De hemel: een gebied van gelukzaligheid
De geschiedenis van hemel en hel – daarover handelt het nieuwe boek van Daniël De Waele. En dat neemt hij niet met een korreltje zout. In ruim duizend bladzijden neemt De Waele de lezer mee op sleeptouw langs mummies, dodenrijken en bijna-doodervaringen. Lees hieronder een fragment uit het boek.
Plato had al verzucht over het kwaad dat het onvermijdelijk verbonden was met deze wereld: “Daarom moeten we proberen zo snel mogelijk van hier naar ginds te vluchten.” Menig christen zag eveneens uit naar de verlossing van dit aardse lijden om op te stijgen tot de hemel. De kerkvader Hiëronymus getuigt dat de vrome Paula een psalm placht aan te halen: “Wie zal mij vleugels geven als een duif zodat ik kan wegvliegen en tot rust komen?” Toen blies zij eindelijk haar laatste adem uit. “Haar ziel, die popelde om eruit te breken, maakte van het gereutel waarmee het leven van stervelingen eindigt, een lofzang voor de Heer.”1 Een grafschrift uit het Rome van de 4e, 5e eeuw getuigt ook van de opname in de hemel. De dode spreekt haar ouders toe:
Geen droeve tranen nu,
en sla je niet op de borst,
lieve vader en moeder, want ik
bereik het hemels koninkrijk.
Niet de droeve onderwereld, geen
bleke schim des doods bezit mij,
maar veilige rust, en ik
zing en dans te midden van
gelukkige zielen:
de prachtige weiden der zaligen
sieren nu Euodia.2
Perpetua’s visioen
In de christelijke verbeelding was de hemel een immens grote tuin met allerlei bomen en bloemen, waar vele duizenden geredden verpoosden. Alles baadde in een intens licht. In het verslag van Perpetua’s martelaarschap (begin 2e eeuw) krijgt Saturus, ook martelaar, een visioen van de hemel:
Nadat we de eerste wereld waren gepasseerd, zagen we een verblindend licht en ik zei tot Perpetua (want zij was aan mijn zijde): “Dit is hetgeen de Heer ons beloofde. Wij hebben de belofte ontvangen.” Terwijl wij door die vier engelen werden gedragen, kwamen wij in een grote open ruimte, die er uitzag als een tuin, met rozebomen en allerlei soorten bloemen. De bomen waren zo hoog als cipressen en hun bladeren vielen zonder ophouden. […] Wij kwamen bij een plaats waarvan de muren zo waren alsof ze uit licht waren gebouwd. Voor de ingang van die plaats stonden vier engelen die ons bij het naar binnen gaan met witte gewaden bekleedden. Wij gingen naar binnen en hoorden stemmen die als uit één mond zonder ophouden zongen: “Heilig, heilig, heilig.” Wij zagen op dezelfde plaats iemand zitten die er uitzag als een oude man, met witte haren en een jeugdig gelaat, wiens voeten wij niet zagen.3
Soms heeft dat licht te maken met de aanwezigheid van Christus. Johannes Chrysostomos, bisschop van Constantinopel rond 400, schrijft over de hemel dat men daar ziet wat niemand ooit gezien heeft: “maar zij die in de hemel zijn zien voortdurend hun koning. Zij zien hem in hun midden en zien daar hoe hij licht werpt op al wie verzameld zijn in de schittering van zijn heerlijkheid.” De Griekse orphici hadden het over een andersoortig licht in de onderwereld, en ook Vergilius had de Hades beschreven: “Hier zijn de velden gehuld in rijkere glans en purperen licht, ze kennen hun eigen zon en hun eigen gesternten.” Op een Romeins grafschrift lezen we: “Onderwereldmachten, ik bid u nu: schenkt mijn vader wouden waarin het purperkleurig eeuwigdurend dag is.” Maar in de christelijke hemel was het licht haast oogverblindend. De ziener Johannes had die hemel al geschouwd: “Het zal er geen nacht meer zijn en het licht van een lamp of het licht van de zon hebben ze niet nodig, want God, de Heer, zal hun licht zijn.”4 De hemel was als een tuin, zoals in de Openbaring van Petrus (2e eeuw n.Chr.), waar het licht ook uitbundig schijnt:
En de Heer liet me een enorm groot gebied zien buiten deze wereld, dat straalde van een bijzonder licht. De lucht lichtte daar op door stralen van de zon en het land zelf bloeide met bloemen die niet verwelken en het was vol geurige kruiden en prachtig bloeiende gewassen die niet verdorren en rijke vrucht dragen. De geur van bloemen was zo sterk dat deze vandaar zelfs tot ons doordrong. De inwoners van die plaats waren gekleed met het schitterende gewaad van engelen en dat stemde overeen met de plaats waar ze vertoefden. Ze waren daar omringd door engelen. Ze hadden allen dezelfde luister en eenstemmig prezen zij luid de Heer God, vol vreugde over waar ze waren. De Heer zei tegen ons: “Dit is de plaats van jullie broeders, de rechtvaardigen.”5
Ook Pseudo-Cyprianus, een onbekende Latijnse auteur die men lang aanzag voor Cyprianus, beschreef in zijn Over de glorie van het martelaarschap het paradijs als een prachtige tuin, vol geurende bloemen en bomen met dik gebladerte, zonder extremen van kou of hitte; vruchtbare aarde gaf in één enkel seizoen overvloed. Mensen waren rustig en vreugdevol, woonden in de beschutting van hun huis. Overal ontsprongen beken en fonteinen.6
De zevende hymne
De kerkleraar Efraïm (of Efrem) de Syriër (ca. 306-373) bezingt eveneens de heerlijkheid van het paradijs, maar heeft daarbij ook aandacht voor de innerlijke gemoedstoestand van hen die daar verblijven. Een kort gedeelte uit de lange zevende hymne.
Niemand zwoegt daar,
Want niemand heeft er honger.
Niemand wordt beschaamd daar,
Want niemand doet verkeerd.
Niemand voelt berouw daar,
Want er is geen oorzaak voor berouw.
Zij die de wedloop lopen
Vinden rust en stilte.
Niemand wordt oud daar,
Want niemand sterft er.
Niemand wordt begraven daar,
Want niemand wordt er geboren.
Zij kennen geen zorgen,
Want zij lijden niet.
Zij kennen geen angst,
Want geen valstrik wacht hun.
Zij hebben geen tegenstander
Want zij slaagden in de strijd.
Zij rekenen zichzelf gezegend, eindeloos,
Want hun oorlog is voorbij.
Zij hebben kun kronen opgenomen,
En vonden rust in hun nieuwe verblijfplaats.7
Paradijs
Beschrijvingen van een bloemrijk paradijs kwamen ook bij heidenen voor, maar christenen werkten dit thema (dat in het Nieuwe Testament niet voorkomt) veel verder uit. Behalve de tuin is ook het ‘hemels Jeruzalem’ een bekende aanduiding voor de hemel. Reeds de ziener Johannes had die stad geschouwd: “Ik raakte in vervoering, en hij nam mij mee naar een heel hoge berg en liet me de heilige stad Jeruzalem zien, die uit de hemel neerdaalde, bij God vandaan.” Ambrosius schreef in een van zijn brieven dat een heilige een bewoner is van de regionen hierboven, van “de eeuwige stad Jeruzalem die in de hemel is. Hij ziet daar de grenzeloze grenzen van de stad, haar pure goud, haar eeuwige licht, dat geen zon kent.”8
Een wat apart verhaal over de hemel treffen we aan in Handelingen van Tomas, een apocrief geschrift uit de 3e eeuw. Dit boek is ontstaan in een kring van niet-orthodoxe christenen en beschrijft dertien handelingen van deze leerling van Christus en zijn marteldood. Er is een traditie die vertelt dat Tomas als zendeling naar India ging, en dat is ook zo in deze ‘Handelingen’. In de 2e handeling ontmoeten we koning Gudaforus die Tomas – hij is schrijnwerker – de opdracht geeft een paleis voor hem te bouwen. Tomas neemt het geld aan dat hij daarvoor krijgt, maar deelt het uit aan de armen. Als dat uitkomt, wordt hij in de gevangenis geworpen en de koning vraagt zich af welke folteringen een gepaste straf zouden zijn. Gad, de broer van de koning, sterft in die dagen. De engelen namen “de ziel van Gad, de broer van de koning, en geleidden die naar de hemel. Ze lieten hem daar de plaatsen en de woningen zien en vroegen hem: ‘Waar wil je wonen?’”9 Gad ziet een prachtig paleis ‘Bij God vandaan’: Openb. 21:10. ‘Licht, dat geen zon kent’: Ambrosius, Ep. 37.waar hij graag zijn intrek wil nemen. Dat kan echter niet want het is eigendom van Gudaforus, zo krijgt hij te horen. Gad verkrijgt dan toestemming terug te keren naar het leven zodat hij zijn broer kan opzoeken en hem kan vertellen wat hij in de hemel gezien heeft. Tomas legt uit dat hij door op aarde geld aan de armen te geven in de hemel een paleis heeft gebouwd. Verwonderd hoort de koning het verhaal aan, bekeert zich, en beiden gaan ze nu samen met Tomas de behoeftigen helpen. Ze waren tot inzicht gekomen dat ze zich zo doende eeuwige goederen verwierven.
Een ander kenmerk van de christelijke hemel was de daar aanwezige talrijke schare. Christus had wel gezegd: “Velen zijn geroepen, maar slechts weinigen uitverkoren,” toch zag Perpetua “vele duizenden mensen in witte gewaden” terwijl de gelukzaligen in het heidense Elysion er soms wat eenzaam rondwandelden, al kwamen zij bij gelegenheid wel samen in feestelijke processies. Christenen kenden – ook op aarde – een veel sterker gemeenschapsgevoel. Johannes had in de hemel niet alleen de hondervierenveertigduizend gezien, maar ook “een onafzienbare menigte, die niemand tellen kon, uit alle landen en volken, van elke stam en taal. In het wit gekleed en met palmtakken in hun hand stonden ze voor de troon en voor het lam.”10 Het is druk in de christelijke hemel.
- ‘Naar ginds te vluchten’: Plato, Tht. 176 AB, Vert. Warren & Molegraaf, Plato: Theaetetus, Amsterdam 1994. ‘Wegvliegen en tot rust komen’: Hiëronymus, Ep. 108:1:4. Ps. 5:7. Vert. Van der Horst, Paula in Palestina: Hiëronymus’ biografie van een rijke Romeinse christin, Zoetermeer 2006, 29. ‘Lofzang voor de Heer’: Hiëronymus, Ep. 108, 18:2 ↩︎
- V. Hunink, Levend in steen, 199. ↩︎
- Mart. Perp. 11:4-6, 12:1-3. Vert. Bremmer, Den Boeft, Martelaren van de oude kerk, 65-66. ↩︎
- ‘Schittering van zijn heerlijkheid’: Johannes Chrysostomos, Inc. Nat. 6:9. ‘Purperkleurig eeuwigdurend dag’: Vergilius, Aen. 6:640. Vert. P. Schrijvers, Vergilius: Aeneis, Groningen 1996. Grafschrift: V. Hunink, Levend in steen, 191. ‘De Heer zal hun licht zijn’: Openb. 22:5. ↩︎
- Openb. Petr. 5:15-20. A.F.J. Klijn, Apocriefe openbaringen, orakels en brieven: Buitenbijbelse aanvullingen op het nieuwe testament, Baarn 2001. ↩︎
- Pseudo-Cyprianus, Laud. Mart. 21. ↩︎
- Efraïm de Syriër, Hymne 7:21-23. Vert. uit: S. Brock, Hymns on Paradise: St Ephrem, Crestwood 1901, 126-127. ↩︎
- ‘Bij God vandaan’: Openb. 21:10. ‘Licht, dat geen zon kent’: Ambrosius, Ep. 37. ↩︎
- Hand. Tom. 22. Vert. A.F.J. Klijn, Apokriefen van het Nieuwe Testament II, Kampen 1990, 79. ↩︎
- ‘Feestelijke processies’: Matt. 22:14. Mart. Perp. 4:8. ‘Voor de troon en voor het lam’: Openb. 7:9. ↩︎

Daniël De Waele was docent Protestantse Godsdienst en docent Nieuwe Testament aan het Hoger Instituut voor Protestantse Godsdienstwetenschappen (HIPGO) te Brussel. Hij publiceerde meerdere boeken met een cultuurhistorische insteek waarin hij zijn brede kennis over religiegeschiedenis deelt. Zijn nieuwste boek Wat er na dit leven komt gaat over het hiernamaals door de eeuwen heen. Op danieldewaele.com schrijft hij regelmatig blogs.
Wil je Wat er na dit leven komt bestellen?
In Wat er na dit leven komt neemt Daniël de Waele lezers mee in een fascinerende cultuurgeschiedenis over hoe ideeën over het hiernamaals zich in de westerse wereld ontwikkelden. Al eeuwenlang zoeken mensen naar een antwoord op de vraag: wat gebeurt er na de dood? Maar tot één overtuiging is het nooit gekomen. Daniël de Waele vertrekt vanuit het oude Egypte en neemt lezers mee langs hemelse vergezichten, schimmige oorden en wonderlijke voorstellingen. Hemel en hel krijgen een heropleving, mede door de verhalen van mensen met een bijna-doodervaring. Wat er na dit leven komt is een boek waarin hoop, angst en verbeelding samenkomen.
