Menu

Premium

Brood in overvloed, ook voor de volkeren

Bijbelwetenschappen

8e zondag van de zomer (2 Koningen 4:8-18(37) en Marcus 7:24-30)

Zowel in 2 Koningen 4:8-37 als in Marcus 7:24-30 staat een vrouw centraal. Het zijn belangrijke vrouwen, al krijgen ze geen naam: de eerstgenoemde verleent in haar huis de profeet Elisa gastvrijheid, en de tweede vraagt in een huis Jezus om hulp voor haar kind. Door hun handelend optreden ontstaat er (weer) toekomst voor hen en hun kind. Het gaat hier dus over moederschap, al spelen er andere thema’s mee, zoals onrein zijn, brood eten en verzadigd worden.

Geboorteverhalen spelen in de Bijbel een belangrijke rol als begin van geschiedenis. ‘Reeds in de inleidingsverhalen van Genesis is de zogenaamde ‘moederbelofte’ een doorbraak naar onverwachte toekomst,’ schrijft Karel Deurloo. ‘Op het eten van de boom der kennis (Genesis 2:17) stond de doodstraf, maar de mens wordt pijnlijk begenadigd (3:16-17). Tot de vrouw, die als representant van de mens in dit verhaal optreedt, spreekt JHWH God dat zij in pijn kinderen zal baren.’ Zij ontvangt de naam Eva (Hebr.: chawwah, ‘leven’), want zij is de moeder van al wat leeft (3,20). Zij treedt in de Bijbel in vele gestalten op.[1]

De vrouw uit Sunem

We komen haar vandaag tegen in de vrouw uit Sunem, een plaatsje in Zuid-Galilea, in het erfdeel van Issachar (Jozua 19:18). Zij is een ‘grote vrouw’ (Hebr.: ’isjsjah gedolah), en wanneer Elisa daar voorbijtrekt, dringt zij ‘sterk bij hem aan om (…) brood te eten; en zo vaak hij voorbijtrekt geschiedt het dat hij daarheen uitwijkt om (…) brood te eten’ (2 Koningen 4:8 – NB; in de NBG ’51 en de NBV 2004 is het Hebreeuwse woord lèchèm, ‘brood’, twee keer niet vertaald). Er is geen hongersnood in het land, zoals wel in het parallelverhaal over Elia en de weduwe van Sarefat bij Sidon (1 Koningen 17:8-34; vgl. Lucas 4:25-26). De vrouw uit Sunem laat haar man een bovenvertrek op het dak maken met een ‘tafel en bed, (…) stoel en kandelaar’ (2 Koningen 4:10) zodat Elisa ook kan overnachten.

Wat kan de profeet haar daarvoor terugdoen? Hier duikt volgens Karel Deurloo een Sara-motief op. Gechazi, Elisa’s ‘jongen’, zegt: ‘Helaas, ze heeft geen zoon en haar man is oud’ (4:14). Elisa laat haar roepen en spreekt: ‘Om deze tijd na een levensjaar zul je een zoon omarmen’ (4:16; vgl. Genesis 18:10). Anders dan Sara lacht ze niet, maar deinst ze terug: ‘Nee, mijn heer, gij man Gods, belieg uw dienstmaagd niet!’ Maar ze wordt zwanger en baart een zoon, om die tijd, zoals Elisa tot haar gesproken had (4:16-17). Het vervolg hiervan, het eigenlijke parallelverhaal met dat over Elia en de weduwe van Sarefat, waarin de zoon sterft en vervolgens door de profeet uit de dood wordt opgewekt, staat voor deze zondag niet op het leesrooster.

De Syro-Fenicische vrouw

De vrouw in Marcus 7:24-30 woont in het gebied van Tyrus, een streek waar voornamelijk ‘heidenen’ (Gr.: ethnè, ‘volkeren’, ‘niet-joden’) wonen, en is een ‘Griekse (Gr.: Hellènis), Syro-Fenicische van geboorte’ (7:26). Ze heeft, net als de overste van de synagoge Jaïrus, een ‘dochtertje’ (Gr.: thugatrion), dat niet op sterven ligt maar een ‘onreine geest’ (Gr.: pneuma akatharton) heeft (7:25; vgl. 5:23). Jezus is naar dat gebied van Tyrus vertrokken en er een huis binnengegaan. Hij wil zijn aanwezigheid verborgen houden, ‘maar Hij kon niet verborgen blijven’ (7:24).

De vrouw weet tot Hem door te dringen, valt Hem te voet en vraagt Hem de demon uit haar dochter uit te drijven. Komt het door die onreine geest dat Jezus niet verborgen kon blijven? Bij zijn eerste openbare optreden, in de synagoge van Kafarnaüm, is er immers al een ‘onreine geest’ die weet wie Jezus is en dat luidkeels verkondigt (1:23-28)? En ook later in dit Evangelie zijn er telkens ‘onreine geesten’ die dit luidkeels doen (3:1; 5:7).

Wie honger heeft zal verzadigd worden

Jezus antwoordt haar: ‘Laat eerst de kinderen verzadigd worden, want het is niet goed het brood der kinderen te nemen en het de hondjes voor te werpen’ (7:27). Volgens Bas van Iersel kan Jezus hiermee deze Helleense vrouw verwijten: Jullie hebben het toch al beter dan de inheemse bevolking.[2] Belangrijker is echter dat zij een heidense vrouw is en dat joden heidenen vanwege hun levitische onreinheid wel als honden betitelen. Niet toevallig staat de discussie over wat ‘onrein’ (Gr.: koinos) is net vóór dit verhaal (7:1-23). Maar Van Iersel denkt ook dat Jezus hier ‘zo onbehoorlijk en bijna racistisch’ spreekt om het antwoord van de vrouw uit te lokken: ‘Heer, ook de hondjes onder de tafel eten van de kruimels van de kinderen’ (7:28). Jezus antwoordt haar: ‘‘Om dit woord, ga heen, de demon is uit je dochter weggegaan.’ Teruggekeerd in haar huis vond zij het kindje neergeworpen op het bed en de demon weggegaan’ (7:29-30).

Om welk ‘woord’ zou Jezus dit teken hebben gedaan? Misschien om het woord ‘verzadigd worden’ (Gr.: chortazomai – 7:27). Dit komt nog drie keer voor bij Marcus, en wel in de twee spijzigingsverhalen die dit verhaal omlijsten: eerst worden de joden met brood verzadigd (6:42) en dan de hele wereld (8:4.8), en dan nog blijven er manden vol brokken over. Dit verhaal overdenkt en bevestigt dus de doorbraak van het jodendom naar de heidenen. Eerst komen de ‘kinderen’ – joden – aan de beurt om ‘brood te eten’, dat wil zeggen Tora te leren; maar dat betekent niet dat de weg voor de ‘hondjes’ – volgens de rabbijnen heidenen, goddelozen, onwetenden – daarvoor is afgesloten. Wie honger heeft zal dus verzadigd worden (Lucas 6:21; vgl. Matteüs 5:6).

Deze exegese is opgesteld door Lidwien van Buuren.

Voetnoten

[1] Vgl. K. Deurloo, Onze lieve vrouwe baart een zoon. Kleine Bijbelse Theologie III, Kampen 2006, 11, 100-101.

[2] B. van Iersel, Marcus. Belichting van het bijbelboek. ’s-Hertogenbosch 1996, 151-153

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken