De belofte aan Davids huis
Bij 2 Samuel 7,4-16, Psalmen 132, Romeinen 16,25-27 en Lucas 1,26-38
Algemeen is men het erover eens dat 1 Samuel 16 tot en met 1 Koningen 2 is geschreven in de tijd van de ballingschap, 586 v.Chr, dus vele eeuwen na David. De schrijvers, Deuteronomisten, vertelden de geschiedenis van Israël zo dat het volk er hoop uit kon putten voor een nieuwe toekomst in hun eigen land met een goede koning. Daartoe beschreven zij David – die in 1 en 2 Samuel een centrale rol speelt – zeer geflatteerd, ten koste van zijn voorganger Saul en de koningen na hem. David is de maatlat, waarlangs al zijn opvolgers worden gelegd.
Het Hebreeuwse woord voor ‘huis’ komt zeven keer voor in 2 Samuel 7,2-16. De NBV vertaalt het ook met ‘paleis’ of ‘koningshuis’, waardoor betekenisverschuivingen duidelijk worden: van woning (2 Samuël 7,2) naar dynastie (2 Samuël 7,16). 2 Samuël 7 vers 7,4 is de reactie op het voornemen van David om een vast onderkomen te bouwen voor de Eeuwige. Van Natan mag het (2 Samuël 7,2-3), maar de Eeuwige beschikt anders. 2 Samuël 7,1 wordt algemeen beschouwd als een slip of the pen van een kopiist. Het is immers nog lang niet rustig. Na dit intermezzo gaat David eerst de Filistijnen verslaan, daarna de Moabieten. Voor de kroniekenschrijver is Davids bloedvergieten zelfs de reden dat hij de tempel niet mag bouwen (1 Kronieken 22,8; 28,3). Pas onder Davids opvolger, Salomo, zal er van buitenaf geen dreiging meer zijn. Dan zal de Eeuwige voor zichzelf een woonplaats kiezen (Deuteronomium 12,5.9-11). Voor David is het voorbereidende werk: Israël en Juda samenvoegen tot één koninkrijk en de interne rust handhaven. En door Jeruzalem te veroveren legt hij de basis voor één religieus centrum.
Een plaats voor de Eeuwige?
Is een vaste woning voor de Eeuwige dan een stap te ver? Zolang er nog geen ‘rust’ voor het volk was, trok de Eeuwige mee in de tent van samenkomst. Nu het verenigd is onder één koning en er een periode van rust lijkt te komen, ligt een vaste woning toch voor de hand? Een te ingrijpende innovatie? Je proeft de aarzeling. Koningen uit het oude Midden-Oosten bouwden tempels voor hun goden. Baäl had een tempel; de Eeuwige een tent. Toch wordt de bouw niet verboden, alleen uitgesteld en afhankelijk gemaakt van het gedrag van volk en koning (1 Koningen 9,4-9). Bovendien beslist de Eeuwige over de bouw en niet de koning, zoals bij andere volken.
Met de affaire Batseba zet David het voortbestaan van zijn huis op het spel. Wat de Eeuwige geeft, kan Hij ook wegnemen. Het kan zelfs uitlopen op verwerping (Psalmen 89,20-38), maar zelfs dan zal Hij het ‘huis van David’ weer oprichten. De belofte van de Eeuwige reikt tot ver in de toekomst. Van die hoop en dat vertrouwen spreken ook de profeten (Jesaja 11,1-5; Jeremia 23,5; 33,14-18). Vanwege de belofte aan Davids huis mogen de ballingen blijven hopen op terugkeer naar Jeruzalem om er de tempel te herbouwen tot ‘huis voor de Eeuwige’. In 539 v.Chr. verslaat de Perzische koning Cyrus (Kores) Babylon en mogen de ballingen terugkeren. Jeruzalem en de tempel worden herbouwd, maar een koning is er nog niet.
Koning voor eeuwig
Wanneer Lucas zijn evangelie schrijft, is de tempel opnieuw verwoest en heeft Judea geen koning, maar ‘uit de stronk van Isaï schiet een telg op; de Geest van de Eeuwige zal op Hem rusten’ (Jesaja 11,1). Lucas’ getuigenis is veelzeggend. Dat blijkt uit de verschillen tussen de geboorteaankondigingen van Johannes en Jezus. Johannes wordt in de moederschoot vervuld van de heilige Geest; Jezus is door de Geest verwekt. Johannes wordt ‘profeet van de Allerhoogste’ genoemd; hij treedt maar korte tijd op. Maar Jezus, ‘Zoon van God’, zal voor eeuwig koning zijn. Lucas benadrukt in zijn evangelie het werken van de Geest van de Eeuwige, van wie Maria Je-zus ontvangt en die bij Jezus blijft.
De Annunciatie is een geliefd onderwerp in de kunst. Vaak wordt Maria daarbij lezend afgebeeld, om aan te geven dat zij de Schriften kende en daarmee de geschiedenis van de aartsmoeders, Sara, Rebekka en Rachel, die allen door tussenkomst van de Eeuwige zwanger werden. Maar zij hadden een man. Maria is nog niet getrouwd wanneer zij deze genade van de Allerhoogste ontvangt.
Zoon van de Allerhoogste
Ook door herkenbare literaire patronen te gebruiken tilt Lucas de aankondiging aan Maria boven het wonderbaarlijke uit naar het heilige. Er is een parallel met de aankondiging van de geboorte van Simson, die een begin zal maken met de bevrijding van Israël (Richteren 13,3vv). Jezus zal de hele mensheid bevrijden. Lezers met een hellenistische achtergrond zullen er het paradigma van de geboorte van een godenzoon in terugvinden. Soms daalde een godheid af van de Olympus om een jonge vrouw zwanger te maken, die dan een heldenzoon baarde, zoals Hercules, verwekt door Zeus. Deze zonen moesten heldendaden verrichten om tot de Olympus te worden toegelaten. Jezus’ positie is al meteen duidelijk: ‘Zoon van de Allerhoogste’ zal Hij genoemd worden. Hier is geen sprake van wellust van goden, en de jonge vrouw is geen weerloze prooi. Zij heeft een eigen inbreng en beslist zelf. Haar nicht Elisabet zal haar ‘meest begenadigde van alle vrouwen’ noemen (Lucas 1,42), zoals Jaël en Judit, redders van hun volk. ‘Huis van David’ krijgt hier een andere dimensie. In Babylon verlangde het volk naar een koning bij de gratie van de Eeuwige, die het land weer zou oprichten en het volk rechtvaardig zou besturen. Hier is de troon van David bestemd voor een niet-wereldse koning voor de hele wereld, van een rijk dat niet ten onder zal gaan. Hij zal ieder die naar Hem luistert bevrijden, en opkomen voor armen en onderdrukten: een belangrijk thema voor Lucas. Maria is uit dit (spirituele) ‘huis van David’, omdat zij zich voor dat rijk wil geven, ondanks vernedering en hoon die dat met zich meebrengt. Zij zal dat hebben ervaren. Maria: niet nederig, bescheiden en onderdanig, maar bewust, betrokken en fier – een beeld van een vrouw.