Broeder
Geloofstaal & cultuurtaal
De aanduiding ‘broeder’/’zuster’ heeft niet alleen een archaïsche, maar ook een weeïge, zoetsappige klank. Grote groepen mensen zijn er bepaald niet op gesteld om aldus aangesproken te worden. Er zijn tamelijk veel varianten die een mate van verbondenheid uitdrukken en – naar ons besef – een duidelijker taal spreken, zonder oubollige, al te dierbare bijgeluiden. Mensen hebben iets met elkaar, hoe dan ook. Het kan te maken hebben met hun werk, hun politieke voorkeur, hun godsdienstige overtuiging, hun gezamenlijke interesse. Ze zijn dus collega’s, partijgenoten, geestverwanten, medeleden van een vereniging, lotgenoten enzovoort. Deze gezamenlijke band kan in het gunstigste geval uitgroeien tot vriendschap, eventueel tot liefde. Wat is nu het eigene van de typering ‘broeder’/’zuster’? In het spoor van de Bijbel concentreren we ons op de mannelijke vorm, wél beseffend dat de terminologie niet tot deze kring beperkt blijft. Een broer, broeder kies je niet, maar hij wordt je gegeven. Die band (van het bloed) is onverbrekelijk, wat er ook gebeurt. Ook als er bittere twisten uitbreken en de verwijdering, de vervreemding groter wordt – bijvoorbeeld wanneer een erfenis verdeeld moet worden! – blijft onverlet dat deze bepaalde mensen broers, zussen van elkaar zijn.
In sommige kerkelijke kringen is er een merkwaardige versmalling, tevens verzwakking, opgetreden, waar men deze benaming reserveert voor ambtsdragers of voor aanwezigen in een kerkelijke vergadering.
Woorden
Globaal genomen heeft ‘broeder’ (Hebreeuws: ach; Grieks: adelphos) qua betekenis twee categorieën. De ene betreft de verwantschap in letterlijke, lijfelijke zin, terwijl de andere duidt op de verwantschap die van geestelijke aard is. Het is duidelijk dat de eerstgenoemde groepering ook in de Bijbel royaal vertegenwoordigd is. Dat geldt trouwens in versterkte mate voor de tweede categorie. In het Oude Testament is de broederschap verbreed tot de volksgenoot, de naaste. Op deze wijze is er een bijzondere verantwoordelijkheid, over en weer. In het Nieuwe Testament is de kring nog breder, verankerd in Jezus Christus, die mensen van verschillende afkomst met elkaar verbindt. De broeder is degene die de gemeenschap van en met Jezus Christus gelooft en beleeft. Deze kring is wereldwijd. In de NBV wordt adelphoi op vele plaatsen inclusief vertaald: ‘broeders en zusters’.
Betekenis in context
Oude Testament
Abram en Lot
Abram en Lot zijn bloedverwanten: Haran, de vader van Lot en de broer van Abram, stierf op relatief jonge leeftijd (Gen. 11:28). Lot raakte daardoor nog hechter verbonden met zijn oom Abram. Hij volgt Abram die geroepen is door God om zijn land van herkomst te verlaten. Na verloop van tijd ontstaat er een twist tussen de herders van Lot en die van Abram. De weidegrond is niet voldoende voor zoveel vee. Abram stelt zijn neef Lot voor om hetbeschikbare land te verdelen, met de motivatie: ‘Laat er toch geen twist zijn tussen mij en u, en tussen mijn herders en uw herders, want wij zijn mannen broeders’ (Gen. 13:8). De grens tussen de lijfelijke, letterlijke en de geestelijke broederschap is hier enigszins vloeiend. Abram doet een beroep op Lot. Een aantal componenten, nauw met elkaar verweven, klinkt hierin door: wij zijn volwassen mensen, in staat om een probleem in goed overleg op te lossen; wij zijn door familiebanden met elkaar verwant; wij zijn samen op weg gegaan, gehoorzaam aan God, die ons riep.
Jozef en zijn broers
Ook de geschiedenis van Jozef (Gen. 37-50) is veelbetekenend. De broederschap tussen de zonen van Jakob staat in deze verhalen centraal. Jozef wordt door zijn broers verkocht, maar in alles en door alles heen blijkt dat de band van het bloed onverbreekbaar is. Het verhaal eindigt met het herstel van de broederschap.
Mozes en zijn volk
De geestelijke broederschap komt sterk naar voren in de volgende bijbelboeken, vooral in Deuteronomium. Frappant is het begin van Exodus. Mozes is op zoek naar zijn wortels. Zijn voeding – Hebreeuwse moedermelk! (Ex. 2:7-10) – is sterker dan zijn opvoeding aan het hof van Egypte. In Exodus 2:11 lezen we: ‘In die tijd, toen Mozes groot geworden was, ging hij uit tot zijn broeders en lette op hun dwangarbeid’. De gang naar buiten is niet zomaar een wandelingetje maar duidt een heel bewuste keuze aan. ‘Hij lette op’ is ook een nogal vlakke vertaling. Er staat: ‘hij nam intensief in zich op’… Zo zag Mozes de dwangarbeid van zijn broeders. Het laatste woord wordt herhaald: ‘Hij zag, hoe een Egyptenaar een Hebreeër, iemand van zijn broeders, sloeg’ (Ex. 2:11). Het bloed kruipt waar het niet gaan kan, misschien wel juist waar het thuishoort. Mozes kijkt naar alle kanten. Niet als een sluipmoordenaar, maar met de moed van de hoop: is er niemand die het opneemt voor de zwakke (vgl. Jes. 59:16)? Hij neemt zelf de verdediging op zich en slaat de Egyptenaar dood. Even later staat Mozes tussen twee Hebreeuwse mannen, broeders dus, die met elkaar vechten. Mozes voegt de schuldige – dat was blijkbaar duidelijk – toe: ‘Waarom slaat gij uw naaste?’ (Ex. 2:13).
Broeder als naaste en volksgenoot
De broeder als naaste, als volksgenoot binnen het volk waarmee de Here zijn verbond gesloten heeft, komt expliciet ter sprake in Leviticus 19:17-18: ‘Gij zult uw broeder in uw hart niet haten; openlijk zult gij uw volksgenoot terechtwijzen en niet ter wille van hem zonde op u laden. Gij zult niet wraakzuchtig en haatdragend zijn tegenover de kinderen van uw volk, maar uw naaste liefhebben als uzelf: Ik ben de Here’ (zie ook Deut. 1:16, 28; 3:20; 15:7, 9; 18:18).
In het kader van de liturgie, de eredienst in de tempel, noemen we enkele psalmwoorden, zoals Psalm 122:8: ‘Om mijn broeders en mijn vrienden wil ik zeggen: vrede zij in u!’ en Psalm 133:2: ‘Ziet, hoe goed en hoe liefelijk is het, als broeders ook tezamen wonen’.
Nieuwe Testament
De taal van het Oude Testament, het joodse spraakgebruik, klinkt duidelijk door in het Nieuwe. Niet alleen in citaten (bijv. Hand. 3:22; 7:37; Hebr. 2:12), maar ook elders, zoals in de Bergrede (zie Mat. 5:22-23, 47; 7:3vv) en in het kader van de prediking, vooralsnog met het oog op de volksgenoten (Hand. 2:39; 3:17; 7:2; 13:15; 26:38), maar deze kring wordt -vooral onder invloed van Paulus – steeds breder, zelfs wereldwijd.
Broeders in Christus
Hoezeer de nieuwe verhoudingen bepaald worden door en verankerd zijn in Jezus Christus blijkt uit een aantal plaatsen – een keuze uit vele – bij wijze van voorbeeld genoemd. Veelzeggend is een gedeelte over Jezus en zijn verwanten. Zijn naaste kring is naar Hem op zoek. Dan spreekt Hij deze woorden: ‘Wie zijn mijn moeder en broeders? En rondziende over degenen, die in een kring rondom Hem zaten, zeide Hij: Zie, mijn moeder en mijn broeders. Al wie de wil van God doet, die is mijn broeder en zuster en moeder’ (Mar. 3:3335). De verbondenheid met deze Ene schept een nieuwe saamhorigheid onder de velen: ‘Gij zult u niet rabbi laten noemen; want één is uw Meester en gij zijt allen broeders’ (Mat. 23:8; zie ook Luc. 22:32; Joh. 20:17).
Broederschap als gave en roeping
Typerend voor deze gelovige (Kol. 4:9; 1 Tim. 6:2; 1 Petr. 5:12) en heilige (Hebr. 3:1) gemeenschap is de liefde (zie 1 Joh. 2:9vv). Omdat het bederf van het beste ontaardt in het slechtste luistert het hier nauw. De adeldom verplicht tot een bepaalde wijze van leven, echt en oprecht (zie 1 Kor. 5:11).
Wat de achtergrond, de betekenis, de strekking van deze aanspraak ‘broeder’ is, komt indringend en indrukwekkend aan de orde in Handelingen 9. Het hoofdstuk zet in met woorden die het fanatisme van Saulus/Pau-lus aanduiden: dreiging en moord blazende tegen de discipelen des Heren’. Op deze wijze en met deze intentie gaat hij ook naar Damascus. Onderweg wordt hij van Hogerhand tot de orde geroepen. Zijn leven komt voortaan – althans na verloop van tijd (Gal. 1:11-24) – op een totaal ander spoor: hij verandert van een vervolger in een verkondiger. Ananias kan het nauwelijks geloven. Hij wordt gesommeerd om naar de ontredderde Saulus te gaan: ‘En Ananias ging heen en kwam in het huis, en hij legde hem de handen op en zeide: Saul, broeder, de Here heeft mij gezonden…’ (9:17). Ananias heeft Saulus niet uitgekozen als metgezel of bondgenoot. Integendeel, zij zijn van Godswege aan elkaar toevertrouwd en deze band kan nooit meer stuk.
Ten slotte nog een opmerking over het unieke karakter van deze uitdrukking. Hoewel deze ‘broederlijke aanduiding’ ook buiten de kring van Israël, het jodendom en de gemeente van Christus gebruikt werd, is het opvallend dat verwante termen als broederliefde (philadelphia; zie Rom. 12:10; 1 Tess. 4:9; Hebr. 13:1; 1 Petr. 1:22; 2 Petr. 1:7) en het adjectief philadelphos (1 Petr. 3:8) tot dusver niet gevonden zijn in buitenbijbelse teksten uit die tijd, althans niet in overdrachtelijke zin.
Kern
Wanneer mensen die van nature niet of niet zoveel met elkaar hebben, elkaar herkennen en erkennen als ‘broeder’/ ‘zuster’ , leggen zij getuigenis af van de vitaliteit en uniciteit van de gemeenschap waartoe zij behoren. Dit ‘behoren tot een gemeenschap’ is verweven met het geheimenis van de verkiezende God die mensen om Christus’ wil aan elkaar toevertrouwt. Deze band is daarom onverbrekelijk. Er is zelfs sprake van een nieuwe schepping vanwege de openbaring, de verzoening van God. Het hart van dit alles is Jezus Christus. Als je elkaar zó aanspreekt in de kring van de gemeente, zonder dat je letterlijk, lijfelijk uit dezelfde ouders bent voortgekomen, is er geen sprake van vrijblijvendheid. Het is een dringend appèl. De schijnbare zoetsappigheid maakt plaats voor een manier van omgaan met elkaar die van grote moed en veel volharding getuigt. Deze unieke verbondenheid laat het archaïsche karakter van deze woorden ver achter zich en reikt een ongekende zeggingskracht aan. Een zodanig hechte gemeenschapheeft een bijzondere uitstraling, die alleen maar aan kracht kan winnen in een gefragmentariseerde samenleving, waarin de eenzaamheid hoogtij viert.
Verwijzing
Zie voor verwante en/of aanvullend te bestuderen woorden: huis, naaste, volk.