Menu

None

De gebiedende wijs

Welke rol speelt het gebod in de kerk, in de prediking? Hoewel er alom om morele autoriteit wordt gevraagd, heerst in de kerk nog vaak een gebodmijdende cultuur. De angst voor moralisme zit er in de kerk begrijpelijkerwijs goed in. Kun je de Tien Geboden bij voorbeeld nog wel voorlezen in de kerk? Maar de bijbel staat vol met teksten in de gebiedende wijs. Is die dimensie nog terug te vinden in (roosters voor) de prediking? Bestaat er zoiets als kerkelijke morele opvoeding?
Prof. dr. Gerrit de Kruijf sprak daarover tijdens een gezamenlijke studiedag van de Confessionele Vereniging en Areopagus, 4 november 2010 in Amersfoort. Hieronder de basistekst van zijn lezing.

Het begint al met de liturgie. De lezing van de Tien Geboden is langzaam verdwenen uit veel protestantse erediensten. Eertijds vierde zij hoogtij meteen na de eerste psalm. De aanvulling met het liefdesgebod werd vaak al gekozen om het ongemak van de geboden wat te compenseren. Als regel der dankbaarheid heeft ze het lang volgehouden in samenhang met verootmoediging en lofprijzing. Vervolgens werd ze vaak afgewisseld met en steeds meer vervangen door andere gebodslezingen uit profeten en brieven. Maar inmiddels heeft ze toch veelal het veld moeten ruimen voor kyrie en gloria. Met de Tien Geboden zijn we wel verlegen, met sommige formuleringen zoals over het kwaad dat bezocht wordt aan de kinderen, maar ook met de uitstraling ervan, die gebiedende wijs. We vinden die ouderwets, en ook onbarmhartig, bijna immoreel, ‘pastoraal misdadig’, zoals de Werkgroep Eredienst te kennen gaf. (‘laten boeten’, of ‘rekenschap vragen’, hoe dan ook: het gaat om de doorwerking van dingen in de generaties, zoals Jurrien Mol terecht opmerkte, en dat wij daar als hyperindividualisten geen besef mee van hebben.)

Onlangs suggereerde Arjan Plaisier om op 10-10-10 de tien geboden in de kerk te lezen, hij ondersteunde zijn suggestie met Appie Baantjer die gezegd had dat een diender eigenlijk niet veel meer hoeft te weten dan de tien geboden. Ik heb gehoor gegeven aan de oproep, inclusief de Baantjer-quote en dat viel wel goed, ineens toch vertrouwd, maar natuurlijk wel als bijzonderheid. De dag erna mocht ik een vergadering openen in de context van een scholengemeenschap. Je zoekt dan meestal naar een passend gedicht, of een krantenbericht dat te denken geeft. Maar die avond las ik incl. toelichting gewoon de tien geboden. De aankondiging gaf hilariteit. Dat ga je toch niet echt doen? Voor sommigen was het heel lang geleden dat ze het gehoord hadden. Aan de andere kant: in het onderwijs bleek zo nu en dan wel 1 van de geboden een rol te spelen.
Het komt allemaal doordat we in de kerk vuurbang zijn voor moralisme. Het imago van moralisme kleeft aan de kerk van oude tijden af, en wij willen er nu echt van af. Zoals de toorn uit ons beeld van God verdween, en wij alleen van God als liefde willen spreken, zo moet ook de dreiging van de wet worden uitgebannen en beperken we ons tot het liefdesgebod, alsof dat eigenlijk geen kwaad kan.
De Groningse NT-icus Van Kooten heeft ook uit de doeken gedaan hoe het in de leesroosters toegaat: meestal verhalen, weinig brieven. En ‘Vertel het maar’ voor de kindernevendienst, richt zich ook graag op verhalen.
En zelf durf ik het woord gebod ook niet aan en kom ik met ‘adviezen’.
Heel begrijpelijk allemaal, maar raken we op die manier niet gaandeweg verder van huis? De bijbel is vol gebiedende wijs! En het moet toch helpen dat we steeds kunnen laten zien dat de imperatief rust in de indicatief.
Bovendien leven we in een cultuur die op zichzelf veel behoefte aan duidelijkheid heeft. Niet speciaal van de kerk, maar wel in het algemeen. Stromingen die een sterke regelgebondenheid kennen, zoals de Navigators, oefenen aantrekkingskracht. En onderzoek onder Nederlanders die moslim worden, wijst uit dat ze dat vooral doen vanwege het duidelijke levenspatroon.
Kortom: hierover moeten we het eens hebben.

1. Er is een continue slingerbeweging tussen moralisme en antinomianisme. Met de bijbel hangen we altijd op de verticale lijn: we zoeken wat God behaagt.

Met moralisme bedoelen we: het voorschrijven van regels zonder verder discussie toe te laten over waarom die regels goed zijn. Het staat geschreven, het zijn goddelijke geboden, we zijn het zo per traditie gewend, en daar heb je je gewoon aan te conformeren. Nadenken helpt niet. Soms komen mensen er tegen in opstand maar soms geeft het ook een veilig gevoel. Waarom? Daarom! Daartegenover staat het antinomianisme: het gaat om de liefde, die laat zich niet in regels opsluiten, wie ‘in Christus’ is, volgt vanzelf het goede spoor, het is een kwestie van aanvoelen, intuïtie. Erover praten, discussieren helpt niet en is ook niet nodig, misschien zelfs een blamage van de Heilige Geest. Evengoed kan strenge regelgeving dat zijn. Gelovig leven is een leven in vrijheid.
Als gelovige kun je zowel moralist zijn als antinomiaan. Er is voor beide iets te zeggen. En de beide posities roepen elkaar op, gaan soms in elkaar over, ook van de ene generatie naar de andere. Ze miskennen echter beide, dat Gods wil gezocht kan/moet worden, dat morele kennis te maken heeft met het heen en weer tussen God en ons, tussen Schrift en context; dat we ook aan eigen verantwoordelijkheid hebben voor het aangezicht van God.

Miskotte heeft daar een prachtige passage over in zijn meditatiereeks over Romeinen 12. ‘Liturgie des levens’. Het gaat over die zinswending: opdat ge moogt beproeven, erkennen, ontdekken (NBV) wat de wil van God is, dat je die dus moet zoeken.

‘O wee, wat is dat? Een duizeling bevangt ons: dat is dus nergens te lezen, daarin kan men geen heilige van de oude dag tot voorbeeld nemen? Wat overkomt ons? De bodem verzinkt onder onze voeten! De vrijheid, die hier wordt uitgeroepen, is een vrijheid om te proberen, uit te vinden, wat de wil van God is. Wel heb ik van mijn leven! Zijn we daarvoor christen geworden, om op zoek te gaan naar het allersimpelste, het vanzelfsprekende! Alsof we tevoren niet wisten wat goed is, overal en altijd, en voor iedereen in elke situatie.’

Het begint met een keuze op dit punt: staat het gebod eigenlijk vast of valt er iets te zoeken? En als er iets te zoeken valt, ondermijnt dat dan al niet de gebiedende wijs? Coram deo zelf antwoord geven, maar steeds in gesprek in de gemeente, niet hyperindividueel.

2. We moeten wel durven concretiseren. We moeten niet blijven hangen in de complicering die de ethiek eigen is. Er moet gekozen worden, er moet iets directiefs gezegd worden. De indicatief zoekt altijd ook de imperatief.

Als we eenmaal zoekers geworden zijn, blijven de dingen ook vaak onzeker en onbeslist. Iedereen moet het dan zelf maar uitzoeken. In de ‘wetenschap’ van de ethiek gebeurt dat ook gemakkelijk. Wetenschap is compliceren en als gevolg daarvan blijven de dingen eindeloos open. Maar een christelijke ethiek ontkomt niet aan concretisering. Je moet imperatieven proberen, aandurven, ‘tot nader order’. Vgl. mijn ‘acht adviezen’ in Ethiek onderweg.

