Menu

Premium

De nauwe poort naar de nieuwe wereld

Bij Lucas 13,22-30

Gelovigen hebben doorgaans de neiging de boodschap van het evangelie allereerst op zichzelf van toepassing te laten zijn, op het eigen behoud. Nu houdt geloof een persoonlijke relatie met God in. Je moet er zelf ook aan werken die verbinding open te houden. Tegelijk brengt dat met zich mee dat wij deel zijn van een geloofsgeméénschap, waarvan de anderen ons tot steun zijn om vol te houden en ons uitdagen. Tot ‘geloofs egoïsme’ à la ‘word ik (!) wel behouden, kom ik wel in de hemel?’ kan het niet komen. In de Tenach en het evangelie wordt de gelovige direct naar de naaste, de anderen in de samenleving, verwezen. Dat naar elkaar omzien overstijgt alle door mensen getrokken grenzen. Het lijkt zinvol dit bij deze perikoop duidelijk aan de orde te stellen.

Eerder in Lucas 13 kwam het bereik van Gods heil ook al aan de orde. Uit het mosterdzaadje groeit een boom waar de vogelen des hemels (dat zijn veel soorten) in nestelen (13,19). En die joodse vrouw gebruikt ongehoord veel meel, veel meer dan haar eigen gezin nodig heeft (19,21). Een veel groter geheel moet kennelijk gegist worden. Israëls God is royaal!

De doorbraak van Gods Rijk

Ook in Jezus’ gelijkenis komt het binnen-mogen-gaan als deelnemer naar het feestmaal in Gods Koninkrijk aan de orde. Dat Rijk, de vernieuwde hemel en aarde – een vast duo in de Schrift – is een centraal thema. De angstige vraag aan Jezus ‘of er weinigen behouden worden’ (19,23) is eigenlijk een onbehoorlijke, bijna beledigende vraag, uitgerekend aan Jezus. Lucas (2,28-32) vertelt dat de oude Simeon de baby Jezus in zijn armen nam en Israëls God loofde met: ‘licht tot openbaring voor de heidenen en heerlijkheid voor Israël’. Let op de volgorde: eerst de heidenen en dan Israël! Daarin klinkt het universele van Gods heil door, dat in dit kind later volop gezicht krijgt. Jezus is als het ware de eerste burger van Gods Koninkrijk, die ons, niet-joden, het Onze Vader te bidden geeft.

Daar past geen rekenmachientje bij, om te tellen hoevelen binnen mogen gaan in de feestzaal van Gods Koninkrijk. Alleen onze vogelbescherming telt de vogelen des hemels uit ’s werelds landstreken. Zoals een goede herder zijn schapen telt, om die te behouden. De vraag ‘hoevelen’ is een beperkende vraag van een angstige gelovige, die exclusief denkt. Dat is ‘doodzonde’, allereerst voor die man zelf. Jezus pakt hem direct fel aan met de goede raad: strijd jij maar met heel je inzet om door de smalle deur te komen. De Heer laat de abstracte vraag liggen en spitst zijn antwoord helemaal persoonlijk toe. Misschien opdat die man, als hij zelf verzekerd is van zijn eigen behoud, niet voor zichzélf een poort wijd open ziet staan.

De deurwachter

Het leven is ons geschonken om hier op aarde, in verantwoordelijkheid aan God en de mensen, onze kwaliteiten in te zetten en er een zinvol bestaan van te maken. God houdt ons voor toerekeningsvatbaar en gaf ons zijn leefregels erbij hoe met elkaar en met de schepping om te gaan. Ons leven is geen voorbereiding op of toelatingsexamen voor de hemel. Wij zijn medeplichtig gemaakt, medeverantwoordelijk voor de inrichting van de samenleving. Dat is onder woorden gebracht met het beeld van het laatste oordeel. Dat eindoordeel is niet gerechtigheid als kille Justitia. Het laatste woord is aan Gods liefde, zoals wij die in de Tora en in Jezus Christus ontmoeten. Dat is geen terechtstéllen, maar een terechtbréngen. Het gaat om heel maken van het geschondene en vertrapte. Dat doet de messiaanse koning (Ps. 72). De heer des huizes (Luc. 13,25) duidt hier meer op Jezus dan op de Here God. De afgewezene wordt aangerekend en voorgehouden dat hij de gerechtigheid, die bij het Rijk van God hoort, voor zich uit schuift door die niet nú in praktijk te brengen. Die beoordeling speelt élke dag!

Waar het op aankomt

Het criterium, de norm van recht en onrecht, is niet het gelóóf in een uiteindelijk ‘uitroepteken’, een voltooiing door God van de geschiedenis, door een majesteitelijke ingreep van de Eeuwige in de verre (?) toekomst. Deze gelijkenis van Jezus over een voor sommigen nog gesloten deur naar de nieuwe wereld, maakt duidelijk dat ons eigen leven en onze samenleving nú, elke dag, beoordeeld en geijkt worden. De norm daarbij is het mens-zijn, de rechtvaardigheid en omgang met de Grote Ander waaraan Jezus gestalte gaf. Daarom staat Hij (!) bij die gesloten deur de afgewezenen te woord te staan. De gelijkenis zegt niet dat zij voorgoed, voor eeuwig, afgeschreven zijn. Soms spreken oudtestamentische godsmannen een scherp oordeel uit over Israël. Maar de intentie van elke rechter is: na de straf de veroordeelde weer een nieuwe kans te geven en weer op te nemen in de samenleving. Die visie stoelt op de intenties van de Grote Rechter, ten diepste geworteld in Zijn genegenheid voor de mensen, die bedoeld zijn als Zijn kleine bondgenoten.

Ons past het niet om vragen te stellen bij de reikwijdte, de wereldbrede en hemelhoge genade van God. Jezus was er niet van gediend, Hij stond uitnodigend open voor wie oprechte zoekers proberen te zijn naar gerechtigheid.

Kern van ons godsvertrouwen is het komen van Gods Rijk voor héél de wereld. In dat kader komt pas de vraag aan de orde naar ons persoonlijk behoud. Erop vertrouwend dat in dat wereldomspannend gebeuren ook wij meegenomen zullen worden.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken