De Levende belichaamt onze verwondingen
2e van Pasen (Jesaja 26:1-13, 1 Johannes 5:1-6 en Johannes 20:(19)24-31)
Wie niet in de gelegenheid was om op de avond van de eerste dag van de week, nu acht dagen geleden, in de vesper het evangelie van die avond te horen (Johannes 20:19-23), zal het op de achtste dag, vandaag, nog wel willen betrekken bij de lezing van het evangelie. We weten niet of het hetzelfde moment was als een week eerder, dat Jezus in het midden van zijn leerlingen, inclusief Tomas, verscheen. Wel waren de deuren opnieuw gesloten. Misschien niet meer uit vrees voor de joden, maar omdat het hart van een van hen, Tomas, nog geopend moest worden.
Ook de profetenlezing (Jesaja 26:1-13) biedt openheid, perspectief. Daar is ruimte voor een lied, er wordt gezongen in Juda! Een lied van zes verzen. Waarin een constatering wordt gedaan: ‘Wij hebben een sterke stad’ (26:1), en een oproep tot de wachters: ‘Open de poorten (…)’ (26:2), en een belijdende uitspraak: ‘De standvastige is veilig bij U’ (26:3), en een oproep: ‘Vertrouw altijd op de Heer’ (26:4), alsook nadere mededelingen over de daden van deze Heer: ‘Hij haalt neer wie in de hoogte leven (…)’ (26:5-6). Wat in deze laatste twee verzen wordt bezongen, is in 25:10-2 al concreet meegedeeld over de steden van Moab. Hoe anders is de stad in Juda, waarmee ongetwijfeld gedoeld wordt op Sion.
De Heer is een eeuwige rots
Nogmaals, het lied sluit aan bij de voorafgaande profetische mededeling betreffende de verwoesting van de steden van Moab, en biedt dus tegenwicht: ‘Wij daarentegen hebben een sterke stad, een wal, een muur, rechtvaardig volk kan hier door de open poorten naar binnen. Wie op U’ – en hier wordt plotseling de Heer aangesproken, toegezongen: ‘Wie op U vertrouwd heeft, kan naar binnen.’ En ook de luisteraars van dit lied, of de zangers, worden aangespoord: ‘Vertrouw altijd op de Heer, alleen op Hem, want de Heer is een rots sinds mensenheugenis’ (26:4).
Niet alleen in de lofzang van Maria (Lucas 1:46b-55) vinden we reminiscenties uit dit lied terug (‘Hij haalt neer wie in de hoogte leven’, 26:5a – ‘Hij stoot de hoogmoedigen van hun troon’), maar ook de toon van een aantal psalmen is herkenbaar, zeker vanaf 26:7: ‘wij gaan de paden van uw recht (…), naar U gaat ons verlangen uit (…), wij verlaten ons op U (…), alleen uw naam zullen wij prijzen.’
Water en bloed
De apostel Johannes geeft in zijn brief (epistellezing) ook opening van zaken. Na zijn heldere openingsbetoog (5:1-4), waar geen speld tussen te krijgen is, vervolgt hij vragenderwijs (mooie retoriek!): ‘Wie anders kan de wereld overwinnen dan hij die gelooft dat Jezus de Zoon van God is?’ Niemand toch! Want: ‘De overwinning op de wereld hebben wij behaald met ons geloof’ (5:4). De apostel wil zo duidelijk mogelijk stellen: Jezus is de Zoon van God. Hij is de Christus (5:1) alsook de Zoon van God (5:5). De auteur verwoordt daarmee het inzicht en de overtuiging van de johanneïsche overlevering en traditie. In het Johannesevangelie laat de auteur Tomas dan ook eindigen met eenzelfde belijdenis, de gelovige overtuiging omtrent Jezus: ‘Mijn Heer, mijn God’ (20:28).
‘Met water en bloed’ is Jezus Christus gekomen (beter dan: ‘door water en bloed’ – 1 Johannes 5:6). Dat verwijst opnieuw naar het evangelie (19:34): ‘En er kwam bloed en water uit.’ Uit zijn zijde. Bijbels gesproken is bloed leven, water de dood. Tenzij het gaat om het levende water dat ontspringt aan de levende fontein. De bedoeling van beide, water en bloed, is dat de gemeente erdoor leeft. Natuurlijk kan het bloed ook zijn kruisdood aanduiden, en het water de doop in zijn dood. Dat het bloed van Jezus ons reinigt van alle zonde verwoordde de auteur ook al in zijn openingsverzen van deze eerste brief (1:7-8).
Beloken Pasen
En dan volgt in het evangelie de volledige opening. En ook deze opening is een open-baring. De vijf wonden van Jezus’ lijden – beter gezegd: van zijn kruisiging op het kruis (vier nagels door polsen en voeten, een lans door zijn zijde) ‒ geven Tomas de ruimte waardoor hij tot zijn belijdenis kan komen. Het zijn de zichtbare tekenen van Jezus’ verwondingen, in deze Paastijd gesymboliseerd met de vijf wierookkorrels in de paaskaars. De vijf wonden doen Tomas beseffen dat de Gekruisigde dezelfde is als de Verrezene. Daar had Tomas tijd voor nodig, om dat te beseffen – acht dagen lang. Een nieuwe scheppingstijd. Hij was nog van de oude schepping, van het niet weten, van de gesloten deuren en de gesloten harten.
De evangelist schrijft voor zijn kring van beginnende gelovigen in de Messias. Wij horen en lezen mee. Wij, die de Heer liefhebben zonder Hem ooit gezien te hebben, zoals de apostel Petrus ons voorhoudt. Zie zijn eerste brief (1:8). Zo luidt ook het woord van Jezus: ‘Zalig zij die niet gezien hebben en toch geloven’ (Johannes 20:29).
Is het overigens toeval dat er sprake is van vijf wonden? We kennen de evangelist als een verkondiger die zich in zijn verhalende compositie nauw aansluit bij de joodse feesten. Zullen de boeken van Mozes dan ver weg zijn? Kijken we in de vijf verwondingen van Jezus niet ook direct in het hart van de bron van wijsheid en heilig onderricht? Openbaren zich de Schriften ook niet daarin? En de vrede die alle verstand te boven gaat? Tot twee keer toe, bij elke komst van de Heer in ons midden, schenkt Hij ons zijn vrede (20:19 en 20:26). Dit moet genoeg zijn, hoewel Hij nog veel meer tekenen gedaan heeft. Het Lam draagt niet alleen onze zonden, maar ook onze wonden. Misschien worden onze verwondingen – in welk opzicht dan ook ‒ wel veroorzaakt door onze zonden.
Deze exegese is opgesteld door Nico Vlaming.