3. De gebiedende wijs voltrekt zich echter juist weer vertellenderwijs.

Cicero schreef aan het eind van zijn leven een ethiek, De officiis, gericht aan zijn zoon. Vier eeuwen later schrijft Ambrosius, goed geschoold in die ethiek, zijn ethiek, gericht aan zijn ‘geestelijke zonen’. Hij blijft zo dicht mogelijk bij Cicero in de buurt, tot in veel formuleringen toe. Maar dan is er telkens een moment dat hij moet afwijken, omdat zijn geloof hem iets anders leert. Heel spannend! Er zit ook in de structuur iets waar Ambrosius moet afwijken.
Waar Cicero betoogt, geeft Ambrosius voorbeelden. Dat komt doordat hij niet geinteresseerd is in het vinden van de goede regel op zichzelf maar in de gehoorzaamheid zoals die zich feitelijk voordoet. Hij vertelt hoe God mensen tot goede dingen bewogen heeft. Geen deugden maar Geestesgaven. Het gaat in gelovig leven niet om het geheimenis van de goede regel maar om het goede gedrag. Ambrosius neemt niet de menselijke natuur als uitgangspunt (hoe zitten we in elkaar?), maar de eerbied voor God. De genade gaat voorop, dat wil zeggen: de aanraking door Gods Geest. Dat leidt tot een opmerkelijk verschil in de betoogtrant. Voor Cicero gaat het om de kunst om wijsheid te verwerven en soms geeft hij er illustraties bij. Maar voor Ambrosius zijn de exempla belangrijker dan de rationele redenering, omdat die laten zien hoe God feitelijk mensen bewoog tot goede dingen. De laatste alinea van Ambrosius’ boek luidt als volgt:

‘Deze dingen leg ik bij jullie neer, mijn kinderen, in de hoop dat jullie die zullen bewaren in jullie hart. Het zal in jullie eigen leven blijken of zij nut hebben. Ze bieden jullie in elk geval een grote hoeveelheid voorbeelden, want bijna alle voorbeelden van onze voorouders en ook vele van hun woorden, zijn in dit boek opgenomen, zodat ook al is de taal misschien niet elegant, toch die reeks van voorbeelden in kort bestek voor jullie instructief kan zijn.’

In feite zit deze lijn ook in Barths ethiek, KD III,4 (18v.): de verticaal van het antwoord aan God doorsnijdt de horizontaal van de eerder gegeven antwoorden. De geschiedenis van de menselijke antwoorden aan God is instructief en bereidt ons voor op ons eigen antwoord.

Voorbeelden dus.

4. De persoon van de prediker als voorbeeld.

Dat brengt ons bij de voorganger. Verkeren wij in de positie van Ambrosius, die zijn gemeente voorbeelden geeft en ook zelf het goede voorbeeld geeft? Ambrosius gaf bij zijn overgang van gouverneur naar bisschop eerst een belangrijk deel van zijn bezit aan de armen. Dit is een gevaarlijk terrein, op twee manieren: wie zijn wij dan wel – zijn wij het (goede voorbeeld) wel?

Paulus: volg mij na ( 1Kor. 4:16; 1 Kor. 11:1; ; Fil. 3: 17).

Dingemans verwoordt vermoedelijk wat de meesten van ons denken: ‘Tegenwoordig is het in de mode om dikwijls te zeggen in de preek: ik denk dat, ik vind. In het piëtisme met zijn getuigende preken is er sprake van een soort exemplarisch of voorbeeldig ‘ik’: wees zoals ik ben… Dat is heel gevaarlijk, want dan maakt de predikant zichzelf tot voorbeeldig gelovige! Er is ook een autoritair ik: ik zeg u… Dat is irritant en hoogmoedig, alsof de predikant het beter weet dan de gemeenteleden.’ (Dingemans, Als hoorder onder de hoorders, 219)

Maar daar staat Augustinus dan toch tegenover, hoor het slot van De doctrina christiana (151).

En hier is Bohren: ‘Konkrete Predigt des Gebotes wird nur insofern gewonnen werden und moglich sein, als es zur Vorbildlichkeit des Predigers komt.’ (Predigtlehre, 399)

5. Het gebod is Weisung (Buber): oriëntatie, richting, hulp, die ruimte laat voor beraad en voor het maken van eigen keuzes, die vaak ook verschillend kunnen uitvallen – tegenover het gesloten gebod dat geen discussie toelaat.

Dit is samenvatting en conclusie: de gebiedende wijs moet toch iets hebben van de adviserende toon. Het was toch een bijzonder moment dat Buber/Rosenzweig met Weisung kwam en Miskotte met leer als onderwijzing. Het doorbrak de klem van de gebiedende wijs als geheven vinger en behoedde voor de vrijblijvendheid door de vingerwijzing. Intussen zijn wij wel erg in de vrijblijvendheid, het niet-verplichtende beland, het ongedisciplineerde. Ik merkte dat nog weer in discussies met James Kennedy over de contrastgemeente, de onmiddellijke afweer. Daartegenover denkt hij dat het met mijn adviezen niet tot konkrete levensvormen en keuzes zal komen. Daarover valt misschien verder te praten.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken