Menu

None

De hel in de Bijbel: she’ol, gehenna en hades

Katholiek theoloog Eli Stok analyseert helletaal in de Bijbel

Fantasie: twee werelden. Toegang tot de vierdimensionale ruimte: het wormgat. Ruimteverbeelding. Beeldmateriaal afkomstig van NASA
(Beeld: iStock)

Het wemelt van de culturele beelden over de hel. Maar hoe wordt in het Oude en Nieuwe Testament gesproken over de hel? Theoloog Eli Stok analyseert helletaal in de Bijbel: she’ol, ge(h)enna, de buitenste duisternis, hades en abyssos. Wat betekenen deze woorden, hoe zijn ze vertaald en welke beelden roepen ze op van de hel?

De Amerikaanse journalist en schrijver Ambrose Bierce (1842-1914?) is vooral bekend vanwege zijn Devil’s Dictionary. Dit satirische werk, dat begon als een soort feuilleton en later als boek werd uitgegeven, heeft de vorm van een woordenboek. Het bevat een beperkte selectie aan woorden, die met cynische humor worden omschreven: een bedelaar wordt bijvoorbeeld gedefinieerd als “iemand die heeft vertrouwd op de hulp van zijn vrienden”. En een haven is “een plaats waar schepen die schuilen voor de storm, worden blootgesteld aan de razernij van de douane”.

Ook het woord “Hades” staat in de Devil’s Dictionary. Bierce vertelt een verzonnen anekdote over het vertaalproces van de Bijbel ten tijde van King James I (begin 17e eeuw). Volgens Bierce had de meerderheid besloten om het Griekse woord Hades te vertalen met “hel”. Eén iemand die het daar niet mee eens was, had een pen gepakt en dit woord overal doorgestreept. Toen men dit doorkreeg, sprong een verontwaardigde bisschop op en sprak: “Gentlemen, somebody has been razing ‘Hell’ here!

Uiteraard is dit niet meer dan een woordgrap, die speelt met de klankovereenkomst tussen razing ‘Hell’ (het woord ‘hel’ uitwissen) en raising hell (herrie schoppen). Bierce legt echter wel een vraag bloot die in de bijbelwetenschap serieus wordt genomen. Is het woord ‘hel’, dat uit de Germaanse cultuur komt en waaraan inmiddels levendige beelden kleven van een vurige onderwereld waar mensen door duivels worden gepijnigd, het beste woord om bijbelse begrippen mee te vertalen?

De vertalers van de Nieuwe Bijbelvertaling (NBV) dachten van niet; het woord komt daar geen enkele keer voor. In de Statenvertaling (SV) wordt de hel daarentegen 46 keer genoemd. Je zou kunnen denken dat de hel is wegvertaald uit moderne bijbels, maar dat klopt niet helemaal: in de Bijbel in Gewone Taal (BGT) komt het woord ‘hel’ toch nog 24 keer voor. Opvallend genoeg zijn de verwijzingen naar de hel in de SV verdeeld over het Oude en het Nieuwe Testament (24 + 22), terwijl de BGT het woord alleen gebruikt in het Nieuwe Testament. Hoog tijd om te onderzoeken welke woorden er in de oorspronkelijke talen staan en welke vertaalkeuzes zijn gemaakt.

Het woord ‘hel’ komt geen enkele keer voor in de Nieuwe Bijbelvertaling

She’ol

Het oudtestamentische woord dat in de SV met ‘hel’ wordt vertaald, is she’ol. Dit woord heeft een droefgeestige klank: het verwijst naar het graf, de dood, de onderwereld, de plek waar je als een soort schaduw verblijft na je dood. In onze cultuur zijn we gewend om te spreken over ‘hel’ en ‘hemel’ als tegengestelde vormen van het hiernamaals: de eerste een plek van pijn en miserie, de tweede een plek van geluk en vervulling. In de Hebreeuwse Bijbel is deze tegenstelling grotendeels afwezig: iederéén gaat naar de she’ol.

Ik vermoed dat de BGT er daarom voor gekozen heeft om het woord ‘hel’ in het Oude Testament niet te gebruiken. Maar ook de vertalers van de SV zijn er selectief mee: van de 66 keer dat de she’ol genoemd wordt, kiezen ze er maar 24 keer voor om het als ‘hel’ te vertalen. Je zou anders ook resultaten krijgen die niet goed in de gereformeerde theologie van de SV passen. In Genesis 37:35 bijvoorbeeld denkt Jakob dat zijn zoon Jozef dood is, en daarom zegt hij dat hij klagend zal afdalen naar zijn zoon tot in de she’ol. De SV vertaalt hier: “tot mijn zoon in het graf”; de eerbiedwaardige vaderen van het Oude Verbond horen immers niet thuis in de hel!

Op andere plekken wordt het woord she’ol juist wel vertaald met ‘hel’ en krijgt het daardoor een lading die het in het Hebreeuws niet heeft. In Spreuken 23:13-14 krijgt een ouder bijvoorbeeld het advies om zijn kind fysiek te straffen. Dit is op zich al twijfelachtig genoeg, maar de SV geeft als bemoediging mee: “gij zult zijn ziel van de hel redden”. De Herziene Statenvertaling van 2010 heeft dit terecht gecorrigeerd: “u moet zijn leven redden van het graf”. Het doel is om kinderen weg te houden bij alles wat hun leven in gevaar kan brengen, niet om hen met geweld voor te sorteren op het gewenste hiernamaals.

Soms worden de hel en de hemel (she’ol en shamayim) wel in één adem genoemd. Dat heeft echter weinig raakvlakken met het theologische idee dat de hemel de plek is waar mensen gelukkig zijn in Gods aanwezigheid, en de hel het tegenovergestelde. De hemel en de hel zijn eerder twee uitersten zoals het oosten en het westen. In Amos 9:2 (NBV) dreigt God: “Al kruipen ze de onderwereld (she’ol) in, ik breng ze naar boven; al klimmen ze de hemel in, ik haal ze naar beneden.” De hemel en de hel zijn hier allebei plekken waar mensen naartoe vluchten om zo ver mogelijk van God weg te komen.

Iets soortgelijks vinden we in Psalm 139:7-8 (NBV): “Hoe zou ik aan uw aandacht ontsnappen, hoe aan uw blikken ontkomen? Klom ik op naar de hemel – u tref ik daar aan, lag ik neer in het dodenrijk (she’ol) – u bent daar.” De psalmdichter is meer onder de indruk van Gods alomtegenwoordigheid dan Amos (God is overal en hoeft dus niet achter vluchtende mensen aan), maar die tegenwoordigheid is zowel in de hoogte als in de diepte.

In Jesaja 14 wordt meer kwalitatief verschil gemaakt tussen hemel en hel. Daar gaat het over een heidense koning die grote plannen heeft: “Ik stijg op naar de hemel … ik evenaar de Allerhoogste.” Daar komt echter niets van terecht: “Nee! Je daalt af in het dodenrijk (she’ol), in de allerdiepste put” (14:13-15 NBV). In deze voorstelling staat Gods troon in de hemel; de she’ol is daarentegen een plek van dood en machteloosheid.

Zoals de schim van Achilles in de Odyssee klaagt dat hij liever een armoedige (levende!) arbeider zou zijn dan koning van de doden, zo wordt in de Hebreeuwse Bijbel de dood niet als een vooruitgang gezien, ook niet voor mensen die rechtvaardig hebben geleefd. Vandaar dat de dichter van Psalm 6 God probeert over te halen om zijn leven te sparen, met een beroep op Gods eigenbelang: “Want doden noemen uw naam niet meer! Wie in het dodenrijk (she’ol) kan u nog loven?” (6:6 NBV)

In Jesaja 14 wordt meer kwalitatief verschil gemaakt tussen hemel en hel

Ge(h)enna

Als we naar het Nieuwe Testament gaan, verandert het beeld ingrijpend. Het eerste woord dat we hier tegenkomen om een hiernamaals te omschrijven, heeft een Hebreeuwse oorsprong: Ge-Hinnom betekent “dal van Hinnom” en is vergriekst tot geënna/gehenna. Het dal van Hinnom was een plek buiten Jeruzalem waar volgens het Oude Testament kinderoffers werden gebracht. Het verhaal gaat dat het daarna een vuilnisbelt was geworden waar voortdurend afval en dode beesten werden verbrand, maar aangezien we deze bewering niet eerder tegenkomen dan de 12e eeuw na Christus, is die betwijfelbaar. Wel heeft Jezus het soms over de “gehenna van vuur” (gehenna tou pyros, Mattheüs 5:22; 18:9). Ook wordt de gehenna omschreven als “het eeuwige vuur” (pyr aionion, Mattheüs 18:8) en “het onuitblusbare vuur” (pyr asbeston, Marcus 9:43). (Er zijn wel eens discussies over de vraag of “eeuwig” een goede vertaling is van aionion; Ruben van Wingerden argumenteert van wel.)

De NBV kiest ervoor om het woord onvertaald te laten als een soort plaatsnaam, bijvoorbeeld: “Je kunt immers beter een van je lichaamsdelen verliezen dan dat heel je lichaam naar de Gehenna gaat” (Matteüs 5:30). De lezer moet dan zelf op zoek wat “de Gehenna” zou kunnen zijn; het voordeel hiervan is dat niet alle associaties rondom de hel automatisch worden getriggerd. De BGT daarentegen is erop gericht om de tekst direct begrijpelijk te maken, en vertaalt met: “Je verliest dan een deel van je lichaam. Maar anders kom je met je hele lichaam in de hel.”

In het Evangelie van Matteüs spreekt Jezus op een aantal plekken waarschuwend over de gehenna. Hij zegt dat het beter is een hand, voet of oog af te hakken of uit te rukken dan onbeschadigd in de gehenna terecht te komen, een waarschuwing die tweemaal wordt herhaald (5:29-30; 18:8-9). Hij zegt dat God meer te vrezen is dan menselijke machthebbers, want die kunnen alleen het lichaam doden, terwijl God zowel het lichaam als de ziel kan vernietigen in de gehenna (10:28). Slechte religieuze leiders en hun volgelingen worden omschreven als kinderen van de gehenna (23:15); in een retorische aanroep vraagt Jezus hun: “hoe denken jullie te kunnen ontkomen aan een veroordeling tot de Gehenna?” (23:33 NBV).

Terwijl de she’ol het onontkoombare dodenrijk is dat op alle mensen wacht, een lotsbestemming, blijkt de gehenna een plaats te zijn waartoe je veroordeeld wordt. Door de zonde uit alle macht te vermijden, is het mogelijk om dit oordeel te ontlopen.

Er wordt wel eens gezegd dat niemand in de Bijbel vaker over de hel spreekt dan Jezus. Daarmee bedoelt men dat christelijke predikanten dat ook maar wat vaker zouden moeten doen. In principe klopt dat, maar het is opvallend dat het vooral in Mattheüs een terugkerend thema is. In Marcus concentreert het zich in een paar verzen (9:43-48, ook over het verwijderen van lichaamsdelen), eindigend met een kleurrijke omschrijving van de gehenna: “waar hun worm niet sterft en het vuur niet wordt geblust”. In Johannes komt het helemaal niet voor. Blijkbaar kan het Evangelie zowel met als zonder het vuur van de hel worden verkondigd.

In de rest van het Nieuwe Testament komt het woord nog tweemaal voor, namelijk in Lukas 12:5 (een parallel van Mattheüs 10:28) en in Jacobus 3:6. Dit is een interessante tekst: tot nu toe is de gehenna vooral een gevangenis geweest waarin zondaars na het oordeel terechtkomen, maar in Jacobus is het een actieve oorsprong van kwaad in de huidige schepping. Hij waarschuwt dat de arrogante tong een vuur is dat het leven in brand kan zetten en zelf is aangestoken door de gehenna.

Blijkbaar kan het Evangelie zowel met als zonder het vuur van de hel worden verkondigd

De buitenste duisternis

Bij Mattheüs verwijst Jezus meermaals naar personen die eruit worden gegooid, tot in “de buitenste duisternis (skotos exoteron); daar zal gejammer zijn en tandengeknars” (8:12; 22:13; 25:30). De eerste keer is het naar aanleiding van de Romeinse centurio van wiens geloof Jezus onder de indruk is: zo’n groot geloof, zegt hij, heeft hij in Israël nog niet meegemaakt. Vervolgens verklaart hij dat mensen uit alle landstreken aan tafel zullen gaan met Abraham en Isaäk en Jakob, terwijl de kinderen van het koninkrijk zullen worden buitengegooid.

De andere twee keer zijn het parabels: de bruiloftsgast die wel naar het feest is gekomen maar geen passend kleed aan heeft (22:11-13), en de dienaar die het hem toevertrouwde geld in de grond heeft begraven (25:24-30). De buitenste duisternis lijkt vooral te zijn gereserveerd voor gelovigen die er op een bepaalde manier wel bij horen, maar die toch tekortschieten.

Hades

In Mattheüs en Lukas-Handelingen wordt ook een ander woord gebruikt dat vaak met ‘hel’ wordt vertaald, en dat afkomstig is uit het Grieks: haides/hades. Gek genoeg lijkt dit Griekse woord juist meer raakvlakken te hebben met het Hebreeuwse she’ol, de plaats waar de dood heerst. De beroemdste vindplaats is de parabel van de rijke man en Lazarus, de bedelaar aan zijn poort (Lukas 16:19-31), die allebei overlijden en in het hiernamaals van positie wisselen. De rijke man gaat naar de hades en ondergaat martelpijnen (hij heeft het over een vlam, phlox). Wel kan hij vanaf daar Lazarus en Abraham zien zitten en zelfs aanspreken, maar Abraham vertelt dat er een grote kloof is tussen hen. Het is hier niet duidelijk of de hades specifiek verwijst naar de ellendige plaats waar de rijke man zich bevindt, of dat de hades in verschillende delen is gesplitst waartussen geen beweging mogelijk is.

Op een andere plek is het vooral de diepte van de hades die wordt benadrukt. Jezus spreekt in Lukas 10:13-15 een veroordeling uit van de steden waarin hij wonderen heeft verricht, omdat ze daardoor niet op andere gedachten zijn gebracht. Heidense steden zullen het oordeel beter kunnen verdragen dan zij, verzekert Jezus hen. Tegen zijn woonplaats Kafarnaüm zegt hij: “Je denkt toch niet dat je tot in de hemel zult worden verheven? In het diepst van het dodenrijk (hades) zul je afdalen!” (10:15 NBV) Dit doet denken aan de koning uit Jesaja, die tot de hemel wilde opklimmen maar juist onderging tot in de she’ol: van hooggespannen verwachtingen komt niets terecht. De BGT vertaalt het scherper en persoonlijker: “En jullie daar in Kafarnaüm. Denk je dat jullie welkom zijn in de hemel? Nee, jullie komen in de hel terecht!” (10:15 BGT)

In de Handelingen van de Apostelen wordt het woord hades gebruikt als vertaling van she’ol. Petrus haalt namelijk in zijn rede op het Pinksterfeest de volgende tekst aan: “Ja, mijn lichaam zal behouden blijven, want u zult mij niet overleveren aan het dodenrijk (hades) en het lichaam van uw trouwe dienaar zal niet tot ontbinding overgaan” (Handelingen 2:26-27). Deze woorden komen uit Psalm 16, waar in het Hebreeuws she’ol staat. In de oorspronkelijke context bedoelt de dichter dat God hem niet zal laten sterven. Petrus betrekt het echter op Jezus, die wel gestorven is, maar die niet in het graf is gebleven.

Ook Mattheüs gebruikt dit woord op twee plekken: eenmaal in 11:23 (een paralleltekst van Lukas 10:15 over Kafarnaüm), en eenmaal in een tekst die in de tijd van de Reformatie tot onderwerp van hevige discussie is geworden. In Mattheüs 16:18 geeft Jezus één van zijn leerlingen de bijnaam Petrus, ‘Rots’: “jij bent Petrus, de rots waarop ik mijn kerk zal bouwen, en de poorten van het dodenrijk (hades) zullen haar niet kunnen overweldigen.” Dit is een ongebruikelijk beeld, omdat poorten een defensieve functie hebben en dus niemand actief ‘overweldigen’. Het is alsof de dood zijn grenzen wil uitbreiden door de gemeenschap van Jezus in te kapselen, maar dit zal tevergeefs zijn. De SV vertaalt met “poorten der hel” en ziet er een verwijzing in naar het bedrog en geweld van de duivel. De BGT interpreteert hades hier als de dood, het niet-zijn, en vertaalt interpreterend: “Mijn kerk zal er zijn zolang deze wereld bestaat.”

Ten slotte wordt het begrip hades meermaals gebruikt in het laatste bijbelboek, Openbaring. In het eerste hoofdstuk van dit kleurrijke boek verschijnt een schitterende Jezus, die zegt: “Ik ben degene die leeft … Ik heb de sleutels van de dood en van het dodenrijk (hades)” (1:18). Hier is de hades een gevangenis die ontsloten is.

Later wordt de hades voorgesteld als een gepersonificeerde macht, nauw verbonden met de dood. De Dood is één van de vier ruiters van de apocalyps, en de hades volgt hem als een soort schildknaap of medestrijder (6:8). Aan het eind van het boek zullen de Dood en de hades de doden teruggeven die in hen aanwezig zijn, net als de zee (20:13) – blijkbaar moet de hades worden voorgesteld als een specifiek aardse onderwereld. Daarna worden de Dood en de hades in een vuurpoel gegooid, die de tweede dood wordt genoemd. Maar er wordt niet alleen afgerekend met de Dood als een abstracte macht: ook mensen die niet in het boek van het leven staan geschreven, worden in de vuurpoel geworpen (20:14-15).

Daarna worden de Dood en de hades in een vuurpoel gegooid

Afgrond

Een woord dat specifiek in de BGT een aantal keer met ‘hel’ wordt vertaald, is abyssos oftewel ‘afgrond’. Dit gebeurt bijna uitsluitend in het boek Openbaring; misschien viel ‘afgrond’ buiten de beperkte woordenschat (ca. 4000 woorden) waarmee de vertalers van de BGT bewust hebben gewerkt. Daardoor wordt er gesproken over “de sleutel van de put die in de hel uitkomt” (9:1 BGT), waar de SV heeft “de sleutel van de put des afgronds”, en over “de engel van de hel” (9:11 BGT), waar de NBV vertaalt “de engel van de onderaardse diepte”. Dezelfde keuzes worden gemaakt in Openbaring 11:7, 17:8 en 20:1-3.

Buiten het boek Openbaring wordt abyssos nog één keer vertaald als ‘hel’, namelijk in het vreemde verhaal van de bezeten man die zich aan Jezus voorstelt als Legio / Legioen. De kwade geesten willen niet naar de “afgrond” (Lukas 8:31 SV) en vragen toestemming om over te springen op een kudde varkens; ironisch genoeg storten de varkens zich vervolgens van een helling af in het water, zodat de demonen toch in de diepte terechtkomen. De BGT vertaalt het verzoek van de kwade geesten als: “Stuur ons alsjeblieft niet naar de hel!”

Er is in de Bijbel af en toe sprake van een onderwereld die wordt bewoond door kwade, niet-menselijke geesten. Vooral in Openbaring gaat het over monsters en heersers die uit de afgrond komen of daarin worden teruggegooid (blijkbaar wil niemand er graag zijn). Ook in het genoemde vers uit Lukas willen de kwade geesten niet naar de afgrond. Ten slotte zijn er de brieven van Petrus: in 1 Petrus 3:19-20 wordt gesproken over “geesten in de gevangenis”, die daar al sinds de tijd van Noach verblijven, en in 2 Petrus 2:4 gaat het over engelen die gezondigd hebben en daarom in kettingen van duisternis in de hel zijn gegooid, als voorbeeld van het lot dat valse leraren binnen de christelijke gemeenschap te wachten staat. Voor dit “in de hel gooien” wordt één werkwoord gebruikt, tartaroo, afgeleid van Tartarus in de Griekse mythologie: de plek in de onderwereld waar schurken werden gestraft.

Conclusie

In dit overzicht is duidelijk geworden dat er verschillende Hebreeuwse en Griekse woorden zijn die mensen als ‘hel’ vertalen. Sommige verwijzen naar een algemeen dodenrijk: she’ol, hades. Andere worden gebruikt om een plek van gevangenschap, straf en/of pijniging aan te geven: gehenna, abyssos, de buitenste duisternis. We hebben gezien hoe ‘de hel’ in de Hebreeuwse Bijbel niet per definitie verwijst naar de plek waar God afwezig is ten opzichte van ‘de hemel’ waar God wel aanwezig is, een gangbaar beeld in onze tijd, maar dat het uitersten kunnen zijn zoals oost-west waarin God juist als middenweg fungeert. In het Nieuwe Testament spreken niet alle evangeliën van de hel, in Johannes komt het niet voor, en kan de hel ook de plek zijn waar het kwaad zijn oorsprong vindt. Hoe vertalers hiermee omgaan, is een vrije keuze en een blijvend spel tussen taal en interpretatie.

Eli Stok studeerde filosofie aan de KU Leuven en hoopt in december te promoveren aan de Tilburg School of Catholic Theology. Hij was zes jaar actief als rooms-katholiek pastor in Delft en omgeving, doceerde filosofie aan de Fontys Hogeschool in Utrecht, en begint dit jaar als docent bijbelwetenschap aan de Radboud Universiteit. Zijn interesse ligt bij linguïstiek en tekstanalyse, hermeneutiek en intertekstualiteit.

Meer lezen over het hiernamaals? Bestel deze boeken

Cover Wat er na dit leven komt, geschreven door Daniël de Waele

In Wat er na dit leven komt neemt Daniël de Waele lezers mee in een fascinerende cultuurgeschiedenis over hoe ideeën over het hiernamaals zich in de westerse wereld ontwikkelden. Al eeuwenlang zoeken mensen naar een antwoord op de vraag: wat gebeurt er na de dood? Maar tot één overtuiging is het nooit gekomen. Daniël de Waele vertrekt vanuit het oude Egypte en neemt lezers mee langs hemelse vergezichten, schimmige oorden en wonderlijke voorstellingen. Hemel en hel krijgen een heropleving, mede door de verhalen van mensen met een bijna-doodervaring. Wat er na dit leven komt is een boek waarin hoop, angst en verbeelding samenkomen.

Cover van Inferno, geschreven door Arnold Huijgen

In Inferno deelt Theoloog der Nederlanden Arnold Huijgen zijn prikkelende onderzoek naar de verschillende visies op de hel. Hoewel we er liever niet over spreken, raakt het thema van de hel aan de kern van het christelijk geloof. Arnold Huijgen neemt ons in dit boek mee in een spannende zoektocht langs bijbelse bronnen, eeuwen van theologisch denken en menselijke ervaringen van schuld en gebrokenheid. Met Christus’ nederdaling in de hel als uitgangspunt ontwikkelt hij een nieuwe visie, die confronteert en hoop biedt. Daarmee vormt Inferno een fundamentele herijking van het gesprek over de hel in onze tijd.

Cover van Het einde van de hel, geschreven door Reinier Sonneveld

In Het einde van de hel pleit theoloog Reinier Sonneveld voor een tijdelijke, open hel. Hij tart de overtuiging dat er niets na de dood is en beroept zich daarbij op recente wetenschappelijke inzichten over bijna-doodervaringen. Daarnaast keert hij zich tegen de leer van een eeuwige hel. Hij laat dit idee steunen op oude christelijke bronnen. Hiermee maakt hij ruimte voor een toekomst waarin iedereen uiteindelijk zal voortleven en biedt soelaas aan diegenen die door de leer van de eeuwige hel zijn beschadigd.

Lees ook deze artikelen over de hel en het hiernamaals


Schrijf je in voor de nieuwsbrief

Wil je op de hoogte blijven van Theologie.nl? Schrijf je dan in voor onze wekelijkse nieuwsbrief. Daarin selecteren we de mooiste, nieuwste en scherpste artikelen van de week. Ook houden we je op de hoogte van nieuwe boeken, speciale events en De theologie podcast. 

Word lid van Theologie.nl 

Wil je meer artikelen kunnen lezen over boeken, levensvragen, maatschappelijke thema’s en spiritualiteit? Word dan lid van Theologie.nl en sluit een basisabonnement af vanaf €5,83 per maand. 

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken