Menu

Premium

De maaltijd als utopie van liefde

Bij Johannes 15,9-17

De perikoop die op deze zesde zondag van Pasen wordt gelezen, stamt uit een deel van het Johannesevangelie dat zijn plaats nadrukkelijk vóór Pasen heeft. Het betreft de afscheidsrede van Jezus tijdens de langste en tegelijkertijd minst vaak als zodanig beschreven maaltijdscène in het Nieuwe Testament: Jezus’ afscheidsmaal in Johannes 13-17. Hier kijkt Jezus terug op zijn ‘aardse bestaan’ en vooruit naar het leven van de leerlingen na deze periode: na zijn verheerlijking door zijn kruisiging, verrijzenis en hemelvaart.

Symbolische handelingen als de voetwassing aan het begin van deze scène (13,1-20), die een gebruik rond een Joodse maaltijd in een Grieks-Romeinse context oppakt, leggen de nadruk op onderlinge verbondenheid en dienst en zetten de toon voor wat er volgt in Jezus’ lange rede. Ook in Johannes 15,9-17 is het centrale thema ‘gemeenschap’ en wel die tussen de leerlingen onderling, tussen de leerlingen en Jezus en tussen Jezus en de Vader.

Liefhebben, vriendschap, vreugde

Twee woorden die nauw met elkaar verbonden zijn in de Griekstalige terminologie over tussenmenselijke relaties spelen hierbij de hoofdrol: ‘liefhebben’ (Gr.: agapaoo) en ‘vriendschap’, dan wel ‘vriend’ (Gr.: philos). Tegelijkertijd benadrukt Jezus ook een ander woord dat in het bredere denken over maaltijden en gemeenschap in de mediterrane wereld van zijn tijd gelukte (maaltijd)gemeenschap aangeeft: ‘vreugde’ (Gr.: chara, 15,11). Zie bijvoorbeeld Romeinen 14,17: ‘Het Koninkrijk van God is geen kwestie van spijs en drank, maar van gerechtigheid, vrede en vreugde door de heilige Geest’ (Willibrordvertaling 1995). Dit alles is van belang omdat de Grieks-Romeinse wereld, inclusief het Joodse deel hiervan, maaltijden zag als een manier om te ensceneren wat volgens degenen die deze maaltijd hielden een goede maatschappij was. Het gaat bij vroegchristelijke en dus ook nieuwtestamentische maaltijden nooit alleen om etiquette of de interne ordening van een maaltijd, maar altijd ook over ethiek en utopie in de zin van een ontwerp voor een ideale samenleving. Hierbij speelt de vraag van de interne ordening van een samenleving, c.q. de maaltijd een belangrijke rol.

Dienende liefde

Jezus zet in bij de notie van ‘liefde’ (Gr.: agapè) en gebruikt daarbij een woord dat in eerste instantie betrekking heeft op leden van een gemeenschap die het goede voor de ander willen. Jezus beschrijft de liefde van de Vader voor Hem op deze manier en – deze analogie is van groot belang – zijn liefde voor zijn leerlingen eveneens. Tegelijkertijd maakt Jezus de relatie tussen Hem en zijn leerlingen afhankelijk van hun liefhebben van elkaar, op dezelfde wijze waarop de Vader Hem en Hij de leerlingen zelf liefheeft (15,9-10). De vreugde die Jezus op deze manier op het oog heeft, is niets anders dan een uitdrukking van geslaagde gemeenschap (15,11). Op deze basis herhaalt en verdiept Jezus zijn opdracht nog een keer vanaf vers 12, geformuleerd als ‘gebod’, zoals in het Oude Testament : de leerlingen dienen elkaar lief te hebben met dezelfde liefde die Jezus hun betoond heeft en die hiervoor al symbolisch gepresenteerd is in de vorm van de voetwassing – een dienende liefde. Hij verbindt dit nu met het begrip van vriendschap en de zelfgave voor vrienden, die Hij beschrijft als de hoogste vorm van liefde. Hiermee blikt Hij in de verhaallijn van het Johannesevangelie vooruit naar zijn dood aan het kruis, die kort daarna zal plaatsvinden. In de context van het leesrooster heeft deze opmerking van Jezus eerder een terugverwijzend karakter.

Liefhebben en zelfgave is vrucht dragen

Tegelijkertijd lijkt deze opmerking van Jezus die vriendschap, liefde, en zelfgave met elkaar verbindt, ook een openbarend karakter te hebben: als het déze liefde is die Jezus aan zijn leerlingen opdraagt – hun vriendschap hangt ervan af en wel in die zin dat de liefde in deze vriendschap wederzijds moet zijn (vgl. 15,10.14) – dan betekent dit voor de leerlingen ook dat vrucht dragen, het beeld dat opeens in vers 16 een rol begint te spelen, verstaan moet worden als het liefhebben in de zin van Jezus. Deze verbinding tussen liefhebben, zelfgave, en vrucht dragen is passend en werd in het Johannesevangelie al voorbereid door verzen als: ‘Waarachtig, Ik verzeker jullie: als een graankorrel niet in de akkergrond sterft, blijft hij onvruchtbaar. Maar hij moet sterven, alleen dan brengt hij rijke vruchten voort’ (12,24). Deze beeldspraak is vooral al voorbereid door de perikoop onmiddellijk voorafgaand aan de huidige: Johannes 15,1-8. In deze gelijkenis van de wijnstok benadrukt Jezus eveneens de verbondenheid van zijn leerlingen met Hem in relatie tot hun vrucht dragen, bijvoorbeeld: ‘Laten we met elkaar verbonden blijven, jullie en Ik, want zoals een rank geen vrucht kan dragen uit eigen kracht, maar alleen als ze verbonden blijft met de wijnstok, zo kunnen ook jullie geen vrucht dragen als je niet met Mij verbonden blijft’ (15,4). Dit vrucht dragen scherpt Jezus in de huidige perikoop aan in termen van liefde en zelfgave, en hij koppelt dit in de slotverzen ervan weer terug naar de beeldspraak van 15,1-8.

Boeiend bij dit alles is het feit dat Johannes Jezus op het leven van de gemeenschap na zijn verheerlijking laat vooruitkijken in termen van een bepaalde omgang met elkaar, die weliswaar een bepaalde leer impliceert, maar die hier toch aan de formulering van die leer vooraf lijkt te gaan. Leer en leven zijn met elkaar verbonden, maar zo, dat de leer uit het leven blijkt. Getuigenis en way of life vallen zo samen in het gebod van Jezus waarmee deze perikoop afsluit: ‘Dit draag Ik jullie op: dat je elkaar liefhebt’ (15,17, Willibrordvertaling 1995). Dit elkaar liefhebben kan voortbouwen op de liefdesrelaties tussen God de Vader en Jezus en van Jezus tot zijn discipelen, en heeft als hoogtepunt de zelfgave voor de ander. Dit kan ook de homiletische – en gemeentelijke – uitdaging zijn voor deze Paastijd.

Wellicht ook interessant

Bernd Hirscheldt
Bernd Hirscheldt
Basis

Korte Metten: Wondertjes

Een van de mooiste kanten aan het vak van predikant is dat je nooit kan bepalen met wie je in contact zal komen. Dat klinkt misschien wat vreemd. Maar het is een voorrecht om met mensen te kunnen omgaan die je niet zelf hebt uitgekozen, omdat ze precies dezelfde interesses hebben of omdat ze het roerend met je eens zijn. Of omdat je een gemeenschappelijk verleden met elkaar deelt. Dat alles geeft een gevoel van vertrouwelijkheid, maar een nieuwe ontmoeting met een onbekende, iemand die in een heel andere wereld leeft, blijkt vaak veel boeiender te zijn.

Nieuwe boeken