Menu

Premium

Bij alle onrecht blijft JHWH Jozef trouw

Bij Genesis 39,1-(20)23

JHWH

Genesis 39 gaat aan de ene kant over zegen en genade, over (toe)vertrouwen en hoe alles lukt. Maar de gezegende Jozef krijgt ook te maken met verdraaiingen van woorden. In de gedeelten over de zegen en het (toe)vertrouwen komt de Godsnaam JHWH acht keer voor (vijf keer in 39,1-6, drie keer in Genesis 39,20-23). In het gedeelte over verdraaiingen van woorden komt het woord dabar (= woord) zeven keer voor (Genesis 39,7-19). Bij dit twijfelachtige gebeuren klinkt niet de Godsnaam JHWH, maar alleen het woord ‘God’ (Hebr.: ’elohim – Genesis 39,9). Toch omringt de naam JHWH uiteindelijk alle verdraaiingen.

Genesis 39,1 is niet onbelangrijk: hierin klinkt tweemaal het werkwoord jarad (= afdalen). In het ‘afdalen naar Egypte’ gaat Jozef zijn broers voor. ‘Afdalen’ naar Egypte staat in contrast met ‘opgaan’ naar Jeruzalem. ‘Egypte’ (Hebr.: mitsrajim) heeft te maken met slavernij; in de Hebreeuwse naam klinkt het werkwoord tsarar (= beklemd, in nood zijn) mee. Ook in de slavernij gaat Jozef zijn volk voor: hij wordt ‘gekocht’ door de Egyptenaar Potifar, een hoveling van Farao en hoofd van de lijfwacht (Genesis 39,1). Vervolgens wordt meteen het belangrijkste gegeven van het verhaal verteld: ‘JHWH was met Jozef en hij was een geslaagd (Hebr.: matsliach) man’ (Genesis 39,2): hij had mazzel. Het werkwoord tsalach (= lukken, hifil: geluk hebben) klinkt drie maal en is ook het laatste woord in dit verhaal (Genesis 39,2.3.23).

In de hand van Jozef (Genesis 39,3-6)

Omdat JHWH alles wat Jozef doet ‘in zijn hand’ laat slagen (Genesis 39,3), geeft zijn heer hem ‘alles, wat hij had in zijn hand’ (Genesis 39,4), en laat ten slotte ‘alles wat hij had over aan de hand van Jozef’ (Genesis 39,6). Dit heeft te maken met de ‘genade’ (Hebr.: chen) die Jozef in zijn ogen vindt (Genesis 39,4). Maar bovenal komt het doordat JHWH het huis en het veld van Potifar – omwille van Jozef – ‘zegent’ (Hebr.: barakh, tweemaal in 39,5). De zegen van JHWH heeft met Jozefs handen te maken, waarin het hele huishouden van zijn heer, zowel binnen als buiten, komt te liggen. Bovendien blijken niet alleen Jozefs zorgende en dienende handen gezegend te zijn, want heel nadrukkelijk wordt in het Hebreeuws na een stukje witregel verteld dat Jozef ‘mooi van gestalte en een mooie verschijning was’ (Genesis 39,6). Daarin lijkt Jozef op David (1 Samuël 16,12; 17,42). Het vormt de opmaat voor veel narigheid.

In de hand van haar (Genesis 39,7-19)

Het verhaal van Genesis 38, dat we in het leesrooster hebben overgeslagen, zou je als spiegelbeeld kunnen zien van het gebeuren in Genesis 39. Veel woorden en begrippen komen in beide verhalen voor, zoals het werkwoord jarad, de godsnaam JHWH, het woord bègèd (= kleed, gewaad). Er is echter een groot verschil tussen het optreden van Tamar, die uiteindelijk ‘rechtvaardig’ (Hebr.: tsèdèq) wordt genoemd (Genesis 38,26) en het optreden van de naamloze vrouw van Potifar. Dit hangt samen met de machtsverhoudingen.

De vrouw van Potifar heeft ‘haar ogen op Jozef gericht’ en vraagt hem om ‘met haar te komen liggen’ (Genesis 39,7). Jozef weigert. In het Hebreeuws staat er een opmerkelijk tekentje, een sjalsjèlet boven het woord ‘weigeren’ (Hebr.: ma’an). Volgens de rabbijnen wijst dit tekentje op een lichte aarzeling van Jozefs kant. Toch weigert Jozef, met een uitgebreide uitleg over zijn positie en het vertrouwen dat zijn heer in hem heeft gesteld: ‘alles heeft hij in mijn hand gegeven’ en ‘niets heeft hij teruggehouden behalve jou, zijn vrouw’ (Genesis 39,8.9). Jozef benoemt het als een groot ‘kwaad’ (Hebr.: ra‘ah) en als ‘zondigen’ (Hebr.: chatha’) tegenover ‘God’ (Genesis 39,9). Toch dringt de vrouw aan, ‘dag na dag’ (Genesis 39,10).

Dan volgt de dag dat er geen getuigen zijn (Genesis 39,11). Zij ‘grijpt hem bij zijn kleed’ (Genesis 39,12). Hier is sprake van een ongewenste intimiteit. Terwijl in het eerste gedeelte van het verhaal ‘de heer alles van hem in de hand van Jozef liet’ (Genesis 39,6), wordt nu verteld hoe Jozef ‘zijn kleed in haar hand liet’ (Genesis 39,12). Met dat kleed in haar hand heeft de vrouw de macht om een heel ander verhaal te vertellen over Jozef die ‘vluchtte en ging naar buiten’ (Genesis 39,12-13). De vrouw noemt Jozef nu een ‘Hebreeuwse man’ (Hebr.: ’isj ‘ibhri, 39,14), later zelfs een ‘Hebreeuwse slaaf’ (Genesis 39,17). Hebreeërs stonden niet al te goed bekend in Egypte. Hij zou hebben ‘gespot met ons’ (het Hebreeuwse werkwoord tsachaq betekent behalve ‘lachen’, ‘spotten’ ook: ‘liefkozen’, vgl. Genesis 26,8) door ‘naast haar te gaan liggen’ (Genesis 39,14.17). Zij zou ‘met grote stem’ hebben geschreeuwd (Genesis 39,15.18).

Omgekeerd en verdraaid worden de feiten door de vrouw verteld, eerst aan de knechten en later aan haar man. Het zal wel niet toevallig zijn dat het woord dabar in dit gedeelte (Genesis 39,7-19) zeven keer voorkomt. In het laatste vers daarvan (39,19) klinkt het driemaal als het spreken van de vrouw. Haar naam wordt uitdrukkelijk niet genoemd. Zij spot met drie van de tien geboden (vgl. Exodus 20,14.16.17).

In de gevangenis (Genesis 39,20-23)

De episode wordt afgesloten met de opkomende woede van de heer. In de joodse traditie wordt getwijfeld of Potifar boos is op Jozef of op zijn vrouw. Immers, waarom heeft hij Jozef niet gedood na deze veronderstelde misstap?

E. Whitlau, Y. Aschkenazy (red.), Het verhaal van Joseef, in: Tenachon, Tora 8, Deventer 1987, 121.

Steeds dieper lijkt Jozef af te dalen, nu hij ‘in de gevangenis van de gevangenen van de koning’ belandt (39,20). Hier wordt echter het begin van het verhaal herhaald: ‘JHWH was met Jozef’ (Genesis 39,2 = 39,21). Deze keer klinkt naast het bijbelse grondwoord ‘genade’ (Hebr.: chen – Genesis 39,4.21) ook dat andere bijbelse grondwoord: ‘trouw’ (Hebr.: chèsèd – Genesis 39,21). Ondanks alle onrecht blijft JHWH Jozef trouw. Opnieuw wordt alles aan Jozef toevertrouwd. Opnieuw laat JHWH alles wat Jozef doet lukken (Hebr.: matsliach – Genesis 39,23).

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken