Menu

Premium

De rol van Israël in de prediking

Homiletisch artikel, Israëlzondag

Israëlzondag

Het hart van de ene kerkganger gaat sneller kloppen, het hart van de ander stokt bij het horen van deze naam en wil in één adem ‘Palestina’ vermeld horen. In de jaren ’60 van de vorige eeuw was Israël in de kerk een lieveling, nu is het invullen van een Israëlzondag een hachelijk avontuur en zien predikanten er als een berg tegenop.

In deze bijdrage even geen analyse van antisemitisme. Als je de studie van Chris Quispel, Anti-Joodse beeldvorming en Jodenhaat. De geschiedenis van het antisemitisme in West-Europa gelezen hebt, heb je het wel even gehad met de kerk.[1] Het onderwerp van dit essay gaat een paar stappen terug en wordt exegetisch en theologisch aangevlogen om het antwoord op de volgende vraag helder boven tafel te krijgen: ‘Komt Israël op een of andere manier nog in de zondagse liturgie voor, en hoe?’

Het gaat daarbij om wat ik maar de ‘lokale theologie’ noem. Je kunt tellen, hoe vaak je een woord als Israël tegenkomt, maar daar schiet je niet zoveel mee op. Je moet woorden, zinnen en verbanden wegen in hun context en dan komt de vraag bovendrijven waar de meeste pijn zit. Waarom kan niet meer wat in de ’60 jaren nog wel kon, van harte zelfs: Israël zien als uitverkorene, met de vraag wat dat betekent en wat je eraan hebt.

Zegen

Centraal staat de tekst uit Genesis 12: 1-3, waar JHWH tegen Abraham[2] zegt:


‘Ga jij uit je land, uit je bakermat, uit je vaderhuis naar het land dat ik je zal laten zien.

Ik zal je tot een groot volk (goj!) maken en je zegenen en je naam groot maken; wees een zegen!

Ik zal zegenen wie jou zegenen en wie slecht over je spreekt, zal ik vervloeken.

En in jou zullen alle families van de aardbodem gezegend worden/zich gezegend weten.’

De vertaling ‘Wees een zegen!’ maakt de landbelofte tot een opdracht in plaats van een ‘erfenis’. De NBV21 vertaalt de opdracht weg. De NBG51 vertaalde: ‘Gij zult tot een zegen zijn’. De NBV21: ‘Ik zal je zegenen’.

Veel Oudtestamentici beschouwen de Masoretische tekst hier corrupt. Het bevel of de opdracht een zegen te zijn wordt niet passend, op zijn minst onlogisch gevonden. Het is altijd lastig als je modale werkwoorden nodig hebt, maar met de vertaling: ‘Jij moet / zult een zegen zijn’ kan ik goed leven. De LXX vertaalt zo ook. In de Masoretische tekst staat nu eenmaal een imperatief; en deze is uitgangspunt. Bovendien is in de tekstkritiek de stelregel: lectio difficilior probabilior, ofwel: de moeilijkste lezing is de meest waarschijnlijke. Ik heb er allerlei Joodse vertalingen bij gehad; ook die van Benno Jacob en die heeft ook ‘Sei Segen’.

Thora-Artikel over Israëlzondag 2024-foto van Falco op Pixabay
Centraal staat de tekst uit Genesis 12: 1-3, waar JHWH tegen Abraham zegt om tot een zegen te zijn. Foto van een Thorarol van Falco op Pixabay.

Verkiezing, Gods reddingsplan, in etappes

JHWH roept Abraham. Eigenlijk moeten we nog een stapje terug: naar de oerfamilie. Het begint bij Terach, de vader van Abraham, die zijn misjpoge in beweging brengt uit Oer Kasdiem richting Kanaän, maar ze komen niet verder dan Haran, in Syrië.[3] Daar blijft een deel van de familie hangen, al raakt de familie niet direct uit het zicht. Het zal nog bruiden leveren aan de familie in Kanaän.

In Kanaän

De gehalveerde misjpoge komt in Kanaän aan. Ook Lot, de zoon van Haran, die als vijfde wiel aan de wagen meegaat. Het toegezegde land valt zwaar tegen: er is hongersnood en Abraham en Sara trekken naar Egypte. Hier is een bepaalde manier van vertellen: er wordt een miniverhaal verteld waaruit straks parallel de maxi-geschiedenis zal groeien. Het land is in hongersnood en men moet naar Egypte om te overleven. Maar bij terugkomst ziet het er niet beter uit voor Abrahams bet-av, zijn vaderhuis. ‘Het land verdroeg niet dat Abraham en Lot er samenwoonden’ lezen we in Genesis 13:6. Taalkundig is een bewuste (?) fout gemaakt: ‘het land’ is vrouwelijk en ‘verdroeg’ staat in een mannelijke vervoeging. Dat gaat slecht samen, tenzij je de rabbijnen volgt, die uitleggen dat de mannen van het land het niet verdroegen, dat Abraham en Lot er samenwoonden, zoals de Kanaänieten en de Perizzieten die worden genoemd. Er moet weer gesneden worden in de familie. Lot kiest ervoor om te vertrekken. Hij vindt het land niet veelbelovend.

Nakomelingen

Na de gebrekkige kwaliteit van het land komt het tweede deel van de belofte aan de orde: een groot nakomelingschap, een goj gadol. Daar komt niets van terecht. Abraham adopteert zijn knecht Eliëzer als zoon, maar JHWH wijst deze deal af: het kind moet uit Sara geboren zijn. Dan volgt een stap van Sara, die haar slavin Hagar (‘de vreemdeling’) als draagmoeder aanbiedt. Er wordt onmiddellijk een zoon verwekt en geboren -de gojiem zijn vruchtbaar tegenover het onvruchtbare Israël-, maar is dit kind de zoon die JHWH heeft bedoeld? Opnieuw: nee. Het kind moet uit Sara geboren worden.

Gods roeping en belofte: ondanks … tóch!

En dan volgt een tekst die misschien de vreemdste uit de Thora is: ‘JHWH bezocht Sara, zoals Hij had gezegd, en JHWH deed aan Sara wat Hij had beloofd, en Sara werd zwanger en baarde aan Abraham een zoon in zijn ouderdom.'[4]

Zoals het hier geformuleerd is, wordt verondersteld dat Abraham de vader van Isaak is. Dat is natuurlijk niet zo. Het wordt wel op een heel intieme manier aangevlogen. De auteur wil zeggen: Isaak is helemaal het idee van JHWH. Zijn naam betekent ‘lachertje’ en hij is de belofte van een groot nageslacht op zijn scherpst: bizar om je toekomst te bouwen op een kleurloze en wat lachwekkende figuur als Isaak.

Maar ook nu wordt weer gesplitst: Hagar en Ismaël worden weggestuurd. Isaak blijft over. De selectie gaat nog door; de twaalf zonen van Jakob: er moet slechts één overblijven en dat is niet Jozef, de stamvader van het noordelijke koninkrijkje Israël, maar Juda!

Samengevat

Genesis vertelt het verhaal van de scheiding van de volken: Lot, Hagar, Ismaël, maar ook de elf stammen. De context van het verhaal is de Judese ballingschap, in Oer Kasdiem. Met daarbij de vraag of je dit land de moeite waard vindt en wat dit land je doet. Of je voldoende Judeeërs hebt om een levensvatbaar bestaan op te bouwen in Judea. Juda/Judea stelt altijd teleur. Het is een kansloze transito-staat, die in het niet valt bij Egypte, Assyrië of Babylonië. Het in de psalmen zo intens bezongen maar ook kaalgeplukte land was na het Edict van Cyrus niet aantrekkelijke genoeg om je er te vestigen en uit het zicht van de ballingen geraakt. Dat betekent dat de samenstelling van de Joodse bevolking (ná de ballingschap, de exil, ga je pas van Joden spreken in plaats van Judeeërs) tamelijk eenzijdig is geweest: mensen met veel belangstelling voor de traditie en daarin voor de Thora die in deze tijd zijn huidige vorm kreeg.

Priesterlijke Schriftgeleerden als Ezra hebben de godsdienstige samenleving van de teruggekeerde ballingen vormgegeven. De Hebreeuwse tekst die wij gebruiken, vertegenwoordigt de opvattingen van de priesterlijke bovenlaag van de Joden van na de exil, van na 536 v. Chr. in Jeruzalem dus, wie ook aan de Bijbeltekst bijdroeg. De Middeleeuwse rabbijnen die later vocalen en leestekens toevoegden, hebben ook aan uitleg toegevoegd.

De vraag is, hoe deze boven geschetste lijnen ons in kerk en synagoge dichter bij elkaar brengen. Ik kies er één uit: uitverkiezing. Ik houd me voorlopig even bij de Hebreeuwse Bijbel. Een woord als ‘uitverkoren’ komt in het Nieuwe Testament vaker voor dan in het Oude Testament. Dat tekent niet de inhoud, wel de belangstelling.

Uitverkiezing tot …

Wat opvalt is, hoe verkiezing werkt. Een voorbeeld: de priesters zijn een uitverkoren groep met een opdracht, om JHWH te dienen en te zegenen in de naam van JHWH (Deuteronomium 21:5). Jozua 24:22 gaat een stap verder: daar wordt JHWH door Israël uitgekozen om Hem te dienen. Dat uitkiezen is geen slag in de lucht, maar leidt een bepaalde taak in. Het gaat om méér dan een klus, méér dan corvee.

Wat is dan de taak van Abraham en de zijnen? Dat zit voor mij in de opdracht die Abraham in 12:3 ontvangt: ‘Wees een zegen’. Er staat een imperatief. Buber vertaalt ‘Werde ein Segen’.[5] In de NBV21 is het zinnetje ‘Wees een zegen’ dus weg vertaald. Helaas, want het lijkt mij de kern. Abraham gaat met de zegen van JHWH op stap. De zegen neem je niet onder je arm mee. Je moet dus niet zozeer een zegen hebben, maar je moet een zegen zijn. Een mooi voorbeeld is het recente boek van Wim Beuken ‘De duurzame werking van Gods zegen voor Abraham in zijn nakomelingen.’[6] Hij schetst de gang van de zegen door de tocht van Abrahams kinderen. Op allerlei plekken wordt de zegen herkenbaar en benoembaar.

Verder met de zegen

Zijn er rechte lijnen te trekken vanuit de Thora, of het OT, naar nú? Zijn er begrippen rechtstreeks uit de Bijbel af te leiden, alsof de Bijbelse wereld ook onze wereld is? De vraag is, hoe je er in het huidige tijdgewricht mee uitkomt. Er is zeker een geestelijke strijd rond het spreken over ‘Israël’ nu. Mijn invulling zou niet liggen in ‘loodlijnen uit de Thora’ wat je daarmee ook bedoelt. Dan maak je een hermeneutische sprong, die je niet verantwoorden kunt.

Het gaat erom dat je met die zegen verder komt, in dit geval dichter bij elkaar in de kerk. Niemand is eigenaar van de zegen, alsof je er als enige recht op hebt. We kunnen het vergeten zinnetje ‘Wees een zegen’ omarmen; en gelukkig ontdekken dat met name de psalmen het geloofsgoed van Israël met een zekere innigheid hebben omarmd. Psalmen raken mijn ziel. De Psalmen nemen een algemeen menselijke tragiek en liefde mee. Dat bedoel ik met innigheid. De Reformatie heeft dat goed aangevoeld. Bijvoorbeeld in Psalm 25:7 in de berijming van 1773! ‘Gods verborgen omvang vinden, zielen waar zijn vrees in woont…’ In de nieuwe vertaling is vrijwel dezelfde tekst opgenomen.

Piet van Midden is gemeentepredikant in de PKN en was universitair docent Hebreeuws in Tilburg.

Voetnoten

[1] C. Quispel, Anti-Joodse beeldvorming en Jodenhaat. De geschiedenis van het antisemitisme in West Europa, Hilversum 2015 (Uitgeverij Verloren)

[2] Ik schrijf Abram, ook waar de tekst Abraham heeft, na c. 17.

[3] Oer Kasdiem, Ur der Chaldeeën, is niet zo’n toevallige naam. Het is de specifieke aanduiding van het Babel dat Jeruzalem zou verwoesten en de Judeeërs zou wegvoeren in ballingschap. Daaruit wordt Abraham geroepen.

[4] Genesis 21:1-2

[5] M. Buber/F. Rosenzweig, Die Schrift, Heidelberg 1976 t.p. (Lambert Schneider Verlag)

[6] W.A.M. Beuken, De duurzame werking van Gods zegen voor Abraham in zijn nakomelingen, Amsterdam 2024 (ACEBT supplement series 20)


Lees ook het artikel van Bert Aalbers: Preken op Israëlzondag 2024.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken