< Terug

Identiteitsstrijd

Maandag, Theologenblog-dag. Deze week opent Jan Martijn Abrahamse de week met een bezinning op de rol van (groeps)identiteit in maatschappelijke discussies. Leidt behoefte aan erkenning tot een herzuiling van de samenleving?

Jan Martijn Abrahamse

“Augustinus wil christenen laten inzien dat iedere christen vooreerst in zichzelf verdeeld is.”

In de komende reeks van vijf blogs wil ik wat reflecteren op een aantal uitdagingen in onze tijd, en specifiek ons kleine stukje aarde, de Nederlandse samenleving. Onderwerpen waarmee de kerk en dus ook de theologie zich wat mij betreft geconfronteerd ziet. Ik neem deze weken zo voor mijzelf de vrijheid om eens voorzichtig wat te bezinnen op wat publieke theologie genoemd wordt: theologie die zich actief begeeft op het publieke terrein van economie, recht, politiek, wetenschap, enzomeer.

Deze keer de vreemde gewaarwording dat maatschappelijke discussies steeds meer gekoppeld worden aan (groeps)identiteit. Dat wil zeggen: mensen verbinden hun persoonlijke maatschappelijke inbreng meer en meer met een pleidooi voor de erkenning van een bepaalde sociale groep.

Ivf-behandelingen, euthanasie en abortus verzekerd

Afgelopen week was er veel te doen rond het feit dat zorgverzekering Pro Life ook ivf-behandelingen, euthanasie en abortus opneemt in de basiszorg. Dat Pro Life in feite één van de merknamen is van Zilveren Kruis, dat zelf ook weer onderdeel is van mega-verzekeringsconcern Achmea, zullen we voor het gemak even vergeten. Ook dat de kans klein is dat er door de verzekerden van Pro Life veel aanspraak gemaakt zal worden op deze extra mogelijkheden laat ik even voor wat het is.

“Dát is het probleem: jullie willen niet winnen.”

Het behoeft weinig verassing, maar het sentiment onder de achterban was behoorlijk misnoegd. De keuze voor Pro Life is immers voor menigeen van reformatorische en evangelische huize niet zozeer ingegeven door praktische overwegingen, maar vooral door een levensbeschouwelijke: zij willen een ‘schone polis’, vrij van de seculiere smetten van maakbaarheid en autonomie.

Dat Pro Life nu is gezwicht voor de druk van buiten is een hard gelag en voor velen bewijs van een misplaatst progressief offensief. Een Oldenbroekse jonge politicus verweet de directie van Pro Life zelfs ideologische laksheid: “Dát is het probleem: jullie willen niet winnen.” Het is een tekenend voorbeeld van de tendens in onze samenleving dat maatschappelijke discussies gezien en gevoerd worden als een concurrentiestrijd tussen identiteiten. Of het nu gaat om de aanpak van corona, klimaat of om de nieuwe transgenderwet, het is conflict tussen rivaliserende identiteiten. Men spreekt daarom wel van identiteitsstrijd.

Individualisme, ‘herzuiling’ en ‘eer-schaarste’

Aan deze identiteitsstrijd liggen natuurlijk allerlei ontwikkelingen ten grondslag. Maar het is vooreerst opmerkelijk dat onze individualistische cultuur een tegenbeweging heeft gekregen in het opkomende groepsdenken. Het begrip ‘herzuiling’ is al her en der gevallen. Let maar eens op de profilering van ‘de boeren’ met hun omgedraaide vlaggen en rode sjaals. Het is een groep die duidelijk breder is dan de professionele agrariërs. Hier staat een levensstijl met dito wereldbeeld op het spel.

Het is volgens mij een sprekend voorbeeld van een blijvende behoefte van mensen om de individuele identiteit te verbinden aan iets groters. Iets dat mij een plek geeft in de maatschappij zonder dat ik die zelf moet bedenken. Een behoefte die in onze ontzuilde maatschappij wellicht lange tijd te veel is verwaarloosd.

Eer-schaarste versterkt onze neiging om andere groepen te zien als concurrenten in ons najagen van het goede leven

Het punt is nu dat zulke groepsidentiteiten steeds sterker met elkaar in concurrentie lijken te zijn. Alsof er een soort ‘eer-schaarste’ heerst. Ik bedoel: maatschappelijke erkenning en waardering lijken net als goederen en diensten een schaars goed te zijn geworden, met sociale media als voornaamste betaalsysteem. Op Twitter plaatsen mensen bijvoorbeeld foto’s van zichzelf met een regenboogicoon en vragen nadrukkelijk om de waardering van mensen.

Deze eer-schaarste versterkt onze neiging anderen en specifiek andere groepen, te zien als concurrenten in ons najagen van het goede leven. Zo moet een cover van de Linda zo inclusief mogelijk gemaakt worden anders ervaren sommige groepen een miskenning. We zien dit ook in strijd tussen Randstad en provincie. Mensen in Albergen protesteerden laatst tegen de komst van asielzoekers in een hotel met als argument dat ze maar ‘in de grote steden geplaatst moeten worden, want daar hebben ze meer ruimte dan hier.’

Erkenning en waardering van de eigen groep

Socioloog Arlie Russell Hochschild schrijft in Strangers in Their Own Land (2018) over deze identiteitsconcurrentie in haar onderzoek naar Amerikanen die in 2016 op de Donald Trump stemden. Deze groep ervaart, zo merkt ze op, dat ze links en rechts ingehaald worden door politiek bevoorrechte minderheidsgroepen. En dat geldt niet per se economisch, maar vooral in de zin van ‘gezien worden en gehoord worden.’ De nieuwe omroep Ongehoord Nederland heeft de naam passend gekozen. Een uitlaatklep voor boze mensen die ten diepste verlangen naar erkenning en waardering van de eigen groep (‘struggle for honor’); een verlangen dat moderne liberale democratieën niet hebben weten te stillen.

Onze concurrerende verlangens brengen een herzuiling voort die loopt langs socio-economische-, gender- en etnische linies

Om dit verlangen beter te begrijpen maakt Francis Fukuyama onderscheid tussen ‘het verlangen om (gelijkelijk) gerespecteerd te worden’ (isothymie) en ‘het verlangen naar roem en dominantie’ (megalothymie). Vandaag zien we beide terug. Er zijn groepen die zichzelf miskend voelen en roepen om gelijke status, zoals de Black Lives Matter-beweging of de aardgasgedupeerden in Groningen. En er zijn groepen die claimen dat hun groep het primaat heeft en terecht bevoorrecht is, zoals het Forum voor Democratie die de witte joods-christelijke superieure cultuur wil beschermen, of de Farmers Defence Force die vinden dat zij vanwege hun plek in de voedselvoorziening een uitzonderingspositie verdienen op de stikstofwet.

Zo brengen onze concurrerende verlangens een herzuiling voort die nu loopt langs socio-economische-, gender- en etnische linies. Linies die regelmatig ook de kerk behoorlijk verdelen. Menig dominee verzucht zich over de ‘partijschappen’ die met name ook in coronatijd zijn ontstaan of de spanningen die voortkomen tussen de zogenaamde ‘klimaatdrammers’ en ‘klimaatontkenners’.

Identiteiten in onszelf en de kerk

Wie een beetje thuis is in het Nieuwe Testament, en met name in de brieven van Paulus, weet dat er ‘niets nieuws onder de zon’ is. Herhaaldijk wordt er rapport gemaakt van de sociale verdeeldheid onder christenen die de gezamenlijke identiteit onder de naam van Christus op het spel zette. Met andere woorden: de kerk is geboren in een tijd van identiteitsstrijd en zette deze nog eens op scherp doordat alle maatschappelijke identiteiten door de toewijding aan Christus behoorlijk onder kritiek kwamen te staan.

Augustinus wil christenen laten inzien dat iedere christen vooreerst in zichzelf verdeeld is

Dat ‘andere Koninkrijk’ van Jezus plaatst christenen namelijk op een ander strijdtoneel, schrijft Augustinus in zijn bekende boek De stad van God. Namelijk een strijd tegen onze ‘aardse verlangens’. Dat zijn dus ook die verlangens naar maatschappelijke eer en waardering van de eigen sociale groep. Met name als we menen dat onze groep enige superioriteit toekomt. Dat wil niet zeggen dat de samenleving er niet meer toe doet, maar Augustinus wil christenen laten inzien dat iedere christen vooreerst in zichzelf verdeeld is; een hart vol verwarde verlangens die zich moeilijk laten ordenen.

Augustinus biedt ons hiermee een startpunt voor bezinning op de rol van de kerk in de samenleving vandaag: welke identiteiten strijden in onszelf? Christelijke identiteitsvorming in een globaliserende wereld wordt immers een steeds grotere uitdaging. Hoe onze diverse verlangens af te stemmen op Christus? Kunnen kerken verschillende mensen nog samenbrengen in Christus? En, niet onbelangrijk, hoe kunnen lokale kerken constructief-kritisch bijdragen aan de voorspoed en vrede van de stad waar ze onderdeel vanuit maken?

Jan Martijn Abrahamse is docent-onderzoeker systematische theologie en ethiek aan de Christelijke Hogeschool Ede en aan het Baptisten Seminarium in Amsterdam. Van hem verschenen bij KokBoekencentrum Breekbaar halleluja (2018) en samen met Adriaan Baan, Stanley Hauerwas (2022).

Nikolaas Sintobin

Pierre Favre (1506 – 1546) groeide op in Villaret, een gehucht in de Franse Alpen, als eenvoudige herdersjongen. Hij was danig briljant dat hij uiteindelijk terechtkwam aan de Parijse Sorbonne om er theologie te studeren. Favre woonde er in een studentenkamertje samen met Ignatius van Loyola. Pierre werd de mentor van de wat oudere Ignatius die moeizaam studeerde. Op zijn beurt werd Ignatius de geestelijk begeleider van Pierre. Later zouden ze met enkele andere gezellen de Sociëteit van Jezus stichten, beter bekend als de jezuïeten.

‘Breekbaar halleluja’ van Jan Martijn Abrahamse is een inspirerend boek over de pelgrimspsalmen. Psalm 120 tot en met psalm 134 zijn liederen voor mensen die op de een of andere manier onderweg zijn. Ze verwoorden alle menselijke emoties, en vertellen verhalen over o.a. hoop (psalm 122), vreugde (psalm 126), teleurstelling (psalm 131) en vriendschap (psalm 133). Op een diepgaande, toegankelijke manier toont de auteur de actualiteit van deze eeuwenoude teksten en de lessen die we er uit kunnen trekken.

breekbaar halleluja

< Terug