Bij Genesis 13,1-18Abram en Lot kijken terug op de weg die ze samen hebben afgelegd vanuit Egypte, door de Negev. Ze zijn van daaruit opgeklommen naar het heiligdom van Betel en Ai, het ‘huis van God’, de plaats waar het allemaal begon. Waarom zouden zij terugkijken, en niet vooruit? De locatie waar ze hun tenten hebben opgezet, ligt precies op het geografische midden van Kanaän. Zowel Abram als Lot waren, paradoxaal genoeg, welgesteld teruggekomen uit Egypte (Hebr.: mitsrajim), uit het ‘land van verdrukking’ (de Hebreeuwse stam tswr heeft volgens het Lexicon van Koehler/Baumgartner ook de bijbetekenis van ‘vastbinden, omsingelen, belegeren’).