 14-5); eventueel machtigt zij daartoe de kleine synode of het moderamen (daarom staat er: ‘of vanwege de generale synode’).
De directe bemoeienis van de synode bij de PThU is beperkt
Zij stelt verder de vereisten en de eindtermen vast voor de opleiding en vorming van predikanten (ord. 13-1-2). Een aantal daarvan ligt al vast in de kerkorde (zie ord. 13-1-3,4). Daarbij wordt wat de eindtermen betreft een onderscheid gemaakt tussen de opleiding tot (gemeente)predikant en die tot predikant-geestelijk verzorger.
Bij de benoeming en eventueel de schorsing van de leden van het college van bestuur en van de raad van advies is zij meer indirect betrokken. De raad van toezicht benoemt hen namelijk (ord. 13-4-3 resp. 13-5-2), nadat daarover overeenstemming is bereikt met de generale synode respectievelijk de kleine synode. Het college van bestuur benoemt (en ontslaat eventueel) dan weer de hoogleraren en docenten van de PThU, waarbij de goedkeuring van de raad van toezicht nodig is, terwijl ook hier overeenstemming moet zijn bereikt met de generale synode c.q. de kleine synode (ord. 13-6-1,2). Van dat instemmingrecht kan de synode overigens voor bepaalde benoemingen afzien, maar dat moet zij dan wel regelen in GR 14 (ord. 13-6-9). Ook kan de generale synode in een individueel geval ontheffing geven van de eis dat een hoogleraar of docent belijdend lid van de kerk moet zijn en ten minste vier jaar als predikant de kerk moet hebben gediend (ord. 13-6-4).
Verder beroept de generale synode hoogleraren en docenten zo mogelijk tot predikant met bijzondere opdracht (ord. 13-6-8). En ten slotte is de vestiging van een bijzondere leerstoel aan de PThU alleen mogelijk als de generale synode daarmee instemt (ord. 13-7-1).
18.7 Het belijden van de kerk
Het meest fundamentele wat de kerkorde kan zeggen over de kerk is te vinden in artikel I KO. Daar lezen we onder meer: ‘Betrokken in Gods toewending tot de wereld, belijdt de kerk in gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift als enige bron en norm van de kerkelijke verkondiging en dienst, de drie-enige God, Vader, Zoon en Heilige Geest’ (art. I-3 KO), en : ‘De kerk weert wat haar belijden weerspreekt’ (art. I-11 KO). De betekenis van de belijdenisgeschriften, de relatie die daarmee is gegeven tot de lutherse en de gereformeerde traditie, en de relatie van de kerk tot Israël, komen in het volgende hoofdstuk aan de orde.
Op het eerste gezicht ligt wat de kerk belijdt stevig verankerd in datzelfde artikel, met name in de in art. I-4 genoemde symbolen en belijdenisgeschriften. Maar de praktijk is weerbarstiger, en de generale synode kan ook op dit punt besluiten moeten nemen. Dan wordt de uitdaging van ord. 4-25-1 heel concreet: de generale synode bevordert de eenheid van de kerk, maar houdt daarbij zo veel mogelijk rekening met de kerkelijke verscheidenheid binnen de kerk. Maar soms moet de synode grenzen stellen, en weren wat haar belijden weerspreekt (art. I-11 KO): dat kenmerkt haar rol in het opzicht over de verkondiging en de catechese. Daarover gaat het hieronder eerst. Het kan ook zijn dat er een gravamen (een bezwaar tegen het belijden van de kerk) wordt ingediend (zie ook § 17.8). Of de synode moet zich afvragen of met de in artikel I KO genoemde historische documenten alles gezegd is, of dat de inhoud van het belijden opnieuw bepaald moet worden. Wat dat alles voor de agenda van de synode kan betekenen, komt in § 19.5 aan de orde.
18.8 Het opzicht over de verkondiging en de catechese
De generale synode kan geroepen zijn zich een oordeel te vormen over de opvattingen van bijvoorbeeld een predikant. Het opzicht binnen de kerk is weliswaar in beginsel opgedragen aan onafhankelijke colleges voor de visitatie (zie § 17.6) en voor het opzicht, maar als het gaat om ‘het opzicht over de verkondiging en de catechese alsmede over de opleiding en vorming van predikanten’ (ord. 10-13 t/m 15), kan de synode zelf een beslissende rol moeten spelen.
Dit opzicht betreft namelijk de leer van de kerk: het is gericht op de ‘rechte bediening van het Woord’ en op wering uit de verkondiging en het onderricht van datgene ‘wat de fundamenten van de kerk aantast’ (ord. 10-13-1). Hiermee wordt uitwerking gegeven aan wat is bepaald in art. I-11 KO, namelijk dat de kerk weert al wat haar belijden weerspreekt.
De bepaling noemt als criterium dat de fundamenten van de kerk worden aangetast door een prediking en onderricht die de gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift uitsluiten en de gemeenschap met de belijdenis van het voorgeslacht verbreken. Bij leertucht gaat het niet over zaken van ondergeschikt belang of over de interpretatie van enkele Schriftgegevens: het gaat om zaken waarbij de gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift als zodanig op het spel staat (‘de gehoorzaamheid uitsluit’) of waarbij de relatie tot het belijden als geheel wordt ‘verbroken’.
Zaken van deze aard komen pas in de generale synode aan de orde als een classicale vergadering de synode op de hoogte heeft gesteld (zie § 17.7). Hoe zo’n procedure precies verloopt en wat de uitkomst kan zijn, komt aan de orde in het hoofdstuk over het opzicht (zie § 21.7).
18.9 Publiek spreken
In de ordinantie over het belijden van de kerk gaat het ook over de vraag hoe de kerk vandaag de dag vanuit haar belijden kan spreken over thema’s die leven in de cultuur, de maatschappij of de staat, zoals dat in art. I-6 KO aan de orde is. Feitelijk is het bestaan van de kerk zelf al een oproep tot vernieuwing van het leven. De kerk belijdt Jezus Christus als Heer en Verlosser van de wereld, en dat niet alleen in haar vieren, dus in de kerkdiensten, en in haar handelen, haar diaconale en missionaire optreden naar buiten, maar soms ook door publiek te spreken, te ‘getuigen voor mensen, machten en overheden van Gods beloften en geboden’ (art. I-6 KO).
Om te beginnen draagt de kerk bij aan de meningsvorming in de gemeenten
Hoe gebeurt dat laatste? Hier ligt allereerst een taak voor de generale synode. Ord. 1-3 noemt drie mogelijke vormen van spreken, steeds dringender. Om te beginnen draagt de kerk bij aan de meningsvorming over maatschappelijke vragen in de eigen gemeenten, om zo gemeenteleden te helpen hun positie in de samenleving te bepalen (ord. 1-3-2). Men kan hier denken aan door de generale synode aanvaarde nota’s als die over Het Israëlisch-Palestijns conflict in de context van de Arabische wereld van het Midden-Oosten (2008) en De kerk en de democratische rechtsstaat (2009). In een volgende stap levert de kerk – bij monde van de generale synode – ook zelf vanuit haar belijden een bijdrage aan het maatschappelijk debat (ord. 1-3-3); feitelijk gebeurt dat ook wel in het kader van het CIO, het Interkerkelijk Contact in Overheidszaken. Als de generale synode zich ernstig zorgen moet maken over ontwikkelingen in politiek en samenleving, omdat er werkelijk fundamentele waarden op het spel staan, dan raakt dat direct aan het belijden van de kerk. Dan kan de generale synode nog een stap verder gaan en laat zij een getuigenis uitgaan (ord. 1-3-4). Daarbij laat de synode zich goed adviseren door de dienstenorganisatie en andere organen van bijstand, en indien mogelijk werkt zij samen met andere kerken (ord. 1-3-6), bijvoorbeeld in de Raad van Kerken in Nederland.
Meestal zal het de generale synode zijn die zich tot een van deze stappen geroepen weet. Maar het is ook denkbaar dat een kerkenraad of een classicale vergadering zich wil uitspreken. Dat kan, maar alleen als het om een zaak gaat die in die plaats of regio speelt (ord. 1-3-5).
18.10 Missionaire en diaconale arbeid van de kerk
Regelmatig komt in de synode het missionaire en diaconale werk van de landelijke kerk aan de orde. Het kan gaan om het werk waarin Kerk in Actie samenwerkt met kerken en organisaties over heel de wereld, of over het binnenlands diaconaat waarvoor Kerk in Actie zich ook inzet, of het kan ook gaan om de pioniersplekken, een nieuwe ontwikkeling waarvoor in de kerkorde nog geen specifieke regelgeving is opgenomen.
Opmerkelijk en kenmerkend is dat dit werk in de kerkorde aan de orde komt in ordinantie 14, over de oecumene. Het typeert de inzet om oecumenische samenwerking, gemeenschap en eenheid een spits te laten krijgen in het gezamenlijke getuigenis en de gezamenlijke dienst (vgl. ook art. XVI-2,3 KO). Of ook omgekeerd: de inzet om op missionair en diaconaal terrein samen te werken met andere kerken. Dat geldt niet alleen internationaal: ook binnen Nederland wordt bijvoorbeeld in vluchtelingenwerk en armoedebestrijding nauw samengewerkt met andere kerken, onder meer in de Raad van Kerken in Nederland.
Zoals ord. 8, waar het gaat over de missionaire en de diaconale arbeid van de gemeente, begint met een artikel over samenhang en eigenheid, zo gaat dat ook in dit gedeelte van ord. 14. Zending is geen werelddiaconaat, en binnenlands diaconaat is geen evangelisatie, maar het een hangt wel met het ander samen. Wordt de eigenheid van elk van beide miskend en worden ze dus geïdentificeerd, dan kan dat bijvoorbeeld betekenen dat het getuigenis erbij inschiet, omdat het woord opgaat in de daad. Wordt daarentegen de samenhang niet gezien en worden ze daarom te ver uit elkaar getrokken, dan worden de woorden vrijblijvend en de daden weinigzeggend.
Kenmerkend is de wederkerigheid in de relaties met de partners
Waar bestaat die samenhang dan in? Ord. 14-7 noemt een aantal elementen. Het begint eigenlijk al in de voorbede, waarin het werk gedragen wordt. Het gaat dus om interkerkelijke samenwerking. De opdracht ligt in Nederland primair bij de gemeenten, in het buitenland bij gemeenten en kerken ter plaatse, en de kerk neemt deel aan de vervulling van die opdracht. Zij is partner, niet de exclusieve uitvoerster. In dat kader wordt medewerking verleend aan de opbouw van het kerkelijk leven van de partners en wordt – bij diaconale arbeid – bijstand verleend aan andersoortige groepen en bewegingen. Kenmerkend is de wederkerigheid in de relaties met de partners. Het impliceert een voortdurend van elkaar willen leren, elkaar bemoedigen en elkaar op nieuwe mogelijkheden wijzen.
In ord. 14-7-5 vindt men een parallel van ord. 8-1-5. De relatie tot mensen van
andere godsdiensten is gegeven met de arbeid van getuigenis en dienst. De kerk ontmoet daarin andere godsdiensten, dat wil zeggen: mensen, gebruiken, waardesystemen en andere uitingen. Daar gaat zij respectvol mee om, open voor gesprek en voor concrete samenwerking. Getuigenis en dienst zijn daarmee niet overbodig of onmogelijk, maar ze worden wel op een bepaalde wijze gekleurd. Ten slotte wijst ord. 14-7 nog op een specifieke taak van de kerk: zoals de opleiding van predikanten zaak is van de kerk en niet van de afzonderlijke gemeenten, zo geldt dat ook voor de werving, opleiding en vorming van wie in een ambt of dienst werkzaam zijn op missionair of diaconaal terrein. Uiteraard betekent dat niet dat bijvoorbeeld iemand die diaconaal bezig wil zijn op het terrein van agrarische voorlichting in Afrika, daartoe door de kerk wordt opgeleid. Zo iemand krijgt in aanvulling op de beroepsopleiding een specifieke vorming via de dienstenorganisatie van de kerk. Het in dit verband in GR 14-10,11 genoemde Hendrik Kraemer Instituut functioneert echter niet meer als opleidingsinstituut.
Met mensen, gebruiken en waardesystemen van anderen gaat de kerk respectvol om
Als het gaat om de missionaire arbeid van de kerk valt ook de term ‘zendingsopdracht’. Die wordt echter, anders dan vroeger gebruikelijk, zowel op het getuigenis wereldwijd als op dat in Nederland toegepast. Het gaat zowel om wie het Evangelie niet kennen als om wie ervan vervreemd zijn geraakt.
Voor het overige geeft ord. 14-8 alleen aan wat in het bijzonder de taak is van de generale synode. Het gaat om bewustmaking en ondersteuning van de gemeenten, om het bevorderen van samenwerking tussen de gemeenten, om algemene leiding en coördinatie, en uiteraard om het organiseren en stimuleren van de geldwerving. Daarmee lijkt weinig nieuws gezegd. Toch is het van belang te benadrukken dat hiermee een opzet wordt bevorderd waarin de gemeenten slechts in goed overleg of contact met andere gemeenten of met de dienstenorganisatie hun eigen zendingsprojecten kiezen, eventueel in samenwerking met particuliere organisaties. De samenhang van kerk en gemeenten is ook hier van belang. De kerk is verplichtingen aangegaan tegenover buitenlandse partners en mag daarbij rekenen op de loyaliteit van de gemeenten. Tegelijk is er de kerk en haar dienstenorganisatie alles aan gelegen dat het zendingswerk zo wordt opgezet dat een gemeente zich er goed in kan herkennen: Kerk in Actie biedt daarvoor heel concrete mogelijkheden.
De generale synode draagt medeverantwoordelijkheid voor de missionaire arbeid van twee modalitaire uitvoeringsorganisaties, de Gereformeerde Zendingsbond en de IZB, vereniging voor zending in Nederland.
Het is niet aan te bevelen dat een gemeente zonder overleg haar eigen projecten kiest
De samenhang van missionair en diaconaal werk kan blijken uit de grote parallellie in de beschrijving van beide. Ord. 14-9 lijkt sterk op ord. 14-8. Uiteraard ligt het verschil in de inhoud van de opdracht. Bij diaconale arbeid gaat het om de dienst van barmhartigheid en gerechtigheid, waarin de roeping aan de orde is zich in te zetten voor wie lijden en hen bij te staan in het zoeken naar vertroosting en gerechtigheid. De aanduiding van de oorzaken van dat lijden – ‘door armoede, onrecht, achterstelling en ziekte’ – is uiteraard niet beperkend bedoeld: ook, of misschien wel juist wie lijdt door ‘eigen schuld’ staat niet buiten de diaconale opdracht van de kerk.
In de beschrijving van de diaconale taken van de generale synode vindt men één extra taak in vergelijking tot de missionaire arbeid: waar het gaat om diaconaat komt al snel de overheid in beeld: waar nodig spreekt de generale synode overheid en samenleving aan op hun verantwoordelijkheid voor het bevorderen van de gerechtigheid. Zie hiervoor ord. 1-3 (zie § 18.9).
Ook op diaconaal gebied zijn de gemeenten dus aangewezen op andere gemeenten en op de dienstenorganisatie bij de keuze van projecten, vanwege de verplichtingen die de kerk als geheel is aangegaan, maar meer nog vanuit de zaak zelf. Kerk en gemeenten hebben elkaar daarbij steeds weer nodig. Het is dus niet aan te bevelen dat een gemeente hier zonder overleg haar eigen gang gaat. Het is wel goed als zij jegens de dienstenorganisatie heel duidelijk maakt wat zij verlangt.
18.11 De pastorale arbeid
Regelmatig beroept de generale synode predikanten-geestelijk verzorger voor wat categoriaal pastoraat genoemd wordt. In ord. 14-10 wordt over de bovenplaatselijke verantwoordelijkheid op dit terrein gesproken. Daarover zegt art. XVI KO niets. Toch heeft de kerk als geheel hier een onmiskenbare eigen taak, en ook hier wordt veelal samengewerkt met andere kerken. Er is de laatste decennia een grote ontwikkeling geweest op het gebied van het categoriale pastoraat. Door veranderingen in de wetgeving en in maatschappelijke opvattingen, maar ook door een sterker besef van de verantwoordelijkheden van de kerk voor de samenleving als geheel, is er meer aandacht gegroeid voor de mogelijkheden om pastorale zorg te verlenen in bijvoorbeeld instellingen voor gezondheidszorg door predikanten(-geestelijk verzorger) met bijzondere opdracht (ord. 3-23) dan wel kerkelijk werkers met bijzondere opdracht (ord. 3-13).
Men zou aan andere mogelijkheden van categoriaal pastoraat kunnen denken
Bij alle veranderingen in de krijgsmacht is ook daar nog altijd de mogelijkheid van het verzorgen van pastoraat van overheidswege gewaarborgd, terwijl de overheid ook het justitiepastoraat ruimte geeft. Predikanten die op deze terreinen op landelijk niveau werkzaam zijn, vallen eveneens binnen de categorie van de predikanten met bijzondere opdracht (ord. 3-23). De generale synode kan geen kerkelijk werkers met bijzondere opdracht aanstellen. Voor het overleg met de overheid over dergelijke vormen van pastoraat is er het Interkerkelijk Contact in Overheidszaken (CIO) met diverse subcommissies op specifieke terreinen.
De ordinantie noemt slechts enkele voorbeelden: men zou aan andere mogelijkheden van categoriaal pastoraat kunnen denken. Vanouds is het studentenpastoraat welbekend (vgl. ord. 9-7), terwijl ook industriepastoraat en recreatiepastoraat wel eigen vormen gevonden hebben. In ord. 14-10 wordt de mogelijkheid voor de synode om in haar beleid andere sectoren te verkennen of prioriteit te verlenen, in elk geval niet uitgesloten. Overigens valt het op dat anders dan in ord. 14-8,9 de taken van de generale synode op dit terrein hier niet gespecificeerd worden. Ze liggen er wel, niet alleen in het beroepen van de betrokken predikanten, maar bijvoorbeeld ook in het genoemde overleg met de overheid, in de sfeer van de opleidingen en ten aanzien van de geldwerving.
18.12 Oecumene
De generale synode heeft onder meer tot taak ‘het zoeken en bevorderen van de eenheid, de gemeenschap en de samenwerking met andere kerken van Jezus Christus’ (ord. 4-25-1). Woorden uit art. I-1 KO komen in art. XVI over de oecumene weer terug: met het feit dat de Protestantse Kerk in Nederland zichzelf ziet als ‘gestalte van de ene heilige apostolische en katholieke of algemene christelijke Kerk’ is haar oecumenische roeping gegeven. In art. XVI-1 wordt dat verder uitgewerkt, waarna, zoals we zagen, ook de missionaire en diaconale verantwoordelijkheid van de kerk als geheel wordt uitgewerkt, als aspecten van haar oecumenische roeping.
Oecumene is een voortdurend leerproces
In ord. 14 staat de oecumenische roeping van de kerk centraal, in een concretisering van art. XVI-1 KO. De kerkorde introduceert hier de trits eenheid – gemeenschap – samenwerking (vgl. ord. 14-2-1). In de daaropvolgende zinnen van art. XVI-1 wordt die trits in omgekeerde volgorde uitgewerkt:
- samenwerking betreft ‘de oecumenische arbeid’ in brede zin, uitgewerkt in ord. 14-3;
- gemeenschap komt tot uitdrukking in ‘nauwere betrekkingen’, geconcretiseerd in ord. 14-4 en 5; en
- de eenheid kan vorm krijgen in vereniging met andere kerken, nader geregeld in ord. 14-6.
De verantwoordelijkheid van de synode op dit terrein wordt gespecificeerd in ord. 14-2-2: in de laatste drie onderdelen daarvan herkent men opnieuw de genoemde trits, die in de artikelen 3 t/m 6 wordt uitgewerkt. Daarin treedt de kerk oecumenisch naar buiten.
Daaraan voorafgaand noemt ord. 14-2-2 vier andere taken van de generale synode. Allereerst roept de synode de gemeenten op tot het belijden in woord en daad van de eenheid der Kerk in Christus; zij is immers geroepen geestelijk leiding te geven aan de kerk. Voorts geeft zij voorlichting over de wijze waarop in de verschillende geledingen van de kerk vormgegeven kan worden aan het verband met andere kerken. Dan maakt de synode de inzichten die in de oecumenische contacten worden opgedaan, vruchtbaar voor het leven en werken van de gemeenten; oecumene is ook een voortdurend leerproces, voor kerk en gemeenten. Ten slotte staat de synode de gemeenten bij bij het zoeken en onderhouden van oecumenische samenwerking met gemeenten in andere landen; hier valt vooral te denken aan de gemeentecontacten die zich aanvankelijk met name – maar niet alleen – met gemeenten in Midden- en Oost-Europa hebben ontwikkeld. Bij dat alles wordt de synode ondersteund door de daartoe aangewezen organen van de kerk, waaronder vooral de dienstenorganisatie.
18.13 Oecumenische samenwerking
Waar dat maar mogelijk is, geeft de kerk aan de oecumenische samenwerking vorm en inhoud door middel van het lidmaatschap van oecumenische organisaties. Hier, in wat wel heet de multilaterale oecumene, komt het brede spectrum van de oecumene in beeld, want in bepaalde organisaties wordt samengewerkt met kerken die qua belijden soms ver van de Protestantse Kerk in Nederland af staan.
De kerkorde noemt enkele organisaties bij name. Daarvan zegt ord. 14-3-2 dat de kerk er ‘in elk geval’ deel van uitmaakt. Anders gezegd: alleen via de procedure van een ordinantiewijziging zou de kerk zich uit deze organisaties terug kunnen trekken! Twee ervan behoren tot wat wel genoemd wordt de ‘overkoepelende’ oecumenische organisaties, dat wil zeggen: organisaties waarin allerlei typen kerken elkaar ontmoeten. In de hier genoemde Raad van Kerken in Nederland treft men zowel de Rooms-Katholieke Kerk als de Quakers, en in de Wereldraad van Kerken zowel vele oosters-orthodoxe kerken als bijvoorbeeld enkele Pinksterkerken.
De Protestantse Kerk in Nederland maakt als geheel deel uit van de Lutherse Wereld Federatie
De synode kan toetreden tot andere organisaties zonder dat daarvoor een ordinantiewijziging noodzakelijk zou zijn (ord. 14-3-3). Zo is de Protestantse Kerk in Nederland ook lid van een overkoepelende organisatie op Europees niveau, de Conferentie van Europese Kerken (afgekort als CEC of KEK). De ordinantie noemt hier voorts twee confessionele organisaties: de Wereldgemeenschap van Gereformeerde Kerken (World Communion of Reformed Churches, WCRC) en de Lutherse Wereld Federatie (LWF). De namen spreken voor zich: alleen kerken die – geheel of ten dele – teruggaan op deze confessionele tradities maken er deel van uit. Bijzonder is het wel dat de Protestantse Kerk in Nederland als geheel deel uitmaakt van de LWF, hoewel maar ongeveer één procent van de leden van de kerk tot de lutherse traditie behoort. Voor lutherse kerken wereldwijd is de participatie in de LWF in hoge mate identiteitsbepalend (vgl. ord. 14-4-2). In ord. 4-22-1 en ord. 14-3-5 is vastgelegd dat de evangelisch-lutherse synode een sleutelrol speelt in de vormgeving van het lidmaatschap, en vertegenwoordigers afvaardigt naar de vergaderingen van de LWF.
Ten slotte noemt ord. 14-3-2 de Gemeenschap van Protestantse Kerken in Europa (ook wel: Kerkengemeenschap van Leuenberg), waarin meer dan honderd kerken samenkomen die de Konkordie van Leuenberg hebben ondertekend. Het spreekt in het licht van art. I-5 van de kerkorde vanzelf dat de Protestantse Kerk in Nederland hiervan deel uitmaakt.
Hoe de deelname vorm krijgt, daarover beslist de synode. Daarbij is te denken aan de afvaardiging naar de assemblees, uiteraard aan een jaarlijkse lidmaatschapsbijdrage, maar ook aan participatie in het bestuur van een organisatie of aan andere contacten om te trachten het beleid van zo’n organisatie te beïnvloeden. In veel gevallen heeft de betrokken organisatie daar zelf uiteraard ook het nodige bij in te brengen. Verder krijgt de deelname onder meer gestalte in het leveren van een inbreng in conferenties op allerlei terreinen waarop deze organisaties actief zijn. Ten slotte mag niet onvermeld blijven de grote rol die zulke organisaties – dat geldt in het bijzonder de Wereldraad van Kerken – spelen in de instandhouding van een netwerk waardoor bijvoorbeeld veel werelddiaconale gelden snel en efficiënt op hun bestemming kunnen komen.
18.14 Gemeenschap, via nauwere betrekkingen
Naast de multilaterale oecumene is er plaats voor bilaterale relaties, betrekkingen van kerk tot kerk. Daarover gaat ord. 14-4. In zulke betrekkingen kan nog beter tot uitdrukking komen dat kerken met elkaar in een soms lange geschiedenis nauwe banden hebben opgebouwd, waarbij de gemeenschap in het belijden, hetzij gereformeerd/hervormd, hetzij luthers, een fundament vormde (zie voor meer informatie over de bedoelde kerken ook § 4.3.2). Te denken valt aan de kerken die uit het zendingswerk vanuit Nederland zijn ontstaan, of aan emigrantenkerken. Maar ook oude banden binnen Europa, bijvoorbeeld met Hongarije of Schotland, spelen hier een rol. Elk van de kerken die de Protestantse Kerk in Nederland zijn gaan vormen, had op dit gebied een eigen relatiepatroon, met typische zwaartepunten; het is in beginsel allemaal ‘meegenomen’ de Protestantse Kerk in Nederland in. Soms al heel oude afspraken met (synodes van) andere kerken worden daarmee zo veel mogelijk gehonoreerd.
Landelijke oecumene staat minder ver van de gemeente dan men wellicht zou denken
Het spreekt vanzelf dat ook hier de evangelisch-lutherse synode een eigen verantwoordelijkheid heeft ten aanzien van de contacten in de lutherse wereld. In het algemeen zal de relatie met zulke kerken ook wel via oecumenische organisaties worden onderhouden, maar daarnaast is in dit geval sprake van besluiten die op grond van direct overleg tussen de betrokken synoden worden genomen. Daarmee wordt de bestaande gemeenschap concreet gemaakt in afspraken die betrekkingen tussen leden van de beide kerken over en weer vereenvoudigen. Betreft het kerken in Nederland, dan kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een regeling voor het verlenen van het gastlidmaatschap of voor het wederzijds aanvaarden van elkaars leden (vgl. GR 2-8-5). Verder noemt dit artikel het wederzijds verlenen van de bevoegdheid tot de bediening van Woord en sacramenten aan predikanten. Dat kan blijkens lid 4 resulteren in een bredere aanvaarding van predikanten van de partnerkerk in de Protestantse Kerk in Nederland, tot en met beroepbaarheid; daarvoor is echter – bij nieuwe contacten – wel eerst een consideratieronde nodig. In ovb. 14 is wel – in aanvulling op het in ord. 14-4 bepaalde – het recht gehandhaafd van vroegere predikanten van de Gereformeerde Kerken in Nederland die inmiddels de Verenigde Protestantse Kerk in Nederland in België zijn gaan dienen: zij zijn zonder meer beroepbaar in de Protestantse Kerk in Nederland.
Verder wordt in ord. 14-4-3 nog genoemd: het zenden van afgevaardigden naar elkaars synoden en ‘andere overeenkomstige middelen’. Bij het eerste gaat het om afgevaardigden die wel worden uitgenodigd de synode toe te spreken, maar verder geen spreek- of stemrecht hebben. Met de laatste woorden is veel overgelaten aan de concrete invulling van een overeenkomst en aan de inventiviteit van synodemoderamen en dienstenorganisatie.
Dit alles staat minder ver van de gemeente dan men wellicht zou denken. Immers, zulke bijzondere betrekkingen bestaan ook met kerken in Nederland, en ord. 14-4-5 wijst op de mogelijkheid de gemeenschap plaatselijk te realiseren in een vorm van nauwe samenwerking. Daarvoor dient dan wel een heldere overeenkomst te worden gesloten, en dat kan niet zonder dat de kerkenraad de gemeente erin kent en erover hoort. Ook is de goedkeuring van de classicale vergadering vereist.
18.15 Associatie
In ord. 14-5 wordt de mogelijkheid van een associatie geopend. Ook daarvoor wordt op synodaal niveau een overeenkomst met een andere kerk gesloten, maar op één punt gaat zo’n overeenkomst verder dan onder het regiem van ord. 14-4 mogelijk is: een geassocieerde kerk kan een afvaardiging met stemrecht hebben in ambtelijke vergaderingen van de kerk (zie § 18.1).
Bij het vaststellen van deze ordinantiebepaling werd met name gedacht aan migrantenkerken en -gemeenten, gemeenten van naar Nederland gekomen christenen uit andere landen. Maar het gaat niet alleen om migrantenkerken. Ook de Bond van Vrije Evangelische Gemeenten, die zijn wortels heeft in de kerkgeschiedenis van Nederland in de negentiende eeuw, is inmiddels geassocieerd met de Protestantse Kerk in Nederland. Het is de generale synode die tot een associatieovereenkomst kan besluiten. Aan een dergelijk besluit moet overigens een consideratie-ronde voorafgaan.
Deze mogelijkheid is kerkordelijk vastgelegd toen tegen 2004 duidelijk werd dat de Evangelisch-altreformierte Kirche in Niedersachsen (EAK) een eigen oecumenische weg voor zich zag. De EAK ontstond in de negentiende eeuw uit de Evangelisch-reformierte Kirche (ERK) in Noordwest-Duitsland, in een beweging die in veel opzichten te vergelijken is met de Afscheiding (1834) die in Nederland met de Doleantie (1886) leidde tot het ontstaan van de Gereformeerde Kerken in Nederland. Sinds 1923 functioneerde de Evangelisch-altreformierte Kirche feitelijk binnen het verband van de Gereformeerde Kerken in Nederland. Parallel met het Samen op Weg-proces in Nederland groeide in Duitsland de toenadering tussen Evangelisch-altreformierte Kirche en Evangelisch-reformierte Kirche. Om een mogelijk samengaan van deze kerken op langere termijn niet te ingewikkeld te maken, heeft men daarom besloten de relatie van de Evangelisch-altreformierte Kirche met de Protestantse Kerk in Nederland vorm te geven in een associatie. De Evangelisch-altreformierte Kirche heeft krachtens de associatieovereenkomst een stemhebbende afgevaardigde in de synode van de Protestantse Kerk in Nederland. Omgekeerd heeft de Protestantse Kerk in Nederland een stem in de synode van de Evangelisch-altreformierte Kirche.
Initiatieven tot het aangaan van een associatie kunnen heel goed van onderop komen
Later zijn ook associatieovereenkomsten gesloten met de Bond van Vrije Evangelische Gemeenten en de Gereja Kristen Indonesia Nederland (GKIN) die nauw verbonden is met de (bijna) gelijknamige zusterkerk in Indonesië, de GKI. Beide kerken hebben ook een afgevaardigde in de generale synode. Ten slotte is een associatieovereenkomst gesloten met de Presbyterian Church of Ghana, zij hebben echter geen zitting in de generale synode. Een associatieovereenkomst kan ook inhouden dat een gemeente van een geassocieerde kerk met stemrecht participeert in een classicale vergadering.
In het verlengde van een landelijke overeenkomst is een bepaalde mate van concrete samenwerking op plaatselijk vlak goed denkbaar (ord. 14-5-3). Initiatieven binnen het hier bepaalde kunnen overigens heel goed van onderop komen. Plaatselijke kerkenraden die contact hebben met een migrantengemeente kunnen de hier genoemde mogelijkheden aan de orde stellen en zich desgewenst tot de synode wenden om de noodzakelijke stappen te nemen. Voor zover bij de totstandkoming van de Protestantse Kerk in Nederland op plaatselijk niveau al sprake was van dergelijke samenwerkingsvormen en -overeenkomsten, blijven die uiteraard van kracht.
18.16 Vereniging
De Protestantse Kerk in Nederland is een verenigde kerk en staat in beginsel – zoals eigenlijk alle verenigde kerken wereldwijd – graag open voor verdere vereniging met andere kerken. Uiteraard is ook hier eenheid of verwantschap in geloof en kerk-orde een voorwaarde; deze wordt in art. XVI-1 van de kerkorde al genoemd. Verder geeft ord. 14-6 de procedure aan, die sterk overeenkomt met de procedure die leidde tot het ontstaan van de Protestantse Kerk in Nederland: aanpassing van de ordinanties en eventueel van de eigenlijke kerkorde (uiteraard steeds volgens de procedures van art. XVII en XVIII van de kerkorde), vervolgens een in twee lezingen te nemen verenigingsbesluit, waarbij opnieuw de classicale vergaderingen gevraagd wordt te considereren. Het definitieve besluit vergt een twee derde meerderheid in de generale synode.
Opvallend is dat ord. 14-6 ook vereniging met een kerk in het buitenland mogelijk maakt: de ontwikkelingen in Europa zouden op de lange duur weleens in die richting kunnen wijzen.
18.17 Beheer en vertegenwoordiging
Met beheerszaken krijgen vooral de leden van de kleine synode te maken, de overige leden van de generale synode zullen er minder van merken. Uiteraard speelt de dienstenorganisatie ook op dit vlak een belangrijke rol. Daar vindt, onder verantwoordelijkheid van het bestuur en binnen de grenzen van de door de kleine synode vastgesteld begroting, de feitelijke verzorging van de vermogensrechtelijke aangelegenheden, het beheer, plaats. Tegelijk mag de (kleine) synode geen beslissingen met niet-begrote financiële consequenties nemen zonder eerst te overleggen met het bestuur van de dienstenorganisatie.
Net zoals bij de gemeente onderscheid wordt gemaakt tussen de vermogensrechtelijke aangelegenheden van de gemeente en de vermogensrechtelijke aangelegenheden van de diaconie van de gemeente, wordt hierbij onderscheid gemaakt tussen de vermogensrechtelijke aangelegenheden van de kerk en die van de dienstenorganisatie. Dat onderscheid is bedoeld om te garanderen dat giften voor Kerk in Actie niet gebruikt worden voor andere werkzaamheden van de kerk. Wat betreft de betrokkenheid van het bestuur van de dienstenorganisatie en de kleine synode maakt het geen verschil.
Het bestuur van de dienstenorganisatie beheert de vermogensrechtelijke aangelegenheden binnen de kaders van de vastgestelde begroting en het vastgestelde beleidsplan. In GR 8-7-2 is verder bepaald dat voor bepaalde besluiten instemming van de kleine synode nodig is. En in het directiestatuut van de dienstenorganisatie (art. 6-5) ligt vast dat voor bepaalde besluiten (onder meer besluiten met betrekking tot onroerende zaken die van belang zijn voor het directe functioneren van de kerk) machtiging van de kleine synode vereist is. Dit directiestatuut is opgesteld en kan worden gewijzigd door het bestuur van de dienstenorganisatie, maar als orgaan van bijstand is het bestuur daarvoor verantwoording schuldig aan de kleine synode.
De vaststelling van begroting en jaarrekening is ook hier zorgvuldig geregeld (ord. 11-19-2,3): het bestuur van de dienstenorganisatie pleegt over de begroting overleg met de kleine synode en de evangelisch-lutherse synode, waarbij het door de generale synode vastgestelde beleidsplan wordt betrokken. Vóór 15 november van elk jaar dient het bestuur van de dienstenorganisatie vervolgens een ontwerpbegroting bij de kleine synode in, en die stelt de begroting uiteindelijk vast. Om een en ander te kunnen financieren, heft de kleine synode een quotum van de gemeenten en van de diaconieën en stelt zij vast welke collecten door de gemeenten gehouden moeten worden.
Voor de jaarrekening geldt een vergelijkbare procedure: het bestuur van de dienstenorganisatie legt jaarlijks vóór 1 mei de ontwerpjaarrekening over het laatstverlopen kalenderjaar aan de kleine synode voor ter vaststelling (ord. 11-19-4,5). Wordt deze vastgesteld, dan is het bestuur van de dienstenorganisatie daarmee gedechargeerd, tenzij de kleine synode een voorbehoud maakt. Ord. 11-19-6 regelt ten slotte de controle van de administratie van de generale financiën van de kerk door een door de kleine synode aan te wijzen registeraccountant of accountant-administratieconsulent.
Ook de kerk als geheel heeft rechtspersoonlijkheid naar art. 2:2 BW (ord. 11-18; zie § 1.4). Zij wordt vertegenwoordigd door de preses en de scriba van de generale synode tezamen, waarbij door de kleine synode voor elk van beiden uit haar midden een plaatsvervanger is aangewezen.