Menu

Premium

De dynamiek van het christelijk-joods conflict 50-150 AD

Onderstaand artikel is voor een groot deel theoretisch van aard en gewijd aan het schetsen van een hypothese waarvan de gedetailleerde toetsing elders moet volgen. De onderliggende intuïtie is dat de breuk tussen jodendom en christendom niet resulteerde uit doctrinaire verschillen, maar uit een samenspel van sociale krachten waarin oorlog een beslissende rol speelde. Dit schept een interessante basis voor interactie met de Cleveringa-lezing van Kees Schuyt waaraan het huidige themanummer gewijd is.

1. De sociale dimensie

Geen weldenkend theoloog zal het belang van een sociologische benadering van het Nieuwe Testament en verwante teksten nog ontkennen. De sociale wetenschappen hebben zich een blijvende plaats verworven onder de faculteiten.’ Toch is het niet zo dat de gemiddelde Nieuwtestamenticus zijn teksten benadert met een besef van sociale dynamiek.
[1]
Sterk is nog de macht van het ‘oude’, essentialistische denken waarin ‘theologische waarheid’ beschouwd wordt zonder kritische betrekking op sociale omstandigheden en veranderingen.

Niet in de laatste plaats geldt dit het conflict tussen joden en christenen, een cruciaal thema in het Nieuwe Testament dat hier centraal staat. De klassieke opvatting dat geschilpunten van doctrinaire aard de breuk tussen beide gemeenschappen veroorzaakten en dat ook Paulus en zelfs Jezus in termen van zulke verschillen dachten blijft haar invloed houden, zelfs waar men probeert de dynamiek van de breuk historisch of ‘sociologisch’ in beeld te krijgen.

De sociologische benadering van het Nieuwe Testament is niet totaal nieuw. In verschillende opzichten is zij slechts een uitbouw van de historische methode, die immers uit is op de analyse van politieke, culturele en sociale omstandigheden. Wel tamelijk nieuw is de concentratie op het sociale aspect. Een van de eerste studies was Gerd Theissen, Soziologie der Jesusbewegung, een beschrijving van Jezus en zijn armoedebeweging.
[2]
Niet lang daarna volgden Waine Meeks met The First Urban Christians, een sociale analyse van de gemeenten van Paulus,
[3]
en Peter Lampe met Die stadtrömischen Christen, over de Romeinse kerk in de eerste twee eeuwen.
[4]

Een sociologische benadering ligt voor de hand bij teksten die getuigen van een conflict. In het Nieuwe Testament betreft dit met name de evangeliën naar Johannes en Matteüs. Voor Johannes en het conflict met ‘de joden’ moeten genoemd worden J. Louis Martyn, History and Theology in the Fourth Gospel en Raymond Brown, The community of the beloved disciplefde strijd om een juiste verhouding tussen ‘theologische’ en ‘sociale waarheid’ is hier echter nog lang niet gestreden.
[5]
Wat Matteüs en het conflict met de Farizeeën betreft, gewezen worden op het werk van Georg Strecker en Graham Stanton.
[6]

2. ‘The Parting of the Ways ’

De breuk tussen jodendom en christendom werd in twee invloedrijke publicaties aan de orde gesteld door James Dunn. Enerzijds geïnspireerd door de recent opgekomen aandacht voor de joodse achtergrond van het christendom, werd hij anderzijds gedreven door de wens het eigene van het christendom aan de orde te stellen. De bundel Jews and Christians. The Parting of the Ways A.D. 70 to 135 resulteerde uit een colloquium, waarvan belangrijke resultaten terugkwamen in Dunns eigen, overwegingen.
[7]
In zijn boek The Partings of the Ways spreekt Dunn van ‘partings’ in meervoud: een voortgaand scheidingsproces dat begon met de prediking van Jezus en verder ging met Paulus, Hebreeën en Johannes.
[8]
Belangrijk was de periode tussen de twee grote joodse opstanden tegen (66-70 en 132-135). Uit die tijd horen wij van rabbijnse maatregelen tegen de joodse christenen, terwijl de definitieve breuk pas kwam met de oorlog van Bar Kochba; hier is Dunn in gesprek met de colloquiumbijdrage van Philip Alexander.
[9]

Dunn verontschuldigt zich tongue in cheek voor zijn behoefte om het probleem in zijn geheel aan de orde te stellen en zet vervolgens de discussie fundamenteel in met Ferdinand Christian Baur. Volgens deze pionier van de historische kritiek was het christendom als onafhankelijke beweging voortgekomen uit de onvermijdelijke botsing tussen het jodendom als nationale wetsreligie en de wezenlijk andere prediking van de vrijheid door Paulus. Hiertegenover plaatst Dunn het werk van John Lightfoot, die evenzeer als Baur benadrukte dat het christendom niet slechts een variant was van het jodendom, maar de kern zocht in de reeds vroeg ontwikkelde christologie. Deze uitgangspunten blijft Dunn vasthouden, terwijl hij anderzijds, in gesprek met de bijdragen van Hermaan Lichtenberger en William Horbury, onder de indruk is van het joodse karakter van het christendom.
[10]
Een hiermee niet verbonden afterthought, ditmaal geïnspireerd door Martin Goodman, is dat de fiscus judaicus, de belasting die de Romeinen aan de joden oplegden na de oorlog van 66-70, misschien wezenlijk bijdroeg aan de ‘parting of the ways’.
[11]

Het ogenschijnlijk heldere model van ‘een scheiding van wegen’ raakt hier in tegenspraak met de complexe relaties tussen jodendom en christendom waarvan de bronnen getuigen. Reacties konden niet uitblijven. Niet zonder irritatie stelde Judith Lieu de vraag: ‘ “The Parting of the Ways”: Theological Construct or Historical Reality?’
[12]
De laatste zin vat haar positie samen: ‘…It may prove to be theologically less satisfying but sociologically more persuasive to picture a criss-crossing of muddy tracks which only the expert tracker, or poacher, can decipher.’ In dezelfde richting ging een gemeenschappelijk project van Princeton en Oxford, door Adam Becker en Annette Yoshiko Reed gepubliceerd onder de pikante titel The Ways that Never Parted, nu met het oog op de eeuwen na de Bar-Kochba-oorlog.
[13]

Met dit al was er niet veel nieuws onder de zon. De uitdrukking ‘parting of the ways’ was in 1934 geïntroduceerd door James Parkes, pionier van de christelijk-joodse dialoog, in zijn boek The Conflict of the Church and the Synagogue.
[14]
En reeds Parkes besefte dat het niet kon gaan om een eenmalige, algehele breuk, maar om een langdurig en complex proces.
[15]
De prediking van Jezus en Paulus waren zeker van invloed, maar beslissend was de periode na de joodse oorlogen van 66-70 en 132-135.

Bovendien men de vroege verhouding van joden en christenen beter in andere termen zien dan die van een fatsoenlijke ‘scheiding van wegen’. Judith Lieu en meer recentelijk Gerard Rouwhorst vroegen aandacht voor het model van de rivaliserende tweeling. Dit was op nogal irenische wijze geïntroduceerd door Alan Segal, Rebecca’s Children}* maar hij was daarin meer realistisch voorgegaan door Rosemary Ruether in haar geruchtmakende Faith and Fratricide. Op zoek naar de wortels van het christelijk antijudaïsme noteerde Ruether dat dit fenomeen een heftigheid heeft waarbij pagane houdingen tegenover de joden verbleken. De verklaring zoekt zij in de ‘sibling rivalry’ van christenen en joden: ‘Church and Synagogue, like the two brothers of Rebekah’s womb, were bom with the younger holding on to the heel of the elder – and claiming tobe the rightful heir.’
[16]
De terechte kritiek op Ruether was dat zij deze rivaliteit ongenuanceerd en niet overtuigend aanwees in heel de christelijke literatuur vanaf het Nieuwe Testament. De virulentie van het christelijk anti-judaïsme is echter onweersprekelijk en het rivaliteits-model onthult er de sociale inslag van.

De slotsom is complex. Men is het erover eens dat er geen eenmalige, algehele breuk tussen jodendom en christendom plaatsvond. De bronnen wijzen eerder op een langgerekt, regionaal gedifferentieerd proces. De boodschap van Jezus en die van Paulus speelden een rol, maar waren wellicht geen direkte aanleiding. Niettemin moet er een soort breukmoment zijn in de verhouding tussen beide gemeenschappen, waar een langzame ontwikkeling naar een totale scheiding op volgde. Velen zoeken dat moment ergens in de periode van de oorlogen van 66-70 en 132-135. Naast ontluikend christelijk anti-judaïsme blijft er continuïteit tussen jodendom en christendom. Ook moet gelet worden op rabbijnse maatregelen tegen joodse christenen en op de invloed van de fiscus judaicus.

3. Het model van Schuyt

We gaan nu in op de lezing van Kees Schuyt over groepsconflicten en geweld in de moderne samenleving. Zijn insteek wordt voor ons het best samengevat in zijn algemene uitspraak: ‘Het kwaad is van sociale makelij. Aan massaal geweld tegenover bepaalde bevolkingsgroepen gaat meestal een intensivering van groepstegenstellingen vooraf.’
[17]
Deze intensivering legt Schuyt uiteen in vier verschuivingen, die apart of in combinatie kunnen optreden: (1) het ondergeschikt maken van de persoonlijke identiteit aan de groepsidentiteit; (2) de intensivering van tegenstellingen met andere groepen; (3) de omslag van een belangenconflict in een veel moeilijker onderhandelbaar waarden- of geloofsconflict; (4) de overgang van sociale conflicten naar daadwerkelijk geweld tegen andere groepen.

Laatstgenoemde overgang ziet Schuyt als deel van een grotere ‘wetenschappelijke puzzel’: ‘De sprong van conflict naar geweld is (…) een complex sociaal verschijnsel, waar biopsychologische, sociaal-psychologische en sociologische factoren in onderlinge relaties allemaal aan bijdragen.’ In zijn lezing beperkt Schuyt zijn analyse tot de werking. van onderdrukte emoties zoals schaamte en rancune. Tegen het eind oppert hij dat de genoemde verschuivingen ook in omgekeerde, positieve richting kunnen werken, zoals het de-escaleren van geweldgebruik tot hanteerbare socialeconflicten of het reduceren van ideologische conflicten tot gereguleerde belangentegenstellingen.
[18]

Een recente studie over het antieke jodendom de laatstgenoemde wisselwerking illustreren – en daarmee tegelijkertijd de toepasselijkheid van Schuyts model voor de oudheid aantonen. Hillel Newman bestudeerde de mate van ideologisch extremisme van verschillende vroeg-joodse groepen in verhouding tot hun afstand van het politieke machtscentrum.
[19]
De conclusie is dat Farizeeën en Sadduceeën, die allebei toegang hadden tot de hoogste politieke macht, meer compromisbereid waren dan de Essenen en de – groep, die daarvan uitgesloten waren.
[20]
Vooral de teksten waaruit wij de -groep kennen, vallen op door een ideologisch dualisme in combinatie met een zelfgekozen sociaal excentrisme. Er is met andere woorden een correlatie tussen de ideologie of ‘heilige tekst’ van een groep en haar bereidheid of vermogen om aan het gewone sociale verkeer deel te nemen.

Wat zulke ideologisch beladen teksten betreft, zouden we kunnen spreken van een Wahlverwandtschaftof ‘sociale electiviteit’: de aantrekkingskracht die ze uitoefenen op bepaalde typen of groepen, in bepaalde tijden. Dit teksten uit het Nieuwe Testament niet minder betreffen dan hedendaagse websites. De verschrikkingen van de tweede wereldoorlog schijnen in een bijzondere ‘klankbodem’ te hebben geschapen voor de Openbaring van Johannes, een boek met een sterk dualistisch beeld van de geschiedenis.
[21]
Minder temporeel-specifiek is de aantrekking van het Johannesevangelie op vroom-christelijke kringen en personen – kennelijk in ‘electieve’ analogie met het meer tijdloze dualisme van dit evangelie. In navolging van de socioloog Peter Berger spreekt men van de aanhangers van dualistisch-apocalyptische literatuur als een ‘cognitive minority’, wat Berger omschrijft als ‘a group formed around a body of deviant “knowledge”
[22]

Voor ons van belang is vooral de ‘wetenschappelijke puzzel’ die Schuyt ontwaart in de overgang van sociaal conflict naar geweld. Kunnen we niet veronderstellen dat het ook daar om een wisselwerking gaat? Sociale radicaliseringsprocessen tot geweld. Zou het omgekeerd niet zo zijn dat, met Schuyts woorden maar in aanvulling op zijn theorie, ‘massaal geweld tegenover bepaalde bevolkingsgroepen intensivering van groepstegen- stellingen’ teweegbrengt? Is dat niet wat gebeurde met de massale aanslagen tegen Amerikaanse burgers op 11 september 2001, de oorlogen in en Irak en de erop volgende, wereldwijd gevoelde ideologische polarisatie tussen ‘de islam’ en ‘het westen’? Een ander voorbeeld is het voormalige Joegoslavië, waar de oorlog die de Serviërs begonnen een vooralsnog onherstelbare sociale fragmentatie heeft ontketend.

Hierover nadenkend gaan we vermoeden dat massaal geweld ‘iets doet’ met mensen, allereerst op basaal niveau, vervolgens ook in hun sociale oriëntatie en cognitie. Veldheren als Napoleon of Alexander de Grote veranderden met hun grootscheepse oorlogen niet alleen de wereld, maar ook de manier waarop de mensen de wereld en zichzelf waarnemen. Schuyt sprak van ‘biopsychologische, sociaal-psychologische en sociologische factoren in onderlinge relaties’ als deel van de grotere puzzel. Hier is schrijver dezes de grenzen van zijn vakkennis allang voorbij en moet hij het – in afwachting van aanvulling en correctie van bio-psycho-sociale zijde – hebben van de informatie waar een intelligente krantenlezer over beschikken.

Naar de indruk van deze krantenlezer gedraagt de mens zich op zijn basaalste niveau als een groepsdier dat zijn territorium en bestaansbronnen beheerst middels dodelijk geweld tegen soortgenoten. In de normale samenleving wordt dat basale gedisciplineerd: fysiek geweld wordt veroordeeld; respect en naastenliefde gelden als normgedrag. In oorlog gelden echter andere normen en heersen uitzonderlijke vormen van gedrag en bewustzijn, wellicht in samenhang met het hoge angstniveau ofwel een verhoogde adrenaline-spiegel. Vanouds kent men de ‘overwinningsroes’, een abnormale bewustzijnstoestand waarin het gewone morele en seksuele normbesef opzijgezet wordt. Massamoord en -verkrachting als effectief strijdmiddel zoals recentelijk gezien in of Bosnië is van alle tijden. Verhalen uit concentratiekampen leren ons over overlevingsstrategieën in gegeneraliseerde angstsituaties of de gesteldheid van de Muselmann die het opgeeftOverlevenden beschreven uit eigen waarneming haarscherp wat in laatste instantie ‘in de mens is’. En het is schokkend, te moeten vaststellen dat de mannen van Hitler en Stalin hier een antropologische informatievoorsprong hadden, die ze gewetensloos uitbuitten.
[23]

Terzake. (Dreigend) massaal geweld genereert angst en dat polariseert bestaande sociale tegenstellingen en radicaliseert belangenconflicten tot onoplosbare waardenconflicten. In tijden van oorlog, wist de profeet al, ‘worden iemands huisgenoten zijn vijanden’ (Micha 7:6).

4. De hypothese geformuleerd

Laatstgenoemd profetenwoord wordt aangehaald in Matteüs 10:36, in een apocalyptische context die doet denken aan het conflict dat de Matteaanse gemeente eind eerste eeuw moet hebben gehad met de Farizeeën.
[24]
Ook in de Misjna wordt het spreekwoord aangehaald, eveneens in een apocalyptische context en geassocieerd met dezelfde periode van joodse oorlogen tegen Rome eind eerste en begin tweede eeuw.
[25]

Dit identieke citaat in een christelijke en een joodse bron biedt de aanleiding – voorzover we nog niet op het idee gekomen waren – om ons vermoeden over de antropologie van het geweld toe te passen op het vraagstuk van de omslag in de verhouding tussen joden en christenen in de eerste twee eeuwen en de ontwikkeling naar de breuk. Wat leren de bronnen ons?

Enige wetenschapstheoretische reflectie is gepast. Bronnen leren niets aan wie analfabeet is of compleet blanco op het onderhavige gebied. Ons werk als wetenschapper schrijdt voort op de wijze waarop met name Karl Popper dat beschreef. We krijgen een idee – uit de krant bijvoorbeeld, of uit de bijbel – en vormen daaruit een hypothese of theoretisch systeem. Dit gebruiken we vervolgens als een net, en we kijken of we de waargenomen feiten ermee kunnen ‘vangen’. Met ‘feiten’ bedoelen we: wat wij in de bronnen waarnemen dat is voorgevallen. Vallen er teveel feiten uit het ‘net’, dan moeten we het verfijnen of vervangen. Belangrijk is de ‘falsifieerbaarheid’: het inbouwen van de mogelijkheid dat verdere waarnemingen de hypothese tegenspreken.
[26]

Zo komen wij tot de hypothese
[27]
dat de breuk tussen jodendom en christendom het gevolg was van de sociale radicaliseringsprocessen die werden gegenereerd door de joodse opstanden tegen Rome en de Romeinse reactie daarop en dat theologie en ritueel zich wederzijds gaandeweg aanpasten aan de geradicaliseerde, gepolariseerde verhoudigen.

Dit roept een zijdelingse vraag op die een theologisch tijdschrift niet mag verzwijgen: is theologische kennis slechts sociaal gegenereerde inbeelding? Ook deze vraag is niet nieuw; wij leven er al eeuwen mee, op zijn minst sinds Anselmus in 1078 zijn Proslogion schreef. Het zoeken van theologische antwoorden hierop kunnen we daarom met een gerust hart bewaren voor een ander moment.
[28]

5. Op verkenning bij de bronnen

Zoals aangekondigd beperkt dit artikel zich tot een eerste verkenning en moet een gedetailleerde test van de hypothese elders volgen. We verkennen zes thematieken die uit de bronnen naar voren komen met betrekking tot de ontwikkelingen tussen 50 en 150. Dan bezien we of onze hypothese voldoende in staat is de aldus waargenomen feiten te ‘vangen’.

(1) De joodse oorlogen tegen Rome. De eerste oorlog (66-70) brak uit na decaden van groeiende spanning. Uitvoerige documentatie is voorhanden in de beschrijvingen van Josephus; ook zijn er vele berichten in Romeinse en rabbijnse bronnen. Het was tevens een burgeroorlog die de joodse samenleving diepgaand verdeelde en vervolgens veranderde. Van de drie invloedrijke groeperingen die Josephus enkele malen noemt, verdwijnen deSadduceeën en Essenen na de oorlog uit beeld; alleen de Farizeeën blijven over. Volgens rabbijnse berichten waren de Farizeeën intern verdeeld in de twee ‘scholen’ van Sjammai en Hillel. Leidende Hillelieten waren tegen de oorlog, maar werden overstemd door de Sjammaïeten die ervoor waren.
[29]
Als drijfveren noemt Josephus ‘ijver’ (voor de wet) en joodse vrijheidszin.
[30]
Na de oorlog waren de Hillelietische Farizeeën in de meerderheid en gingen het gezicht van het ontluikende ‘rabbijnse’ jodendom bepalen. De tweede oorlog (115-117) onder Trajanus is schaars gedocumenteerd. Een kort, samenhangend bericht staat bij Eusebius; meer fragmentarisch bericht Cassius Dio.
[31]
De oorlog, gevoed door economische en religieuze drijfveren, speelde vooral in Noord-Afrika, Cyprus en Mesopotamië en liep desastreus af voor het Noord-Afrikaanse jodendom.
[32]
Ook over de derde oorlog (132-135) onder Hadrianus hebben wij niet veel bronnen. Het uitvoerigst is Cassius Dio; ook hier is Eusebius belangrijk.
[33]
Er is veel geleerde discussie over aanleiding en omvang van de oorlog, alsmede over de steun van de rabbijnen.
[34]
Archeologische gegevens bevestigen de omvang van de opstand en de massieve onderdrukking door de Romeinen. Judeawerd verwoest en voor joden verboden; Hadrianus volvoerde zijn plan om van Jeruzalem een Romeinse stad te maken.

(2) De Romeinse houding tegenover de joden. De reeds genoemde fiscus judaicus was, weten we uit een scala van bronnen,
[35]
een speciale belasting die na 70 als vernederende straf werd opgelegd aan alle joden in het rijk. Voor niet-joodse christenen of godvrezenden moet dit een rem zijn geweest op sympathiseren met de joden. Verder concludeerde Adrian Goldsworthy uit studie van de militaire strategie van de Romeinen dat zij volken of steden die eenmaal in opstand waren gekomen, bikkelhard aanpakten. Wanneer men zich onderwierp, was er echter prima zaken te doen.
[36]
Ook dit kan de verhouding tussen joden en niet-joden belast hebben.

(3) Continuïteit en conflict tussen jodendom en christendom. Vergelijking van kerkvadergeschriften met de rabbijnse literatuur wijst een verrassend gebruik van joodse tradities uit. Zo maakt Irenaeus (ca. 170) een toespeling op ‘Jafet in de woning van Sem’ (Gen. 9:27) die sterk lijkt op een rabbijnse midrasj.
[37]
Ook zegt hij dat Comelius als godvrezende (Hand. 10) reeds dé God der joden kende en dat Petrus hem alleen over Jezus informeerde. Anderzijds bestrijdt Irenaeus de,bewering van de ‘ketters’ dat de God van de apostelen geen andere was dan die van de joden.
[38]
De kerkvader grenst de apostelen dus af van de joden, terwijl hij zelf blijk geeft van inhoudelijke continuïteit met joodse tradities. Vergelijkbare dingen concludeert William Horbury in zijn eerder genoemde colloquiumbijdrage over Pseudo-Bamabas en Justinus (begin en eind tweede eeuw).
[39]
Hij herpubliceerde deze studie in een bundel met een titel die de ambivalente verhoudig goed weergeeft: Jews and Christians in Contact and Controversy,
[40]
Archeologische gegevens bevestigen de indruk van rivaliteit tussen joden en christenen in Klein-Azië in de derde eeuw.
[41]

(4) Joodse maatregelen tegen christenen. Zowel patristische als rabbijnse bronnen getuigen van harde joodse acties tegen christenen in de tweede eeuw. Het Martelaarschap van Polycarpus vertelt hoe joden in Smyma bij droegen aan de brandstapel van de bisschop en de bevolking opzetten tegen de christenen, terwijl de dienstdoende centurio de sociale rivaliteit hierachter onderkende.
[42]
Justinus bericht dat de leider van de joodse opstand van 132135, Sjimon bar Kochba, christenen die hun Gezalfde niet wilden afzweren, wreed liet straffen.
[43]
Volgens rabbijnse literatuur werd Bar Kochba juist zelf als Gezalfde gezien door leidende rabbijnen.
[44]
Uit papyrusbrieven van Bar Kochba en zijn entourage blijkt verder dat zij rituele regels volgden die min of meer overeenkomen met de rabbijnse Misjna.
[45]
Combinatie van deze gegevens suggereert dat joodse christenen onder Bar Kochba konden kiezen tussen de dood door trouw aan Jezus – of leven dank zij hun steun aan de ‘rabbijnse Messias’. Volgens vele onderzoekers moet deze episode de scheiding tussen joden en christenen sterk hebben bevorderd.In deze periode valt ook een aantal bepalingen in vroeg-rabbijnse bronnen tegen heilige boeken en vleesgerechten van de minim, ‘ketters’, waarmee in deze tijd vooral joodse christenen moeten zijn bedoeld. Volgens het eerder genoemde artikel van Philip Alexander komen deze regels neer op ‘imposing a ban on Jewish Christians’.
[46]
De veelbesproken rabbijnse overlevering over de herformulering van de ‘zegenspreuk tegen de ketters’ (birkat ha-minim) onder Rabban Gamliël (begin tweede eeuw) past in dit beeld. Dit wordt in verband gezien met berichten bij kerkvaders en in het Johannesevangelie (waarover straks) dat joodse leiders vanaf begin tweede eeuw de christenen lieten vervloeken of buiten de gemeenschap plaatsten.
[47]
Interessant in dit licht is Gedalyahu Alons conclusie uit rabbijnse en andere bronnen dat Gamliël, die rond het jaar 100 de leiding kreeg van de nieuwbakken rabbijnse beweging, daarbij de steun verwierf van het Romeinse bestuur. Wanneer Alon gelijk heeft,
[48]
moet de tegen de christenen gerichte revisie van de birkat ha-minim een politieke strekking hebben gehad in relatie tot de Romeinen.

(5) Polarisatie tegenover joden in de evangeliën. Wanneer wij uitgaan van de consensus dat Matteüs gebaseerd is op Marcus, valt in eerstgenoemd evangelie een sterke verschuiving op in de houding jegens de joodse leiders: een complete strafrede tegen ‘schriftgeleerden en Farizeeën’ is ingevoegd in het relaas van Marcus.
[49]
Hier blijkt het contrast met Lucas, die eveneens van Marcus uitgaat maar hier getrouw zijn voorbeeld volgt.
[50]
Matteüs valt dus op door polarisatie ten opzichte van de Farizeeën, soms zelfs ten opzichte van de joden in het algemeen.
[51]
Gewoonlijk brengt men dit in verband met de ontstaanstijd van de eindtekst van het evangelie eind eerste eeuw. Anderzijds valt Matteüs op door het gebruik van joodse en aan de rabbijnse literatuur verwante uitdrukkingen. Naast polarisatie ook hier dus continuïteit.

Een sterkere polarisatie is waar te nemen in Johannes. Over de hele linie manifesteert zich hier een conflict tussen Jezus en zijn entourage en ‘de joden’, een term die soms duidelijk het meer specifieke ‘(overpriesters en) Farizeeën’ vervangt.
[52]
Johannes de Doper en Jezus worden onderscheiden van ‘de joden’.
[53]
Opvallend is het driemaal vermelde ‘besluit’ van de Farizeeën/ joden om aanhangers van Jezus ‘uit de gemeenschap’ te stoten; er wordt zelfs gesproken van dodelijke slachtoffers.
[54]
Het gewelddadige conflict tussen christenen en joden dat hier naar voren komt wordt meestal gesitueerd in Klein-Azië rond het jaar 100.

Het feit dat een polariserende tendens in Marcus nauwelijks en in Lucas helemaal niet waarneembaar is,
[55]
moet wijzen op temporele verschuivingen en/of locale verschillen binnen het vroege christendom. Anderzijds gaat de polarisering verder in geschriften als van Melito van Sardis (eind tweede eeuw).

(6) Paulus en het voorspel van de oorlog. Tegen het idee dat Paulus de gangmaker was van de breuk met het jodendom is in het spoor van E.P. Sanders, Paul and Palestinian Judaism, een ware exegetische beweging opgekomen. Reeds hier pakte James Dunn het voortouw en bedacht een klinkende naam: ‘The New Perspective on Paul.’
[56]
[57]
In feite gaat het om een nieuw zicht op Paulus’ relatie tot het jodendom, van waaruit zijn brieven moeten worden herlezen. Een consensus is nog niet in zicht. Zonder in de discussie te treden, kunnen wij opmerken dat polemiek met het jodendom ontbreekt in 1 Korintiërs, dat andere brieven juist felle uitvallen bevatten tegen bepaalde joodse of joods-christelijke standpunten en dat de Romeinenbrief joodse christenen in bescherming neemt tegen heiden-christelijke onwil.
[58]

Van belang is dat alle brieven van Paulus geschreven lijken in de jaren 50 en 60 AD. Volgens Josephus, hierin gevolgd door een reeks moderne historici, was dit al sinds de dood van Herodes Agrippa in 44 een tijd van groeiende sociale onrust en geweld.
[59]
Behalve de intem-joodse tegenstellingen groeide ook de vreemdelingenhaat.
[60]
Deze ontwikkeling lijkt weerspiegeld te worden in het relaas van Handelingen. Na aanvankelijk harmonische verhoudingen tussen joden- en heidenchristenen ontstaat er in Antiochië een conflict over de joodse wet (Hand. 15:1). Nog later wordt in Jeruzalem een grote groep joods-christelijke ‘ijveraars voor de wet’ gesignaleerd (21:20).

6. Voorlopige conclusie

Drie joodse oorlogen tegen Rome in de periode van 50 tot 150 AD passeerden de revue. Aan de eerste oorlog ging een periode vooraf waarin interne en externe sociale tegenstellingen radicaliseerden. Sinds de eerste oorlog markeerden de Romeinen al wat joods is door een speciale belasting en bestreden verdere joodse opstanden met gigantisch geweld. Voor heidenchristenen en andere sympathisanten met het jodendom werd het onaantrekkelijk om zich te associëren met joden. In deze tijd gingen evangelieschrijvers en kerkvaders zich afzetten tegen het jodendom, terwijl ze tegelijkertijd inhoudelijke continuïteit lieten zien. Anderzijds waren de rabbijnen zich scherp gaan afgrenzen van de ‘ketterse’ christenen. We nemen een toenemende ideologisering waar, waarin meningsverschillen tot absolute tegenstellingen worden.

De laatste oorlog lijkt de tegenstelling tussen rabbijnen en kerkvaders definitief te hebben verhard. Joodse christenen raakten tussen wal en schip.

De voorlopige indruk is dat onze hypothese inderdaad in staat is, de verschillende tegenstrijdige fenomenen in een chronologische samenhang begrijpelijk te maken. Paulus schreef in de aanloop van dit langdurige proces, toen allerlei verbindingen tussen beide gemeenschappen nog open waren. De evangeliën van Matteiis en Johannes, na de eerste oorlog, getuigen van een voortgeschreden verharding van de tegenstellingen. De andere constellatie in Lucas kan samenhangen met regionale verschillen. Rabbijnse en patristische overleveringen uit de tijd van de Bar Kochba-oorlog en de jaren daarna laten een radikale sociale breuk zien. Tegelijkertijd nemen wij inhoudelijke continuïteit waar. Gaandeweg worden nu uitgesproken anti-joodse theolo- gieën zichtbaar.

Het proces is niet irreversibel; daaraan herinnert Kees Schuyts model. Door verdere sociale veranderingen zou de kloof tussen christenen en joden ook weer moeten kunnen afhemen. Juist dat kunnen we waarnemen sinds de ingrijpende gebeurtenissen van de Tweede Wereldoorlog. Al ging het om minderheden, christenen en joden bleken in staat hun theologische verschillen tot menselijke proporties terug te brengen. Gesymboliseerd kunnen we dit zien in de pausbezoeken aan de synagoge van Rome en aan de staat Israël.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken