Menu

Premium

De ijver voor uw huis zal Mij verteren

Bij Exodus 20,1-17 en Johannes 2,13-22(25)

Halverwege de Veertigdagentijd horen wij deze woorden: ‘nabij is het Pesach der Judeeërs geweest’ (Johannes 2,13). Jezus ‘klimt op’ naar Jeruzalem en naar het heiligdom waar de Eeuwige wordt geëerd, samen met de pelgrims uit Psalmen 122 – ook al hoort die psalm bij de volgende zondag, zondag Laetare.

Het werkwoord ‘opklimmen’ (Gr.: anabainoo; Hebr.: ‘alah) vinden we op maar één andere plek in de Psalmen, namelijk in Psalmen 81,11, waar de Eeuwige tegen Israël zegt: ‘Ik ben de Ene, je God, die je uit het land van Benauwing liet opklimmen.’ Wat Jezus echter in Jeruzalem in de tempel vindt, heeft weinig te maken met het dienen en eren van die Ene, en erg veel met de onderdrukking waaronder het volk ook ná Egypte blijft lijden, nu van binnenuit.

De kern van de Tien Woorden

Kort na de uitleiding uit die Egyptische benauwenis krijgt het volk Israël heldere regels voor de vrijheid waarin zij de Ene mogen dienen. In Exodus 20,8-12 vinden we de kern daarvan. Omsloten door vijf keer ‘neen’ tegen de goden (die van daarboven) en vijf keer ‘neen’ tegen godvergeten praktijken ‘hier beneden’, staat daar: de Eeuwige eer je door de sabbat te houden én door het eren van wie je daarin zijn voorgegaan – je vader en je moeder. Hemel en aarde, goden en mensen, het hele leven is inbegrepen in die regels. Jezus vat ze desgevraagd voor een farizese wetgeleerde samen (Matteüs 22,37-40): ‘Liefheb- ben zul je de Heer, je God met heel je hart en heel je ziel en heel je verstand’ (vgl. Deuteronomium 6,5) (…) ‘en een tweede, daaraan gelijk: liefhebben zul je je naaste als jezelf’ (vgl. Leviticus 19,18). Als een uitroepteken voegt Hij eraan toe: ‘Aan deze twee geboden hangt heel de wet en de profeten.’

Deze tempel

Maar bij zijn aankomst in Jeruzalem vindt Hij de plaats waar de Ene bij uitstek geëerd en gediend kan worden vol rotzooi, gesjacher en geldmakerij. De economie heerst er, maar niet het bij wetten geregelde huishouden van Aristoteles (omschreven in zijn Politica), maar een huis dat geregeerd wordt door de wet van ‘het doel heiligt de middelen’. Met andere woorden: het is goed, als het maar geld genereert (iets om over na te denken voor kerkrentmeesters die in onze dagen het huishoudboekje van de gemeente beheren?!). Hoog tijd voor een grote schoonmaak – letterlijk, met de zweep. Het psalmwoord ‘De ijver voor uw huis zal mij verteren’ (Psalmen 69,10) komt de leerlingen daarbij in gedachten. Later, zegt Johannes (2,22), weten ze hoe dat te duiden. De goede verstaander heeft aan een half woord genoeg, maar het kan soms even duren. Bij de wetgeleerden die Jezus aan de tand voelen over zijn bevoegdheid tot deze ‘grote schoonmaak’, is van verstaan weinig sprake. Zij die het weten kunnen, vragen: ‘Wie zegt dat U dit mag doen?’ Zijn antwoord (Johannes 2,19) is de bekende uitspraak over ‘deze tempel’ die zij mogen ‘losmaken’ (Gr.: lusate – vert. Naardense Bijbel) en ‘in drie dagen zal Ik opwekken’ (Gr.: egeroo). Deze vertaling, ‘losmaken’, doet mij onweerstaanbaar denken aan de marktkoopman die roept: ‘Wie maakt me los?’, en daarmee sta ik dan ook meteen midden op de markt die het tempelplein is geworden.

‘Uw lichaam een tempel’

Over de vraag welke betekenis dat ‘opwekken’ heeft, laat de evangelist geen twijfel bestaan: ‘Hij sprak van de tempel van zijn lichaam’ (Johannes 2,21). Uw lichaam een tempel was de titel van een boekje dat in 1956 uitkwam; het was geschreven door een voor die tijd zeer vooruitstrevende arts, dr. P.J.F. Dupuis, die jong protestants Nederland duidelijk wilde maken hoe op eigentijds bijbelse manier met seksualiteit om te gaan. Dupuis’ interpretatie van het lichaam dat een tempel mocht (moest?!) zijn voor de Ene verschilt echter nogal van wat hier wordt bedoeld. Hier gaat het niet om het omgaan van mensen met hun eigen en/ of andervrouws lichaam, maar om het lichaam waarin de Ene de mensen is tegemoetgekomen. Dat lichaam is de ‘tempel’, de woonplaats van de Ene, en zal worden opgewekt uit de dood als teken van de heerschappij van deze Ene. Ook de dood, door mensen aangedaan, kan die heerschappij niet tenietdoen.

Lijfelijke ondergang en opstanding

Dit alles speelt zich af rond het ‘Pesach van de joden’, wanneer de uitredding uit het land van de benauwenis wordt herdacht en opnieuw beleefd. De gebeurtenissen op het feest worden beschreven; over de theologische inhoud horen we niet zo veel. Maar tussen de regels door vindt de oplettende lezer de aanwijzingen voor het verstaan, want hier en daar heeft de evangelist het niet kunnen laten en zijn eigen commentaar ingevoegd. De verterende ijver (Johannes 2,17) is niet een psychologische gemoedstoestand, waarbij iemand zich zo druk maakt dat hij erdoor ‘opgevreten’ wordt. Het is de reële, lijfelijke ondergang: deze ijver voor het huis van de Ene wordt letterlijk zijn dood. Pas later, wanneer de leerlingen aan den lijve hebben ervaren dat Hij is opgewekt, realiseren zij zich dit: afbreken en opbouwen, dood en verrijzenis, dát is wat er werkelijk gebeurt op dit ‘Pesach der joden’. Van de tempel in Jeruzalem gaat het naar de tempel van Jezus’ lichaam. In Hem is de Ene bereikbaar; die tempel wordt afgebroken, en herrijst na drie dagen. Zo worden de leerlingen tot verstaan van de Schrift geleid.

Navrant en betekenisvol tegelijkertijd is dat deze woorden zijn opgeschreven in de tijd dat de tempel in Jeruzalem daadwerkelijk werd afgebroken: na de verwoesting in 70 n.Chr. Voor de johanneïsche gemeente moeten deze woorden nog veel snijdender geklonken hebben dan voor ons, gemeente van de 21e eeuw. Het is heilzaam om bij een hedendaags verstaan van deze tekst aan die scherpte niet af te doen.

Wellicht ook interessant

Bijbelwetenschappen
Bijbelwetenschappen
Basis

Zonder tekenen en wonderen geen geloof?

Johannes 4:43-52 volgt op de ontmoeting tussen Jezus en de Samaritaanse vrouw bij de bron van Jakob. Tegelijkertijd sluit deze perikoop aan bij een eerder wonderverhaal uit dit Evangelie: het wijnwonder van Kana (2:1-12). Ook suggereert het verhaal een ontwikkeling: van geloof op grond van de tekenen van Jezus (4:48) naar geloof op grond van zijn woord (4:50). Toch blijkt de redding van de dood en het in leven houden van het kind van de ‘dienaar van de koning’, die Jezus hier aanspreekt, ook een teken.

Bijbelwetenschappen
Bijbelwetenschappen
Basis

De velden zijn wit, rijp voor de oogst

Overeenkomstig in de lezingen is de belofte voor ‘vreemdelingen en gasten’ (Efeziërs 2:19) om deel te hebben aan dezelfde toekomst als de ‘heiligen en huisgenoten van God’ (2:19). Bij Jona gaat het om ‘omkeer’ uit verkeerde levenspatronen, de andere stellen Jezus Christus centraal. In het evangelie speelt een Samaritaanse vrouw (Johannes 4:29.39) de rol van ‘zaaier’ bij de ‘oogst’ (4:37). De oogst bestaat eruit dat haar stadgenoten niet langer vanwege haar ‘woord’ (4:39 – NB) geloven, maar door ‘zijn eigen woord’ (4:41 – NB). Tweemaal klinkt een belijdenis (4:29.42).

Nieuwe boeken