Menu

Premium

De belichaming van Gods bevrijding

Hebreeuwse tekst die wordt uitvergroot met een loep

Bij Deuteronomium 4,32-40, Psalmen 119,17-24, 1 Johannes 3,18-24 en Johannes 15,1-8

In alle lezingen van deze zondag gaat het over daden. Over God die zijn grote woorden daadwerkelijk waarmaakt (Deuteronomium 4). Over zijn Tora die niet alleen gelezen maar ook onderhouden moet worden (Ps. 119). Over het liefdegebod dat geen woorden maar daden vergt (1 Johannes 3). En over de verbinding met Christus die blijkt in vruchten, dus in daadwerkelijk geleefd geloof (Johannes 15).

Het is de vijfde zondag van Pasen, we vieren nog steeds de bevrijding, maar de vraag wordt urgent: hoe gaan Gods daden leven in onze daden? Hoe zijn we niet zomaar bevrijde mensen, maar deel van de bevrijdingsbeweging? Het gaat over belichaming. Of over ‘informatie’: hoe Gods bevrijdingswil van binnenuit vorm geeft aan ons leven.

Niet louter verbale gehoorzaamheid

Bij het voorlezen van de tekst uit Deuteronomium bekruipt mij wel een ongemakkelijk gevoel. Dit zijn woorden uit het slotgedeelte van de lange eerste ‘toespraak van Mozes’ waarmee heel het exodusgebeuren in herinnering geroepen wordt. Aan de toehoorders stelt hij de retorische vraag of ze ooit andere goden zulke bevrijdingsdaden hebben zien plegen. De God van Mozes bewijst zich door dat wél te doen, en de kwalificaties stapelen zich op: grootse daden, tekenen, wonderen, strijd, sterke hand, gestrekte arm, vreselijkheden (Deuteronomium 4,34). Het verschil met de dadenloze afgoden is helder – maar alleen binnen de woordenwereld van de tekst. De eerste hoorders van deze tekst leefden immers vele eeuwen na de gememoreerde gebeurtenissen, voor hen was het een overgeleverd verleden van mythische allure. Ze worden als getuigen opgeroepen om daden van God te bevestigen waar ze niet bij waren, maar zo werkt dat in een traditie. Dat heeft ook donkere kanten, want waag het maar eens om te aarzelen, om twijfels te hebben en te vragen: heeft God toen wel echt ingegrepen? Wat als dit onze grootspraak is tegenover die van de andere religies? De retorische vragen van Deuteronomium 4 zijn niet bepaald onschuldig. Ze vragen om verbale gehoorzaamheid, want wie tegenspreekt pleegt heiligschennis.

Meekomen in de bevrijdingsbeweging

Maar in het hele project van de Tora en ook van het evangelie gaat het juist niet om verbale gehoorzaamheid, maar om meekomen in de bevrijdingsbeweging. Daadwerkelijke gehoorzaamheid aan de Bevrijder-God van de exodus, het ‘onderhouden’ van de Tora, uit zich in daden van recht en barmhartigheid, in een solidaire samenleving. Bevrijding is een doorgeef-ding: de ruimte die je van God krijgt, geef je ook aan anderen. Wie als de dichter van Psalmen 119 dag en nacht de Tora bestudeert snuffelt niet in de kleine lettertjes van een contract, maar oefent in belichaming van Gods bevrijdingswerk. Vandaar dat die eindeloze psalm zo hooggestemd is, zo vol geestdrift. Helaas zijn de 8×2 versregels op de letter gimel (17-24) die voor vandaag ingeroosterd staan, niet het vrolijkste deel van het lied. Ik ben misschien maar zo vrij om een andere letterstrofe te kiezen.

Gekwalificeerde gehoorzaamheid

Over gehoorzaamheid als belichaming vinden we in de johanneïsche geschriften klinkende uitspraken. Bijvoorbeeld in Johannes 15,14 – buiten onze lezing, maar recht in de lijn ervan: ‘Jullie zijn mijn vrienden als je doet wat Ik zeg.’ Als dat woorden uit de mond van een willekeurige hedendaagse president zou zijn, zouden terecht alle alarmbellen gaan rinkelen. Maar het zijn woorden van Jezus en in hetzelfde fragment zegt Hij ook wat ‘doen wat Ik zeg’ inhoudt: ‘Dit is mijn gebod, dat jullie elkaar liefhebben.’ Het gaat dus om gekwalificeerde gehoorzaamheid: je doet niet alles wat Jezus zegt, ongeacht wat het is, omdat Hij het nu eenmaal zegt. Je gehoorzaamheid zal nooit buiten je eigen hart en geweten om gaan. Jezus vraagt je de belichaming van zijn liefde te zijn zoals Hij de belichaming van Gods liefde is. Het is een stromende beweging – vandaar het beeld van de wijnstok en de ranken, want het gaat om de doorstroming van de goddelijke sappen van liefde en mede- dogen, zodat ze vrucht dragen in onze daden.

Metterdaad liefhebben

Dat thema wordt ook in 1 Johannes 3 opgepakt. Het gaat om de daden. Dat is niet hetzelfde als ‘alleen het resultaat telt’. Want de vruchten zijn niet de netto-opbrengst maar de belichaming van de liefde die erin is geïnvesteerd. De vruchten (de daden) zijn de manier waarop Christus in jou leeft, en het gaat dus altijd weer om de beweging als geheel waarin de Bevrijder en de bevrijde mens samen zijn begrepen, waarin bevrijde mensen zelf bevrijders worden. Het is belangrijk om te zien dat het ook in de Tora al zo bedoeld is. De Mozes van Deuteronomium 4 wil zijn hoorders incorporeren in de bevrijdingsbeweging die Israël bedoeld is te zijn.

Je kunt je zomaar voorstellen dat de menigte die voor deze denkbeeldige Mozes staat in antwoord op zijn retorische vragen uitbreekt in het scanderen van ‘God is groot’ (Allahu akbar). Maar dat zou alleen gepast zijn als het henzelf van binnen groot zou maken, ruimhartig, bereid tot bevrijdende daden. We zien helaas in heden en verleden telkens weer bewegingen die met deze leus op de lippen dood en verderf zaaien, maar die belichamen iets totaal anders dan de beweging van Wijnbouwer, wijnstok, ranken en vruchten. Dus de vraag van deze zondag is niet: wat moet ik precies doen, of hoe moet ik erover denken? De vraag is: welke beweging zul je belichamen met alle vezels van je bestaan?

Bij Deuteronomium 4:32-40, Psalmen 119:17-24, 1 Johannes 3:18-24 en Johannes 15:1-8

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken