De duizend gezichten van de ‘schoonheid’
De zon begint met muntjes licht
te spelen op het beddelaken
de dag is argeloos van gezicht
en stemmen in het huis ontwaken (…)
Uit: Zondagmorgen, Ida Gerhardt
Mij geeft zo’n poëtisch spel met licht een ervaring van schoonheid. Maar wat zeg ik als ik schoon zeg? Het gaat hier om zoveel meer dan de plezierige streling van de zinnen, die men doorgaans schoon noemt. Juist door zijn schone vorm roept dit gedicht de zinvolle wereld op, waarin ik leven mag: het bed, de kamer, het huis, de mensen om mij heen. Ik word daarbij aangesproken als de hele mens die ik ben; niet alleen in mijn zinnelijk gevoel voor schoonheid, maar ook in mijn levensmotief, mijn spiritualiteit, mijn ziel. Je zou dus al meteen kunnen vastellen dat je schoonheid in soorten hebt: schoonheid in engere zin (het aangename) en schoonheid in veel bredere en diepere betekenis, waarbij bijvoorbeeld ook zoiets als goedheid en waarheid in het spel zijn. Hoe ligt dit in de Bijbel? En in de filosofisch-theologische bezinning?
Schoonheid in de Bijbel
Ook de Bijbel kent beide soorten van schoonheid. Het zinnenstrelend-aangename zit in Hebreeuwse woorden als jafeh en tov, en het Griekse kalos. Deze woorden roepen eenduidig het mooie en gave van de geschapen wereld op: , steden, het land, maar vooral van mensen, met name wanneer er liefde in het spel is (Hooglied!). Maar schoonheid bestaat in de Bijbel ook buiten deze woorden om en is dan ook vaak meer dan aangenaam.Wie zou bijvoorbeeld aan het gouden kalf (Ex. 32) en het rijk uitgedoste beest dat oprijst uit de afgrond (Op.13) schoonheid willen ontzeggen? De bijbelse schoonheid is alomvattend en spiegelt naast het verrukkelijke licht en de grootse natuur ook de kwalijke leugen, het demonische kwaad. Schoonheid dubbelzinnig en paradoxaal worden, onder hoogspanning raken en bijna breken onder wat zij spiegelen moet.
Zo lijkt het wanneer ook God schoon wordt genoemd, zoals de traditie vrijelijk heeft gedaan, ofschoon in de Bijbel zelf het woordje ‘schoon’ voor God geheel ontbreekt. Augustinus bijvoorbeeld, na zijn bekering: ‘Schoonheid schoonheid, veel te laat heb ik je lief gekregen’ (Confessiones boek X). Inderdaad, hoe zou de Schepper van al het schoons in de wereld – het licht, de mens, de liefde – niet ook zelf schoon zijn? Tegelijk, hoe zou de Onzienlijke te zien kunnen zijn? De paradoxale spanning wordt bijvoorbeeld tastbaar in Exodus 19- Gods indrukwekkende verschijning in ‘heerlijkheid’ op de Sinai (Hebr. kabood, oorspronkelijke betekenis: gewicht, aanzien, en aanduiding van Gods majesteit, eer, glorie; Gr. doxa). Fascinerend is hier dat de Onzienlijke zich in al zijn majesteit te kennen geeft in aardbeving, donder en bliksem, vuur en rook. Het is een esthetische sensatie van de eerste orde, waarbij een wolk de mensen moet beschermen tegen de verschroeiende aanblik. Huiver en gehoorzaamheid (ethisch) zijn Israëls antwoord en niet minder creatieve vreugde in lofzang, tempelbouw en liturgie (esthetisch). Het is diezelfde heerlijkheid die volgens Johannes heeft gewoond in Christus (Joh. 1:14) en in deze vernederde en verhoogde mens naam heeft gemaakt als een belofte voor de toekomst van heel de schepping. Hem komt alle eer toe in hemel en op aarde! (Filip. 2).
Is God hier schoon? Ja, maar het schone barst hier welhaast uit zijn voegen. Het nadert het sublieme: de aanduiding van het onbevattelijke en verhevene in zijn aantrekkende en tegelijk vreeswekkende impact.
De bijbelse schoonheid is dus niet beperkt of formeel. Zij is rijk aan inhoud en kent vele gezichten. Zij spiegelt dan ook heel de werkelijkheid in haar volle glorie en diepe misère, zoals verteld en verbeeld in het verhaal van schepping, bevrijding en voltooiing.
Schoonheid nader doordacht
Welke werkelijkheid wordt nu in het schone gezien?, zo heeft men zich in de theologisch-filosofische bezinning afgevraagd. Is het het metafysisch schone, ware en goede, zoals Augustinus in het spoor van Plato’s ideëenleer dacht? Een eeuwig uitstromend goddelijk licht (Plotinus)? Een vaste, door God geschapen orde en harmonie (Augustinus, Thomas, Van der Leeuw)? Schoonheid en kunst als kijkdoos in de metafysische werkelijkheid!
Maar in onze (post)moderne schoonheidsbeleving gaat het niet om een andere wereld, maar om deze wereld anders, dieper gepeild, intenser beleefd. En zeker ook persoonlijker. Wat ik schoon noem, wordt niet meer uitgemaakt door een objectieve, al of niet bovennatuurlijke werkelijkheid, maar door mijzelf als belevende en interpreterende persoon. Sinds Kant en de romantiek is de schoonheidsbeleving een kwestie van gevoel en verbeelding geworden en daarmee geïndividualiseerd en hyperpersoonlijk. Zie ook in de tegenwoordige kunstwereld de bizarre diversiteit van smaken, stijlen en visies. Het einde van de kunst, beweren sommigen. Maar juist op deze nieuwe, persoonlijke wijze worden de oude vragen opnieuw gesteld: Wat mag schoon heten? Enkel een aangenaam esthetisch spel? Hedonistisch genot? Veelbelovend is hoe er overal opnieuw oog is voor schoonheid als onthulling van waarheid en goedheid (Heidegger), van het sublieme (Hans den Hartog Jager) van spirituele diepten, van verlangen naar transcendentie, al dan niet religieus of bijbels geïnterpreteerd (Stoker).
Schoonheid een grondwoord?
Voor mij is schoonheid kortom zo niet een grondwoord dan toch zeker een grondervaring in het bestaan, al dan niet religieus beleefd – en dan ook zo paradoxaal en veelvormig als dat leven en de mensen zelf. Juist als aspect met een eigen, onherleidbare esthetische kwaliteit (onder afzien van begrip en belang), schoonheidservaring de werkelijkheid laten zijn zoals zij is: bijvoorbeeld als een prachtig godsgeschenk, als huiverend ontdekt theater van Gods heerlijkheid, als een bezeten wereld, schreeuwend om uitkomst en hopend op een nieuwe dag. Schoonheid is geen objectief gegeven, maar een geïntensiveerde verschijningswijze van het leven zelf. Zij veronderstelt de ontvankelijk-creatieve blik van de ziel, die geboren is uit geloof, hoop en liefde en te vinden is bij zo vele gelovigen en kunstenaars.
Literatuur
U. Eco, De geschiedenis van de schoonheid, : Bert Bakker 2008.
Hans den Hartog Jager, Het sublieme, : Athenaeum-Polak & Van Gennep 2011.
G.J. Hoenderdaal, Het esthetische een weg tot geloof?, Baarn: Ten Have 1982.
G. van der Leeuw, Wegen en grenzen, : H.J. Paris 1955.
Wessel Stoker, Kunst tussen hemel en aarde, Zoetermeer: Meinema 2011.