Bij God is geen aanzien des persons
Bij Romeinen 2,9-16
Een thema waarvan Paulus’ Brief aan de Romeinen is doortrokken is de vraag naar de relatie tussen (gelovigen uit) het volk Israël en (gelovigen uit) ‘de volkeren’. Daarbij staan etniciteit en godsgeloof in een bijzondere spanning tot elkaar.
Het volk Israël gold in het Romeinse Rijk als een etnische gemeenschap, niet als een religie. Nog altijd is het ‘jodendom’ een classificering die veel te maken heeft met een door een binnen het christendom dominante visie op religie bepaalde blik op andere ‘religies’, het beste te kwalificeren als een ‘etnische religie’. Dat wil zeggen: een religieuze levensbeschouwing waarbij het behoren tot een volk en tot een god tot op zeer grote hoogte samengaan. Daarbij heeft de kwalificering ‘etnisch’ een descriptieve en geen pejoratieve betekenis.
Geloof van de volkeren en het volk Israël
Het is te begrijpen dat vanuit een dergelijke opvatting over ‘religie’ het samengaan van verschillende volkeren in één gemeenschap uitermate problematisch is, wanneer deze volkeren hun etnische eigenheid en gebruiken – zoals besnijdenis of juist geen besnijdenis – behouden. Andere (etnische) gebruiken impliceren vanuit het perspectief van een etnische religie immers het behoren tot een andere religie. In dit spanningsveld vinden discussies over besnijdenis plaats in het vroege christendom als volgens eigen zeggen binnen-joodse stroming, die gelovigen ook als volledige leden van het volk Gods erkende wanneer ze hun eigen etnische gebruiken, casu quo niet-besnijdenis, voortzetten en zich niet bij de etnische gebruiken van het Joodse volk aansloten (vgl. bijv. Rom. 2,24-29 en 3).
Barmhartigheid Gods en bekering
De onpartijdigheid van God die in Romeinen 2,1-16 aan de orde komt, heeft hiermee direct te maken: deze gaat namelijk uit van de aanname dat allen op dezelfde manier geoordeeld worden. God is immers onpartijdig, zoals Paulus een populair-filosofische gemeenplaats citeert (Rom. 2,2; zie ook Jak. 2,1.9), waarmee hij aansluit bij gevoelens van zijn gehele gehoor, gelovigen uit Israël en de volkeren samen. De basis hiervoor heeft hij in Romeinen 1 gelegd, waarin hij de godskennis van de volkeren onderbouwt – en wel hun kennis van de God van Israël (1,18-20). Ook het openingsvers van de huidige perikoop legt nadruk op de ‘gelijkheid voor de wet’: ‘Verdrukking en benauwdheid (zal komen) over ieder levend mens, die het kwade bewerkt, eerst de Jood en ook de Griek’ (Rom. 2,9 – NBG ’51). Precies de gedachte dat sommige mensen qualitate qua op Gods vergeving kunnen rekenen in het oordeel, terwijl ze wel de vrijheid hebben om andere mensen te (ver)oordelen, stelt Paulus aan de kaak. Een interessante en uitdagende gedachte die hij daarbij met een stevige inzet van stijlmiddelen als de retorische vraag en de diatribe formuleert, is dat Gods rijkdom aan ‘goedertierenheid, verdraagzaamheid en lankmoedigheid’ een doel heeft, en wel boetvaardigheid (Gr.: metanoia = ‘omkeer, bekering’ – 2,4). Wanneer men dit doel uit het oog verliest en aanspraak maakt op deze rijkdom van Gods genade om op grond van etnische identiteit de eigen veiligheid en vrijheid van straf te onderbouwen, terwijl de ander hierop geen aanspraak kan maken en veroordeeld wordt, minacht men volgens Paulus deze goedertierenheid Gods. Dat leidt inderdaad tot de houding die Paulus zijn discussiepartners in de mond legt: ‘In uw weerbarstigheid en onboetvaardigheid van hart hoopt gij u toorn op tegen de dag des toorns en der openbaring van het rechtvaardig oordeel Gods’ (2,5 – NBG ’51).
Vertrouwen op de barmhartigheid Gods is dus onlosmakelijk verbonden met metanoia, ‘omkeer’, en het op die manier zoeken naar ‘heerlijkheid, eer en onvergankelijkheid (…), het eeuwige leven’ (2,7), terwijl het rekenen op deze barmhartigheid zonder metanoia door Paulus treffend wordt gekarakteriseerd als zelfzucht en de waarheid ongehoorzaam en de ongerechtigheid gehoorzaam zijn, leidend tot ‘toorn en gramschap’ (2,8), twee begrippen die met het eschatologische oordeel te maken hebben. Dit laatste wacht eenieder die het kwade doet, Jood en Griek (2,9).
Niet het hebben, maar het doen van de wet telt
De keerzijde hiervan werkt Paulus met evenveel verve uit in vers 10, in een mooie formulering die de opbouw van vers 9 echoot. Om deze nogmaals te onderbouwen grijpt Paulus terug op een juridisch principe dat toegankelijk is voor zowel Jood als ‘Griek’: het oordelen zonder aanzien des persoons (2,11). Dat komt overeen met een oordeel dat uitgaat van iemands (wel)doen en niet van iemands etnische achtergrond of gebruiken. Paulus vermijdt hierbij dan ook een verwijzing naar de wet, maar hij verwijst wel naar een principe van de wet: het doen van het goede als criterium voor het oordeel (2,10). In de verzen 12-13 herhaalt Paulus zijn visie nog een keer: niet het hebben van de wet, maar het doen ervan telt. Anticiperend op de mogelijke tegenwerping dat het moeilijk is om een wet te doen die je niet hebt of kent, noemt Paulus de theologische en antropologische overweging die achter zijn eerdere uitspraken staat: de volkeren die de wet van Israël niet hebben, doen toch wat de wet gebiedt, daar ze doen wat de wet wenst. De wet is daarom in hun harten geschreven en ook het geweten getuigt van hun wetskennis (2,14-15). Paulus sluit zijn lange zin af door nog een keer op het oordeel terug te komen, dat uitgaat van het soort verschil tussen mensen dat er volgens hem toe doet (2,16, vgl. ook 2,9).
De homiletische uitdaging van deze tekst kan liggen in Paulus’ relativering van het belang van etnische kenmerken, maar zonder ze onmiddellijk op te heffen. Ze zijn echter niet van soteriologisch belang. Van soteriologisch belang is wel het doen van de inhoud van de wet, dat wil zeggen: het goede. Dit is een thema dat zowel binnen een gemeente als binnen de maatschappij van kritisch belang kan zijn.