De Heer wordt zichtbaar in de zijnen
Bij Joël 2,21-27, Openbaring 21,10-14.22-23 en Johannes 14,23-29 (31)
De evangelielezing van vandaag bestaat uit Jezus’ antwoord op een vraag van ‘Judas, niet Iskariot’ (Johannes 14,22). Deze Judas is de zoon van Jakobus, die later een brief zou schrijven die in het Nieuwe Testament werd opgenomen. Hij draagt – evenals zijn beruchte naamgenoot – de naam van de stam Juda.
P.A. Elderenbosch merkt hierover op: ‘Zoals de andere Judas de stam Juda (het jodendom?) uitbeeldt voorzover het zijn Messias verwierp, zo is deze Judas het beeld van het gelovende deel van het joodse volk.’[1] Judas komt met de typisch joodse vraag naar de uitverkiezing. Waarom laat Hij de twaalf wel zien wie Hij is, maar de andere mensen niet? De Messias zou toch immers voor allen zichtbaar verschijnen als rechter van de volkeren? Het Griekse woord emfanizein (= openbaren – 14,21-22) rijmt op epifanizein. De woorden verschillen iets van elkaar in betekenis. Epifanie is afgeleid van ‘erbij verschijnen’. Hier is een ‘emfanie’ bedoeld, een verschijning ‘binnenin’. De Heer wordt zichtbaar in de zijnen. In die kring zal een wonderlijke inwoning plaatsvinden van de Messias én de Vader én de Geest (14,23).
Gods vrede aanvaarden of niet
De scheidslijn tussen het wel of niet aanvaarden van de Heer ligt in het hart van de mens zelf. De laatste dingen zijn gezegd, en nu kan het geheim van de inwoning worden verbreed. De serie gesprekken met de afzonderlijke leerlingen wordt in 14,25 afgesloten met een woord tot de gehele kring. De Heer is nog bij de zijnen en spreekt, net als Mozes aan de Jordaan, in een grenssituatie. Het passeren van de grens zal moeilijk zijn. Daarom bindt Jezus de zijnen nog eens opnieuw hun verantwoordelijkheid op het hart: ‘Mijn vrede geef Ik u’ (14,27). Zijn sjalom is geen gemakkelijke vrede zoals de wereld die geeft, die alleen maar ‘rust’ betekent. De echte vrede, Gods nieuwe heerschappij, houdt een ‘totaalpakket’ in, een situatie van welzijn en recht voor allen. Dat alles legt Jezus in de handen van zijn leerlingen, terwijl de dreiging acuut is: de vorst van deze wereld is nabij. Met die vorst (Gr.: archoon = letterlijk: ‘heerser’ – 14,30) is geen afschrikwekkende duivelsfiguur bedoeld, maar de keizer, vertegenwoordigd door Pilatus. Die zal niet instemmen met die sjalom, en hij zal als een nieuwe farao optrekken tegen het volk van de Messias. Maar Jezus behoort niet tot zijn machtsgebied en de volgelingen van de Messias evenmin. ‘Op Mij heeft hij geen recht’ (14,30b).
Vastberaden zegt Jezus daarom: ‘Laat ons opstaan en vertrekken, opdat de mensen (Gr.: kosmos = wereld) zullen inzien dat Ik de Vader liefheb en doe zoals Hij Mij heeft opgedragen’ (14,31). De Messias zal zijn weg van trouw aan de Tora tot het einde toe gaan, een weg ten leven voor de Heer en zijn gemeente. Gods Koninkrijk zal de aardse machtsstructuren overwinnen. De Vader is groter, ook groter dan de Zoon, die als een trouwe dienaar zijn weg zal gaan. Vandaar de belofte van de terugkeer bij de zijnen (14,28). De Vader zal die trouw belonen en velen zullen omwille van Jezus’ trouw de weg naar Gods nieuwe toekomst gaan.
De prestaties van de leerlingen
Wat hebben zijn volgelingen gepresteerd? Er ontstond een bonte staalkaart van kerkelijke groeperingen, met mensen die elkaar soms op leven en dood bevochten. Handelingen 15 spreekt al over de strubbelingen van de oud-christelijke gemeente. De gemeente, trouw aan haar roeping, in Israël geworteld, zou een open gemeente mogen zijn voor alle mensen die in Gods liefdesverbond zijn opgenomen. De Heer had zo’n belangrijke erfenis beter niet aan zulke gebrekkige nakomelingen kunnen nalaten. Toch is het geen vergissing. Met nadruk herhaalt Jezus dat Hij aan déze leerlingen het behartigen van zijn vrede toevertrouwt. Jezus heeft gelukkig veel vertrouwen in onze daden. Hij heeft immers gezegd: ‘Jullie zullen dezelfde dingen doen als Ik, ja grotere dingen dan Ik zullen jullie doen’ (Johannes 14,12). De Heer vertrouwt ons mensen.
De stad van vrede staat nog uit
‘Ik (Johannes) zag de heilige stad, een nieuw Jeruzalem, uit de hemel neerdalen, van God, getooid als een bruid, die voor haar man versierd is. (…) Daar zal geen smart meer zijn en geen pijn, alles zal anders zijn en nieuw.’ Zo begint Openbaring 21; vandaag lezen we verder: ‘De stad was omringd door twaalf poorten’ (21,12vv.).
Vgl. over de Apocalyps: H. Rencken, De Bijbel mee maken, Kampen 1988, 148 vv.
Een droom van vrede en toekomst. Boven in de koepel van de Haarlemse Sint Bavo-kathedraal herinneren twaalf deuren aan de twaalf poorten van de vredesstad zoals Johannes die noemt, met daarop de namen van de twaalf stammen van Israël. Namen die wij niet kunnen missen: Simeon, Juda, Levi, tot en met Benjamin, namen die eigenlijk ook in de litanie van alle heiligen zouden moeten klinken. Zij vertegenwoordigen immers de twaalf stammen van het meest gehavende en gekwetste volk op aarde.Het Haarlemse Jeruzalemproject is onvoltooid, en misschien is dat ook wel goed: we moeten eerst beneden nog veel doen en werken aan vrede op aarde voordat we kunnen gaan dromen over de uiteindelijke vrede en het nieuwe Jeruzalem. We zullen aan het werk moeten om de komst daarvan voor te bereiden. Maar het boek van de Openbaring van Johannes dat in de oud-christelijke gemeente – net als nu – in de Paastijd werd gelezen, laat ons Christus zien als degene die door de wereld gaat, de duistere machten overwint, zijn verbond en zijn gemeente bewaart. Daarom: ‘Kinderen van Sion, verheugt jullie en weest blijde in de Heer jullie God’ (Joël 2,23).