Menu

Premium

De koning op de strijdwagen of die op een ezel?

Bij Zacharia 9,9-12, Romeinen 6,16-23 en Matteüs 11,25-30

Wat is de weg uit ballingschap naar bevrijding? Dit is het thema dat alle drie de lezingen gemeen hebben. Sleutelwoord in deze is vertrouwen: vertrouwen op God enerzijds, vertrouwen op afgoden anderzijds. Maar hoe onderscheiden we die?

Zacharia profeteert over de toekomstige bevrijding van Jeruzalem uit de handen van de vijand uit het noorden, Assyrië (via Tyrus en Sidon), en zuidwesten, Egypte (via Gaza). In Zacharia 9,1-2 worden de plaatsen beschreven waar het Woord van de Heer op rust. In de deuteronomistische visie op de geschiedenis van Israël en Juda is het God die de buitenlandse machten gebruikt om het volk te straffen voor dienst aan de afgoden. In Zacharia 9,10 worden paarden en strijdwagens vermeld als bezettingsmacht van Efraïm en Jeruzalem.

Strijdwagens of ruiters van Egypte?

De vermelding van deze ‘wapens’ doet denken aan 2 Koningen 18,23-24, waarin we de ‘goede’ koning Hizkia zien tegenover koning Sanherib van het Assyrische rijk. Het feit dat koning Hizkia blijkbaar ooit op strijdwagens en ruiters van Egypte had vertrouwd, om daarmee zijn verzet tegen het vazalschap van de Assyrische koning kracht bij te zetten, had op koning Sanherib eerder het effect van een rode lap op een stier. Weldra riepen zijn diplomaten de hovelingen van Hizkia op het matje om hun verontschuldigingen en loyaliteit te eisen. Hizkia en zijn hovelingen weigerden dit en bleven toch trouw aan God. Het resultaat was het Assyrische beleg van Jeruzalem, dat op wonderbaarlijke wijze door ingrijpen van God zelf werd gebroken, als beloning voor Hizkia’s trouw. Maar uiteindelijk kon Juda haar vrijheid niet handhaven door te vertrouwen op afgoden, wapens en hoge heren (die blijkbaar hand in hand gaan). De enige weg naar duurzame vrede en vrijheid voor Sion, lag volgens de profeet dan ook niet in de wapenwedloop – vertrouwen op vernuft (Zach. 9,2), paarden en strijdwagens (9,10) – maar in de koning op een ezel (9,9).

Tyrus en Sidon

Ook in Matteüs 11,21-22 worden de noordelijke havenplaatsen Tyrus en Sidon genoemd als voorbeeld voor een ander gebied, namelijk de plaatsen rondom het Meer van Gennesaret. Op hun beurt worden Chorazin, Betsaïda en Kafarnaüm weer vergeleken met Sodom. Het oordeel dat hieruit spreekt is niet mals: ‘Kafarnaüm, je denkt toch niet dat je tot in de hemel zult worden verheven? In het diepst van het dodenrijk zul je afdalen! Want als in Sodom de wonderen waren gebeurd die bij jou gebeurd zijn, dan was het tot op de huidige dag blijven bestaan. Ik zeg je dat op de dag van het oordeel het lot van Sodom draaglijker zal zijn dan dat van jou’ (11,21-24).

Waar de perikoop van deze zondag begint, is de keiharde oordeelsverkonding echter al voorbij, hoewel hij nog behoorlijk nadreunt. Dit verklaart waarschijnlijk waarom de NBV Jezus in vers 25 het woord ‘ook’ in de mond legt. Misschien wilden de vertalers de scherpe kantjes van Jezus’ eerdere woorden wat verzachten. Als om dit verband te suggereren: dezelfde Jezus die onomwonden aan degenen die op hoge heren vertrouwen en afgoden dienen het oordeel aanzegt, zegt óók (…) ‘Kom naar Mij, jullie die vermoeid zijn en onder lasten gebukt gaan, dan zal Ik jullie rust geven’ tegen de verdrukten die op God zelf hun hoop richten. Alsof het hier om een soort compromis gaat. Toch wordt hier om een keuze gevraagd: een keuze tussen verheffing in eigenwaan of onderwerping aan het zachte juk van Jezus.

Het zachte juk

In een openluchtmuseum heb ik zelf ook even met een juk op mijn schouders rondgelopen, met twee volle emmers water aan de haken. Maar het juk paste niet goed, het hout drukte onaangenaam hard in mijn nek. Hoe weldadig zou het zijn geweest om een zachter, goed passend juk te krijgen? In vers 28 en 29 lijken Jezus’ woorden aan slaven te zijn gericht, voor wie zijn leer, die gebaseerd is op solidariteit met en oprichting van de onderdrukten, als balsem voor de gepijnigde schouders is. De rollen worden omgekeerd: de hoogmoedigen worden verlaagd, de nederigen opgericht.

Wat is het juk dan, dat deze ‘slaven’ zo hard en pijnlijk in de geest drukte? In Paulus’ brief aan de Romeinen ten slotte, zien wij een richting waarin het antwoord op deze vraag gevonden kan worden. Paulus heeft het namelijk over de ‘verslavende’ werking van de zonde. Ondanks dat zonde leidt tot de dood, is het blijkbaar moeilijk te kiezen voor gehoorzaamheid aan God die tot het eeuwige leven leidt. De Romeinse gemeente leefde misschien in de illusie dat het juk in het geheel afgeworpen kon worden. Maar in werkelijkheid leidt zelfverheffing slechts tot onderwerping aan een ander juk, namelijk dat van de afgoden van overheersing en geweld.

Welk juk kies je?

Daarom hebben zowel Jezus (Matteüs) als Paulus het slechts over een andere dienstbetrekking. Jezus breekt het juk niet, maar verzacht het. Paulus zegt in vers 19: ‘Zoals u zich ooit in dienst stelde van zedeloosheid en onrecht om een wetteloos leven te leiden, zo stelt u zich nu in dienst van de gerechtigheid om heilig te leven.’

Het gaat hier dus om het inzicht op wie je moet vertrouwen – om tot duurzame vrede te komen. Dat is dus niet de keuze tussen dienstbaarheid en zelfverheffing. Die keuze is een illusie. Het gaat er veeleer om wélke dienst je kiest: stel je jezelf in dienst van, en vertrouw je op, de macht van afgoden en geweld (blijkbaar twee kanten van de zelfde medaille!) of vertrouw je op de koning op een ezel, de enige die de weg wijst naar duurzame vrede?

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken