De eerste en de achtste dag
Bij Genesis 8,6-16, 1 Petrus 1,3-9 en Johannes 20,19-31
We lezen uit de eerste Petrusbrief vandaag. In de epistellezing, maar ook in de vanouds bekende introïtus van deze zondag: Quasi modo geniti infantes (1 Petrus 2,2): ‘Als pasgeboren kindertjes… zo moeten jullie verlangen naar de melk, naar zuiver voedsel voor uw geest om als bevrijde mensen op te groeien.’ Het evangelie spreekt daarover.
In de paradijstuin staat het graf wijd open. De nieuwe Heer van de tuin openbaart zich aan Maria (Joh. 20,11-18). Onmiddellijk na het verhaal van deze ontmoeting volgt het evangelie van vandaag. Het begint bij het angstige gezelschap in de bovenzaal. De boodschap van de bevrijding is tot hen nog niet doorgedrongen. Voor hen was het graf nog dicht en de God die de graven openbreekt en de doden opwekt, ver weg.
Angst voor de ioudaioi
De paaspelgrims hebben de heilige stad verlaten zonder het goede bericht te hebben gehoord. Op eigen kracht kunnen de elf de slag niet te boven komen. Hun hoop is vervlogen, hun beenderen zijn verdord. Uit angst voor de buitenwereld waren de deuren gesloten. In de tekst staat kortweg: ‘angst voor de ioudaioi’ (20,19), wat te gemakkelijk vertaald wordt met ‘joden’. Beter is: ‘de joodse leiders’ of neutraler: ‘de Judeeërs’. Het groepje daar bijeen bestaat immers ook (uitsluitend) uit joden. In het evangelie van Johannes worden later ontstane tegenstellingen tussen joden die Jezus aanvaardden en de joden die dat niet doen, zwaar aangezet. De eindredacteur zal daar wel de hoofdschuldige van zijn, zonder ook maar in de verste verte te hebben kunnen vermoeden hoe men later zijn teksten zou kunnen misbruiken.
Zendingsopdracht
Jezus is gekomen om Israël te herstellen. Als kernkabinet had Hij de twaalf aangewezen (nu tot elf gereduceerd). Door te vertellen over de gesloten deuren benadrukt het evangelie dat een ingreep van Godswege nodig is, van buitenaf. En die komt. Een Messias is niet te blokkeren. Hij komt om zijn vrienden op te richten. Vandaar zijn eerste woord: ‘sjalom!’ Niet zomaar ‘goedenavond’, maar een aankondiging van de vrede die blijven zal. Even hoopvol klinkt dit als de belofte van een nieuw toekomst die in de Genesislezing van vandaag (Gen. 8,6 vv.) wordt aangekondigd. Eerder terug in Genesis (2,7) werd de adem van het leven in Adams neus geblazen; deze elf mensen zijn deelgenoten aan het leven van de Adam van de messiaanse tijd. De Geest wordt over hun verdorde beenderen (Ez. 37,9) geblazen, ze komen tot leven. Ze komen tot leven door een zendingsopdracht: ‘Zoals de Vader Mij gezonden heeft, zo zend Ik jullie’ (Joh. 20,21). De zendingsopdracht doet leven. Ze zullen als sjaliach (gezondene, in het Grieks: apostolos) eropuit worden gestuurd.
Tomas tweelingbroer
Dit alles speelt zich af op de avond van de eerste dag der week. Pasen en Pinksteren vallen bij Johannes op één dag. ‘Na acht dagen’ (Joh. 20,26) wil meer zeggen dan ‘een weekje later’. De voltooiing van onze diepste dromen kan aan de orde komen op de achtste dag. De zevende dag gesublimeerd! De belangrijke man die op die achtste dag een hoofdrol lijkt te gaan spelen is Tomas, de zogeheten tweelingbroer (Gr.: didumos), één van de twaalf. Hij staat bekend als ongelovig en dom, maar er is nog wel meer aan de hand. Wie representeert hij? De mens in zijn gespletenheid? De mensen van later die niet het eerste paasbericht gehoord hadden? De mensen van Israël, het officiële jodendom, die ten slotte zullen aanvaarden dat Jezus, de geexecuteerde Messias, de koning zal zijn van de nieuwe wereld? Tomas wil zijn wonden zien, zijn solidariteit als het ware keuren. En hij wil ook zijn handen leggen in zijn zijde. In het oude missaal was de eerste lezing op deze zondag genomen uit de eerste brief van Johannes (5,4-12). Een wonderbaarlijk stuk over ‘geest, water en bloed’, dat in zijn beeldspraak herinnert aan het evangelie van Jezus’ sterven wanneer een soldaat zijn zijde opent en ‘terstond kwam er bloed en water uit’ (Joh. 19,34).
De nieuwe Adam
Tomas wil zijn hand leggen in die zijde die geopend was. De doorstokene (waarover Zacharia 12,10 spreekt), de nieuwe Adam zal hij aanschouwen. Uit Adams zijde werd de vrouw genomen. Uit Jezus’ zijde kwamen water en bloed, tekenen waarmee de gemeenschap rond hem bijeengehouden zal worden. Deze Adam ging door de diepste slaap heen en mag daarom genoemd worden ‘mijn Heer en mijn God’. Het zijn betitelingen waarmee de God van Abraham, Isaak en Jakob aangesproken werd. Dat Johannes die voor Jezus gebruikt is geen tegenstelling. Jezus én de God van Israël zijn één. Een echt nieuwe toekomst komt pas in zicht als alleen dienst aan die Enige wordt gedaan. De Messias (het hele volk, één persoon?) zal degene zijn die de dienst volbrengt.
De gemeenschap rond Johannes vertelt ons dat Jezus van Nazaret die Messias is. In Hem is de trouw aan de wet van Mozes en de mildheid van God verschenen. Aan de zijde van deze nieuwe Adam wordt de gemeenschap gevormd van mensen die de keizer hebben afgezworen en willen leven uit de kracht van de Geest die Hem bezielde. De Messias vindt een wakkere bruidsgemeente aan zijn zijde: dagelijks bezochten ze trouw en eensgezind (!) de tempel, braken het brood in een of ander huis, genoten samen hun voedsel in de blijdschap en eenvoud van hart, loofden God en stonden bij het hele volk in de gunst. Dat alles mede dankzij de gelovige Tomas.
Genesis 8:6-16, 1 Petrus 1:3-9, Johannes 20:19-31, Johannes 20:24-31