Recensie van Matthijs Schuurman over het boek Inferno
Iedereen heeft misschien wel zijn eigen beeld van de hel. Persoonlijk vind ik de hel zelf veel moeilijker voor te stellen dan de hemel. Als ik de hel zou moeten verbeelden, dan zou ik kiezen voor een druk winkelcentrum waar ik eindeloos op en neer ga op de roltrap. Ik ben dan in een drukte van mensen waar ik niet verbonden mee kan raken, omdat die mensen op dat moment allemaal voor zichzelf leven. Een plek waar ik innerlijk alleen maar onrustig kan worden en onrustig zal blijven. Zo stel ik me de hel voor: als een plek waar ik in het leven hier op aarde al niet graag kom. Als ik over het beeld nadenk, ontbreekt een belangrijk element: God Die Zijn oordeel heeft uitgesproken over mijn leven. Dat ik niet zonder reden voor altijd op die roltrap op en neer zal gaan en ik innerlijk gek wordt van de steeds toenemende onrust.
Verloren gaan
In mijn preken en gesprekken heb ik het nauwelijks over de hel. Niet omdat ik niet in een hel geloof of niet wil dat God een God is die het laatste oordeel over mensen uitspreekt en hen voor altijd naar de hel zal verwijzen, maar omdat de hel een heftigheid heeft om als mens over te denken en over te spreken. De keren dat ik over de hel nadenk of over de hel spreek doe ik dat met het besef dat ik daar zelf ook terecht zou kunnen komen. De hel gaat daarom ook vooral over hoe ik zelf heb geleefd, gedacht en geloofd. Ik zou trouwens eerder over verloren gaan en verloren zijn spreken dan over de hel. Daarmee kan de hel ook iets oningevulds krijgen.
Arnold Huijgen heeft het wel over de hel. Hij heeft er zelfs nu een tweede boek over geschreven: Inferno. De ontdekking van de hel. Zijn eerdere boek was: Waarom de wereld een hel nodig heeft. Het vraagt moed om in theologisch Nederland de hel weer op de kaart te zetten. Een boek over de hel kan ook op scherpe reacties rekenen: van de mensen die vinden dat โweโ de hel toch allang hadden afgeschaft tot mensen die er ook wat van vinden als een schrijven over de hel te voorzichtig wordt gebracht. Het vraagt ook om een geestelijke weerbaarheid om met zoโn intens thema bezig te zijn. Je moet dan toch wel onder ogen zien dat jijzelf en anderen die je kent daar zouden kunnen komen. โEen boek over de hel gaat je niet in de koude kleren zittenโ, zegt Huijgen. (p. 12) Ik kan me daar iets bij voorstellen. Bij het lezen van het boek moeten we dus bedenken dat achter de rustige reflecties diepgaande gedachten en diepgaande emoties schuil kunnen gaan.
Het boek bestaat uit 2 delen en 7 hoofdstukken. In het eerste hoofdstuk geeft Huijgen aan hoe de hel vandaag de dag wordt beleefd. Hij komt de hel tegen in het hedendaagse seculiere spraakgebruik en verbaast zich erover dat kerk en theologie het niet over de hel durven te hebben. Huijgen wil het seculiere denken over de hel betrokken op de kerkelijke traditie over de hel. In het eerste deel houdt Huijgen de theologische tradities over de hel tegen het licht. Hij bespreekt in 3 afzonderlijke hoofdstukken 3 modellen, waarin verschillend over de hel gedacht wordt: een model waarin de hel als eeuwigdurende straf wordt gezien, een model waarin de hel bestaat uit de vernietiging van de ongelovigen en een model waarin de hel tijdelijk is en degenen die in de hel zijn na een tijd van reiniging alsnog naar de hemel kunnen gaan. De modellen worden niet op dezelfde manier besproken: De laatste twee modellen worden kritischer besproken dan het eerste model. Het idee dat de hel bestaat uit de vernietiging heeft volgens Huijgen een optimistische kijk op vernietiging en een oppervlakkig begrip van het niets (p. 168). Maar ook het eerste model van de hel als eeuwigdurende straf is volgens Huijgen ontoereikend.
Huijgen plaatst ook de gereformeerde traditie in het model van de eeuwigdurende straf, ook al is voor deze traditie het aspect van de straf minder relevant dan het voor altijd van God gescheiden zijn. Ook het model van de eeuwigdurende straf roept vragen op: Is een eeuwigdurende straf wel proportioneel ten aanzien van zonden die in het tijdelijk leven zijn begaan? Past een eeuwigdurende straf wel bij een rechtvaardige God? Daarom komt Huijgen in het tweede deel met een herinterpretatie van de hel. Hij begint bij het neerdalen van Christus in de hel. Huijgen sluit hier aan bij de herinterpretatie van het neerdalen in de hel door Calvijn: dat gebeurt in de drie uur durende duisternis aan het kruis. Voor een neerdalen in het rijk van de dood na Christusโ dood ziet Huijgen geen bijbelse grondslag. Als de hel vooral rondom het kruis te vinden is, roept dat de vraag op naar het bestaan van de hel na dit leven. Die vraag pakt Huijgen op in hoofdstuk 6. In het laatste hoofdstuk wil Huijgen op een meditatieve manier laten zien hoe zijn visie aansluit bij hedendaagse ervaringen en hedendaagse verwoordingen van de hel.
Hier en nu
Een recensie schrijven over dit boek heeft mij de nodige hoofdbrekens gekost. Dat komt omdat het boek, anders dan de titel aangeeft, voor een behoorlijk deel niet over de hel gaat. In ieder geval niet over de hel in klassieke zin. Het gaat veel over intense ervaringen, die in het hier en nu als een hel, als een inferno ervaren kunnen worden. Het gaat meer over de hel in het hier en nu dan over de hel na dit leven. Over de hel na dit leven wil Huijgen ook niet al te veel uitspraken doen. Al beseft hij dat hier juist veel pastorale en geestelijke vragen liggen.
Ook op een andere manier gaat het minder over de hel dan Huijgen wil. Dat komt omdat Huigen dodenrijk en hel niet uit elkaar houdt maar hel en dodenrijk vaak door elkaar laat lopen. Er zijn zelfs verschillende vormen van โhelโ, schrijft hij (p. 306). Door het niet uit elkaar halen van hel en dodenrijk vermengt hij beide en schrijft hij geregeld iets toe aan de hel wat voor het dodenrijk is bedoeld. De aandacht voor de hel in het huidige bestaan en de keuze om dodenrijk en hel niet uit elkaar te halen zijn cruciale beslissingen in het boek. Voor wie, zoals ik, wel onderscheid maakt tussen dodenrijk en hel krijgt het boek iets verwarrends. De interpretaties van wat de hel is lopen in zijn boek door elkaar heen: in de bespreking gaat het om de eeuwige bestemming, maar later geeft Huijgen aan dat de christologische interpretatie door middel van de nederdaling ter helle nauwelijks uitspraken kan doen over de hel na dit leven.
Er is zelfs op bepaalde plaatsen in het boek verzet te merken tegen het idee van een hel na dit leven: in de bijbel gaat het over het eeuwige vuur in plaats van over de hel en de vraag naar de hel na dit leven komt eerder bij een bepaald algemeen godsbeeld vandaan.
Geregeld gaat het over de hel die mensen in dit leven kunnen ervaren en dan ook nog in de seculiere interpretatie van de hel. Huijgen wil zeker klassiek kerkelijke noties als het laatste oordeel niet opgeven, maar geregeld is de hel waar je je als mens nu in kunt bevinden zonder dat er een oordeel van God aan ten grondslag ligt. Ondanks de titel en de intentie van Huijgen gaat het boek daarom mijns inziens voor een deel niet echt over de hel. In ieder geval niet over de hel na dit leven. Het boek gaat voor een belangrijk deel over het leven in het hier en nu dat als een hel ervaren kan worden. Tegelijkertijd wil Huijgen de drie modellen over de hel na dit leven opnieuw doordenken. Daardoor wordt de rode draad in ieder geval voor mij onhelder.
Nederdaling
Huijgen ziet in de Bijbelse teksten geen reden om te denken aan een neerdalen in het rijk van de dood (zonder het idee van neerdalen op te geven). Het is voor Huijgen belangrijk om aan te sluiten bij hedendaagse verwoordingen van de hel. Hij sluit zich aan bij de herinterpretatie van โnedergedaald ter helleโ door Calvijn. Daarmee hij wijst de oorspronkelijke interpretatie zoals die in de Vroege Kerk kon worden aangehangen van de nederdaling in het rijk van de dood af. In de Vroege Kerk kon men de nederdaling in het dodenrijk duiden als een aankondiging van triomf over de dood en het dodenrijk. Volgens Huijgen is deze gedachte van een nederdaling in het dodenrijk als triomftocht exegetisch niet houdbaar. Naast de calvinistische herinterpretatie van de verbinding van de nederdaling ter helle aan het kruis haalt hij opeens een meer lutherse invulling voor de dag: de nederdaling ter helle wordt zonder al te veel introductie gekoppeld aan de graflegging en het verblijf van de gestorven Jezus in de dood. De nederdaling ter helle gaat dan over de radicaliteit van de dood.
Waar Huijgen aarzelt bij de lutherse interpretatie van het kruis omdat de eenheid van de drie-enige God verloren gaat, ziet hij die spanning niet bij deze interpretatie van de nederdaling ter helle. Waar de andere interpretaties van de hel en het neerdalen in de hel exegetisch worden getoetst, ontbreekt hier de exegetische toets. Ik vraag me af of deze interpretatie overeind blijft als Huijgen de radicaliteit van het gestorven-zijn van de Zoon van God net zo kritisch toetst als de andere interpretaties. Op zich heb ik geen moeite met de radicale interpretatie van het gestorven zijn van Christus, maar het is wel een verandering van accent ten opzichte van de oorspronkelijke interpretatie van de zinsnede uit de geloofsbelijdenis: de oorspronkelijke zinsnede ging over de overwinning van Christus op de dood; de radicale interpretatie van het gestorven zijn van Christus gaat over het totaal ondergaan in de dood.
Zelf zie ik wel aanwijzingen in de teksten uit het Nieuwe Testament dat men uitging van een neerdalen in het rijk van de dood door Christus. Voor wie het onderscheid tussen hel en dodenrijk wel maakt is het verbazingwekkend dat Huijgen geen aandacht besteedt aan het wereldbeeld en de kosmologie uit de tijd van de Vroege Kerk. Hoewel Huijgen een paar keer aangeeft, dat verbeelding belangrijk is bij het doordenken van de hel gaat hij niet na welke verbeelding er van het leven na dit leven was in de tijd van Oude en Nieuwe Testament. Er is geen schets van hoe men over hemel, aarde en onderwereld dacht. Er wordt ook geen poging gedaan om met behulp van inscripties, rituelen die uit die tijd bekend zijn of gevonden artefacten een idee te vormen van het denken van die tijd. Huijgen baseert zich uitsluitend op teksten. Naar mijn idee zijn er aanwijzingen om hel en dodenrijk juist goed uit elkaar te houden: In het rijk van de dood waren bijvoorbeeld de rechtvaardigen en gelovigen uit het Oude Testament.
Door Christusโ neerdalen werden zij bevrijd uit de macht van de dood. In het rijk van de dood proclameerde Christus Zijn overwinning van de dood. In deze visie daalde Christus niet neer in de hel. De hel is echt een andere plek dan het dodenrijk. De hel is bestemd voor de duivelen en de grote zondaars. Voor hen is er geen mogelijkheid om uit de hel bevrijd te worden. Christus daalde dus niet neer in de hel maar in het rijk van de dood. Met dit verschil in hel en dodenrijk is het ironisch dat Huijgen op de voorkant van een boek over de hel een schilderij heeft over het neerdalen van Christus in het rijk van de dood. Net zo ironisch is het, dat Huijgen met zijn titel een verwijzing doet naar Dante, zonder dat hij verder verwerkt dat bij Dante in zijn boek Inferno alleen degenen uit de eerste kring (de limbus) door Christus worden bevrijd. Daarmee is bij Dante nog een herinnering te zien van het onderscheid tussen hel en dodenrijk. Opvallend is dat Openbaring 1:18, de tekst die voor Huijgen het meest dierbaar is geworden in zijn doordenking van de hel, niet over de hel gaat maar over het dodenrijk. Die tekst krijgt in het boek trouwens steeds een wisselende uitleg.
Ook in zijn bespreking van de theologen uit de Vroege Kerk laat Huijgen hel en dodenrijk door elkaar heenlopen. Dan schrijft hij hen toe dat zij uitgaan van een neerdalen in de hel, terwijl ze het naar mijn idee hebben over het neerdalen in het rijk van de dood. Het idee van een dodenrijk dat afzonderlijk van de hel zou bestaan is ten tijde van de Reformatie verdwenen, waardoor de de zinsnede over het neerdalen van Christus na Zijn dood aan het kruis onbegrijpelijk werd. In de Reformatie kwam er een herinterpretatie waarbij de een het verbond met de graflegging en de ander (zoals Calvijn) dat verbond aan het doorleven van de helse straf aan het kruis. Huijgen is niet de enige die hel en dodenrijk door elkaar haalt. Ook in de Christelijke Dogmatiek van Van der Kooi en Van den Brink gebeurt dat. Net als in het boek van Herbert Vorgrimler over de geschiedenis van de hel (waar Huijgen een aantal keer naar verwijst). In vakliteratuur wordt het onderscheid ook niet altijd gemaakt.
Omdat Huijgen geen onderscheid maakt tussen dodenrijk en hel is het niet verbazingwekkend dat hij uitkomt bij de visie van Calvijn, die het neerdalen van Christus verbindt aan het lijden van Christus aan het kruis. Die visie helpt Huijgen ook om aan de sluiten bij hedendaagse ervaringen van de hel. Hoewel toejuich dat iemand hedendaagse ervaringen en verwoordingen verwerkt in zijn theologisch concept, vind ik dat Huijgen te weinig doet met het verschil tussen de hedendaagse verwoordingen en de kerkelijke traditie.
In het hedendaagse denken is de hel is meer een metafoor geworden voor een intense, aangrijpende apocalyptische ervaring, die vaak door mensen zelf hier in het tijdelijk bestaan is veroorzaakt. Een oordeel van God gaat er niet aan vooraf. โDe hel is de metafoor bij uitstek voor het summum van uitzichtloze ellendeโ, zo schrijft Huijgen (p. 13). Huijgen doet echter weinig met het gegeven dat je als mens niet zomaar in de hel komt en dat het in de hel geraken niet iets is dat je overkomt, maar dat er een oordeel van God aan ten grondslag ligt. Het laatste oordeel krijgt in dit boek weinig plaats. Huijgen is vooral bezig met de hedendaagse ervaringen die met een metaforische hel worden verwoord en veel minder met hoe je er komt of er voor kunt zorgen dat je er niet komt. Huijgen stelt zich niet de vraag of we het hier wel over dezelfde hel hebben. Gaat het bij gebruik van hetzelfde woord niet om verschillende concepten die weinig met elkaar te maken hebben?
De rol van God
Vanuit de hedendaagse ervaringen wil Huijgen de hel opnieuw doordenken. Hij haalt de hel weg uit de scheppingsleer en de voorzienigheidsleer en plaatst de hel onder de christologie. Tijdens het lezen kreeg ik de indruk dat dogmatiek het verschuiven van theologische vragen van het ene deel van de dogmatiek naar het andere deel van de dogmatiek is. Zijn model van christologische herinterpretatie kan misschien de vraag ontwijken wat God te maken heeft met de hel, maar geeft ook weer andere, niet minder existentiรซle vragen: Wat is de oorsprong van de hel? Wat zegt het dat Christus Zich door God verlaten voelde terwijl Hij feitelijk niet door God verlaten was? Wat helpt het ons als gelovige dat Christus de hel heeft doorleefd zonder daar te zijn geweest? Is het รผberhaupt mogelijk om een plek te doorleven zonder daar te zijn geweest? Een gevaar dat ik daar zelf persoonlijk bij zie bij deze uitwerking is dat Huijgen daarmee in dit boek – naar mijn idee onbedoeld – het risico loopt de hel te seculariseren: als een intense ervaring van een apocalyptische gebeurtenis zonder dat God er nog mee te maken heeft.
Volgens Huijgen gaan kerk en theologie de thematiek van de hel uit de weg
Huijgen ontkent zeker niet dat God met de hel te maken heeft, maar werkt het in dit boek ook nauwelijks uit. Er is zeker wel een christologische herinterpretatie. Maar op veel momenten in het boek is de hel iets waar je in het hier en nu in kunt bevinden, zonder dat er een handeling van God aan vooraf gaat. Ook dreigt Huijgen – in de uitwerking in dit boek – naar mijn idee de hel te verpsychologiseren tot iets dat in het hier en nu beleefd wordt als een actueel inferno. In hoofdstuk 6 vraagt Huijgen zich af hoe er gedacht kan worden over een hel na dit leven. Ook hier verschuift al vrij snel weer de aandacht voor de hel na dit leven naar hoe het leven als hel in het hier en nu beleefd kan worden.
Volgens Huijgen gaan kerk en theologie de thematiek van de hel uit de weg, terwijl in de seculiere wereld het voortdurend over de hel gaat. (p. 14-15). Ook hier lopen twee betekenissen van hel door elkaar heen. Een huiver om als kerk en theologie te spreken voor de hel na dit leven zie ik ook. Maar dat is dan weer die andere hel dan wanneer het in het seculiere spreken over de hel gaat. Ik herken niet de constatering van Huijgen dat kerk en theologie zwijgen over de hel die in het hier en nu beleefd kan worden.
Aan het einde van het boek was mij niet helemaal helder waarom Huijgen een boek over de hel geschreven heeft. Voor een groot deel gaat het niet om de hel in de klassieke zin van het woord: als een plek na dit leven waar je als mens door Gods oordeel voor altijd terechtkomt. Huijgen heeft het niet geschreven vanuit een pastoraal motief, want – zo schrijft hij – de pastorale vragen kunnen in zijn model niet worden opgepakt. (Sowieso merkwaardig dat de systematische theologie niet thuis geeft als het om pastorale vragen gaat. Dat lijkt me toch het bestaansrecht van theologie.) Hij heeft het niet geschreven vanuit een verdediging van de klassieke opvatting van de hel: de klassieke opvatting roept volgens hem ook vragen op.
Wat ik kan bedenken is dat Huijgen eerder is aangegrepen door ervaringen van het niets en de beschrijvingen ervan in bijvoorbeeld seculiere literatuur. Omdat in die beschrijvingen het woord hel gebruikt om de ervaringen te typeren is heeft hij wellicht binnen de theologie het spoor van het denken over de hel gevolgd. Dat verklaart wellicht ok zijn scherpe afwijzing van het annihilationisme (het idee dat de ongelovigen voor eeuwig dood zullen blijven). Die scherpe afwijzing botst naar mijn idee met het idee Huijgens voorzichtigheid om te veel over de hel na dit leven te willen zeggen. Maar als hij het annihilationisme afwijst vanwege een te oppervlakkige visie op het niets van de dood na dit leven, zou dat een aanwijzing kunnen gaan dat Huijgen de radicale ervaringen van het niets in dit leven theologisch wil verwerken en doordenken. Omdat zijn boek afsluit met Stille Zaterdag krijg ik de indruk dat hij op bepaalde momenten eerder een theologie van de Stille Zaterdag heeft willen schrijven dan een theologie van de hel.
Omdat zijn interpretatie van de nederdaling ter helle Stille Zaterdag is te verbinden aan de hel heeft hij zijn boek uitgewerkt als een denken over de hel. Wordt zijn boek niet een christologische herinterpretatie van de voorzienigheidsleer? Waar de klassieke voorzienigheidsleer ging over de vraag wat God met het kwaad en het lijden te maken heeft, laat Huijgen die vragen liggen en is hij vooral bezig met hoe Christus dat kwaad en lijden (zeker ook wel plaatsbekledend) geleden heeft.
Het belang van de hel
Tijdens het lezen van het boek van Huijgen begreep ik voor mijzelf wel het belang van de hel (als plek waar je als mens kunt komen na dit leven door een oordeel van God als rechter): zonder hel blijven daders onbestraft. Huijgen stipt dit ook even aan in het begin van zijn boek. De hel is niet naar mijn idee niet alleen als straf maar ook om daders tot zelfinzicht te laten komen. Het is een belangrijk gegeven in de Bijbel dat je als mens inzicht hebt in wat je daden voor anderen betekenen. Zeker als je anderen voor hun leven beschadigd en kapot gemaakt hebt. De hel is voor slachtoffers belangrijk, want: hoe kun je in de hemel veilig zijn als je daar degene ook kunt aantreffen die je het nodige heeft aangedaan? Het maakt daarom nogal uit in welke context je over de hel denkt.
In een welvarend, veilig en vredig Nederland kun je twijfelen over de nut en noodzaak van een hel en komen de vragen op waarom een rechtvaardig God mensen voor altijd kan straffen. Maar op plekken als Bucha, Rwanda, Srebrenica, Auschwitz, Verdun, noem maar op is het wezenlijk dat er een hel is en wezenlijk dat er een God is die rechtspreekt. Dan kan het in mijn ogen zelfs heilzaam zijn en in die context passend zijn om te spreken over de hel als eeuwigdurende straf. Daarom is het belangrijk dat Huijgen laat zien dat het verschil in context van de Nederlandse Geloofsbelijdenis en van de Dordtse Leerregels leidt tot een andere verwoording en beleving van de hel. In de Nederlandse Geloofsbelijdenis klinken in de tijd van geloofsvervolging harde woorden. Ten tijde van de tijdelijke vrede van het Twaalfjarig Bestand krijgen in de Dordtse Leerregels de pastorale vragen de ruimte.
zonder hel blijven daders onbestraft
In mijn ogen is het belangrijk om het denken en spreken over de hel levend te houden voor het geval wijzelf of de mensen om ons heen in een situatie terechtkomen die beleefd wordt als een hel. Dat kan in mijn ogen dan weer niet zonder het nadenken over een hel na dit leven. Tegelijkertijd mag een doordenking van de hel niet ten koste gaan van de pastorale vragen. En ook weer omgekeerd geldt voor mij: een pastorale doordenking van de hel is belangrijk, maar het is net zo wezenlijk om de aanstootgevende kant van de hel levend te houden voor het geval we troost en houvast nodig hebben voor het geval we moeten leven tussen mensen die veranderd zijn in duivels.
Daarom is het goed dat Huijgen de hel weer op de kaart zet. Zelfs als hij dat doet met een boek waarin het minder over de hel gaat dan de titel aangeeft en in het boek zelf de hel verschillende betekenissen krijgt.
Epiloog
Deze recensie heb ik een aantal weken aan de kant gelegd, omdat er in mijn ogen iets was met het boek of met mijn recensie, terwijl ik er niet de vinger op kon leggen. Nu ik het een aantal weken aan de kant gelegd heb, zie ik wat ik al lezend intuรฏtief aanvoelde: Het zijn de opbouw en de systematisch-theologische uitwerking waardoor de thematiek niet helemaal uit de verf komt. Wat nu als Huijgen het anders had aangepakt? Wat nu als hij begonnen was met zijn Stille-Zaterdag-ervaring aan het einde van het boek en dan fragmenten uit seculiere literatuur had opgenomen en had laten zien hoe hij daar existentieel en theologisch door wordt uitgedaagd?
Wat nu als Huijgen de verleiding had weerstaan om het te gieten in een systematisch-theologisch model waar de emotie en de existentie verborgen is achter de tekst en het spoor was gegaan van de kruistheologie, de graflegging en de aanvechting. Op die manier had ik zelfs nog wel Noordmans kunnen hebben. Wat nu als Huijgen juist de pastorale en existentiรซle vragen wel had opgepakt? Wat als hij had laten zien hoe theologie en prediking zich door de uitdaging van seculiere ervaringen en pastorale vragen had laten uitdagen? Dan had hij het theologisch boek van het decennium geschreven.
Matthijs Schuurmanย is predikant van de Hervormde Gemeente Oldebroek.
Arnold Huigen, Inferno. De ontdekking van de hel. Uitgeverij: Utrecht, KokBoekencentrum Uitgevers, 2026. 384 pp. โฌ 32.99. ISBN 9789043543415
