Bij Marcus 9:30-37
‘Haha! Ik ben de knikkerkoning van de school! Iedereen moet voor mij buigen!’ roept Mees, terwijl hij met uitpuilende knikkerzakken het schoolplein oprent. Hij loopt er scheef van en de zakken van zijn jas scheuren bijna door het gewicht van de knikkers. ‘Ah, Daan! Zullen we gaan knikkeren? O nee, je kan helemaal niet meer knikkeren, want ik heb alles gewonnen! Hé, ik wil je wel knikkers lenen, je kan me terugbetalen als je wint!’ roept hij tegen Daan. Daan kijkt boos. Dat was nou ook weer niet de bedoeling. Mees mag dan wel van zijn computerspelletje af zijn, maar nu is hij helemaal in de ban van de knikkers. Niemand heeft nog knikkers en het is helemaal niet leuk om tegen Mees te spelen. Hij is ook zo goed… En dat is niet erg als hij maar niet zo zou opscheppen, denkt hij. ‘Nee, dank je, Mees,’ zegt hij. ‘Als je zo verwaand doet, dan hoef ik niet met je te knikkeren. Dat je nu opeens heel goed bent in knikkeren is erg leuk, maar dan hoef je nog niet te doen alsof je over iedereen kan beslissen. Vergeet niet dat ik je geleerd heb hoe je moet knikkeren!’ Mees denkt na. Op die manier had hij het nog niet bekeken. Daan heeft hem inderdaad leren knikkeren. Het is niet leuk dat hij zo naar doet tegen hem en tegen de andere kinderen. Daar maak je natuurlijk geen vrienden mee. ‘Sorry Daan,’ zegt hij, ‘ik ben denk ik een beetje doorgeslagen. Ik zal mijn knikkers verdelen over iedereen, zodat we weer opnieuw kunnen beginnen!’