De regels en de vrijheid
Bij Matteüs 5,33-48 en 1 Korintiërs 3,16-23
Normen en waarden
Het is voor pastores niet eenvoudig om je normen en waarden zo te formuleren dat het niet gaat knellen, maar dat het ook niet te vrijblijvend wordt. Misschien zijn de gevestigde kerken er wat te makkelijk in, vermijden ze morele problemen door ieder maar vrij te laten om zelf uit te maken wat goed is en wat verkeerd. Dat blijkt voor velen, met name jongeren, allesbehalve aantrekkelijk te zijn. Kerken en gemeenschappen met een duidelijk profiel lijken het vaak beter te doen. Maar een gemeenschap die de vrijheid geproefd heeft, wil ook niet meer terug. Het boeiende is, dat Jezus zelf niet eenvoudig te vatten is onder termen als liberaal of conservatief.
Jezus en de halacha
Een makkelijk mens is Jezus niet geweest. Met het heikele thema van de geboden van de Tora ging Hij niet altijd behoedzaam om. Soms is Hij het wel eens met de schriftgeleerden, bijvoorbeeld die ene die de Tora terugbracht tot het dubbele liefdesgebod. Op andere momenten is Jezus zeer eigenzinnig en provoceert Hij de autoriteiten op halachisch gebied: Hij geneest mensen op de sabbat, staat het toe dat de leerlingen op de sabbat aren lezen. Ook gebruikt Hij de maaltijd met onreinen: hoeren en zondaars. Hij kan ook zeer radicaal en veeleisend zijn, zoals in het evangelie van deze zondag.
Verwarrend
Dat zal weleens verwarrend geweest zijn voor de leerlingen. Waar moeten ze zich nu aan houden? Hoe leert Jezus zijn leerlingen dat ze moeten leven? Hetzelfde dilemma geldt voor de hoorders en lezers van de Bijbel vandaag. De Tora geeft dan wel vele richtlijnen voor het joodse volk, maar het Nieuwe Testament pretendeert niet dat deze zomaar voor de christenen uit de volkeren van toepassing zijn. Zelfs de Tien Geboden, die in vele kerken op muren en borden staan uitgeschreven, worden bij ons goyim niet onverkort gehandhaafd. Denk maar aan de sabbat en het afbeeldingenverbod. Jezus, die als jood vooral tegen joden sprak, gaat al een eigen weg.
‘En Ik zeg jullie…’
In de Bergrede horen we Hem diverse keren zijn eigen leer stellen tegenover de geboden van de Tora: ‘Jullie hebben gehoord dat er gezegd werd…’ en dan komt er een leefregel van de Tora. Waarop Jezus steeds aansluit met: ‘En Ik zeg jullie: …’ (NBV), waarop zijn eigen leer volgt. In andere vertalingen (SV, NBG ’51, NB) staat: ‘Maar Ik zeg u…’ Het Griekse egoo de laat beide vertalingen toe. Als we een Aramese grondtekst of mondelinge overlevering van het Q-materiaal veronderstellen, ligt het nog meer voor de hand om met ‘en’ te vertalen. Toch zou ik, vanwege dat nadrukkelijke egoo en vanwege de tegenstelling die toch wel vaak in het tweede deel besloten ligt, eerder voor ‘maar’ kiezen. Jezus legt niet alleen uit, Hij interpreteert de Tora niet, zoals de schriftgeleerden, de rabbijnen dat vaak heel conscientieus deden, maar Hij leert op eigen gezag. Eigenzinnig en gewaagd. Voor Jezus’ volgelingen wordt het er niet makkelijker op, want het is nu ook weer niet zo dat Jezus in de Bergrede of ergens anders een volledige leer geeft, een soort alternatief voor de Tora, een nieuwe set morele waarden en leefregels. We hoorden Hem vlak voor deze perikoop ook zeggen: ‘Denk niet dat Ik gekomen ben om de wet of de profeten af te schaffen.’
Geen nieuwe wet
Dat had Hij ook niet voor ogen; het was Jezus er nooit om te doen een nieuwe godsdienst te stichten met een nieuwe godsdienstige wet. Wat Hij doorgaf en voordeed, was te leven in het licht van het komende Koninkrijk van God. Hij leerde zijn leerlingen bidden: ‘Uw Koninkrijk kome.’ Zo leven, alsof dat ieder moment kan gebeuren. Hopen op een oordeel, op een rechter die het goede goed en het kwade slecht zal noemen, op een nieuw begin dat daarmee mogelijk wordt. Het verwachten van God die komt regeren. Dat kleurde het leven van Jezus, daardoor kon Hij tegelijk allerlei regels relativeren en radicaal zijn. Daarom telt voor Hem de mens en niet de sabbat.
Het is geen nieuwe wet die Jezus leert, want Hij kent de mensen maar al te goed. Zodra er een wet is, gaan mensen zoeken naar manieren om onder die wet uit te komen. Ze speuren naar mazen in het net en zetten de regels naar hun hand. Ze berekenen hun voordeel en verzinnen vrome smoesjes. Leven zoals Jezus dat leert, met het oog op Gods komende Koninkrijk, is iets heel anders. Geen uitvluchten, geen berekening, niet het op een akkoordje gooien met de regels. Hij laat zijn leerlingen geen nieuwe Tora na, maar een nieuwe radicaliteit, die tegelijk ook een grote vrijheid geeft.
Kerkelijke wetten
Die nieuwe godsdienst, het christendom, is er toch gekomen. En, zoals dat gaat in de geschiedenis, er kwam ook een nieuwe wet. In de loop der eeuwen zijn er christelijke schriftgeleerden geweest die alles in een systeem ondergebracht hebben. Er ontstonden christelijke plichten, vastenwetten, kledingvoorschriften, bepalingen rond de geldigheid van de sacramenten en wat al niet.
Begrijpelijk is dat wel, want als gemeenschap wil je afspraken maken om te weten waar je aan toe bent. Zo werkt het. En veel daarvan is zelfs ook goed doordacht en waard om bewaard te worden. Maar wil de kerk profiel houden, iets te zeggen hebben, dan moet ze vooral dat harde, kernachtige evangelie bewaren van de Bergrede, de woorden van die profeet uit Galilea, die zijn ogen open had voor de toekomst van God. Hij stelt zijn hoorders voor de keuze: geef je je leven over en kom je achter Mij aan, of niet? Als je dat doet, kun je in principe ook zonder regels en geboden, want je bent volkomen vrij.
Zoals Paulus het zegt: ‘Alles is van u; of het nu Paulus, Apollos of Kéfas is, wereld, leven of dood, heden of toekomst – alles is van u. Maar u bent van Christus en Christus is van God’ (1 Korintiërs 3,21-23).