Menu

Premium

De schaduw van Petrus

Handelingen 5:12-16

Jeruzalem in de jaren 30. De apostelen komen met regelmaat bijeen in de zuilengang van Salomo. De eerste gemeente van Christus-gelovigen groeit. Er gebeuren veel ‘tekenen en wonderen’ door de apostelen, de verwachtingen in Jeruzalem worden steeds groter. Direct toegang krijgen tot Petrus of een van de anderen lijkt moeilijk en zo brengt men de zieken op ‘draagbedden en matrassen’ naar buiten. Misschien dat op z’n minst Petrus’ schaduw op hen zou vallen en hen zou genezen. Aldus Lucas in Handelingen 5:12-16. Een verbluffende tekst. Wil Lucas dat de lezer deze tekst als uitingsvorm van geloof beschouwt? Aanvaardt hij dat er magische krachten van de apostelen verwacht worden? Bij nader inzien blijkt dat deze tekst in het Nieuwe Testament minder uniek is dan vermoed.

Johannes werd in 349 na Christus in Antiochië in Syrië geboren en was in dezelfde stad presbyter van 386 tot 398. Hij had een uitstekende opleiding in de retorica ontvangen en de toen verworven vaardigheden kwamen hem in zijn preken zeer van pas. Al gauw werd hij bekend om zijn welsprekendheid en in de zesde eeuw kreeg hij daarom de bijnaam Chrysostomos – ‘Guldenmond’. Dat hij zo graag gehoord werd, was echter niet alleen een gevolg van zijn retorische bekwaamheid. Ook zijn manier van uitleg sprak de mensen aan. Hij stond in de traditie van de Antiocheense school die bijbelse passages in hun literaire tradities en historische contexten bestudeerde en met behulp van grammatica en retorica benaderde. Deze zorgvuldige analyse van teksten moest voor Johannes in dienst staan van de praktische toepassing in zijn preken. Aan de grote dogmatische vraagstukken en discussies van zijn tijd leverde hij nauwelijks een bijdrage. Hij wilde vooral de boodschap van het evangelie in praktijk gebracht zien. Vaak gaat het in zijn preken om vragen van gedrag; een van zijn belangrijkste onderwerpen is de nood van de mensen aan de schaduwkant van de samenleving.

Preken over Petrus

Veel van Johannes’ homilieën zijn bewaard gebleven. Homilieën zijn preken die niet een bepaald thema als vertrekpunt hebben, maar die vers voor vers de bijbeltekst langslopen, deze uitleggen en toepassen. Zowel in zijn homilieën over de brief aan de Romeinen uit zijn Antiocheense tijd als in zijn homilieën over het boek Handelingen uit de jaren als patriarch van Constantinopel (398 tot 403) heeft Johannes het een aantal keren over de schaduw van Petrus. Kennelijk had de in Handelingen 5:15 beschreven hoop op Petrus’ schaduw zo veel indruk op hem gemaakt dat dit vers hem ook bij de uitleg van andere bijbelboeken voor ogen stond. Soms ligt zijn uitleg verrassend dicht bij resultaten van moderne benaderingen, hoewel hij een aantal vandaag gebruikelijke exegetische methodes nog niet kende. Op andere punten komen vraagstukken die vandaag een rol spelen bij het lezen van de tekst, niet eens in hem op. Misschien zijn sommige discussiepunten veeleer vragen van onze tijd dan aan de tekst inherente vraagstukken.

Wie de Griekse tekst van Handelingen 5:15 leest, ziet zich geconfronteerd met het probleem dat de werkwoorden ‘naar buiten brengen’ en ‘(op draagbedden en matrassen) leggen’ geen expliciet onderwerp hebben. Wie zijn dan degenen die van Petrus’ schaduw genezing verwachten? Het lijkt voor de hand te liggen dat het gaat om de grote van recent tot geloof gekomen mensen uit het onmiddellijk voorafgaande vers 14. Maar zou Lucas echt gedacht hebben dat de situatie in de eerste gemeente zo anoniem was dat de gelovigen geen mogelijkheid meer hadden om op een directere manier in contact te komen met de apostelen? Dit past niet helemaal bij het beeld dat de eerste hoofdstukken van het boek Handelingen schetsen. Wel sluit de verwachting van genezing door Petrus goed aan bij het beginvers van deze perikoop (12), waar over de wonderen gerept wordt die zich ‘door de hand van’ de apostelen onder ‘het volk’ voltrekken. Na twee tussenopmerkingen spreekt Lucas in vers 13 opnieuw over ‘het volk’: ‘Er was veel lof voor de apostelen bij het volk.’ Op die manier ontstaat een plausibele verhaallijn: de door de apostelen volbrachte wonderen tot veel lof – en tot de hoop dat deze wonderkracht ook in Petrus’ schaduw aanwezig is. In dit geval brengt dus niet de groep van nieuw bekeerden hun zieken op de straten, maar de grotere kring van ‘het volk’ te Jeruzalem. Deze openheid van de Griekse tekst wordt goed aangevoeld en zorgvuldig weergegeven door de Willibrord-vertaling (‘Zelfs droeg men…’); de Nieuwe Bijbelvertaling legt uitsluitend verband met de recent tot geloof gekomen mensen (‘en ze legden zelfs…’) – en schiet daarmee tekort.

Bijgeloof?

De volgende vraag is: hoe beoordeelt Lucas deze hoop en hoe wil hij dat zijn lezers deze hoop beoordelen? De verwachting van genezing door de schaduw van Petrus – zou Lucas dat niet als bijgeloof bestempelen? Want hij is op andere plekken nadrukkelijk gespitst op een duidelijke scheiding tussen de wonderen door de apostelen en vormen van magie binnen de Grieks-Romeinse godsdienst. In de episode met Simon Magus (Hand. 8:9-13) of tijdens Paulus’ verblijf in Lystra (14:15-18), in Paulus’ preek in Athene (17:2223), bij het incident met de zonen van Skevas (19:1120) en de gebeurtenissen op Malta (28:1-10) – nergens blijft onduidelijk waar de lezer geloofsuitspraken, opvattingen of magische praktijken als vreemd aan het geloof aan Christus moet beschouwen. Anders is het hier in Handelingen 5:15. Wanneer Lucas deze hoop had willen toeschrijven aan de recent bekeerden, staat de beschrijving ‘tot geloof gekomen’ direct naast de verwachting op genezing door Petrus’ schaduw en moet deze dan dus als uitingsvorm van dit geloof worden opgevat. Maar als de grotere kring van ‘het volk’ wordt bedoeld, is er geen woord dat kritiek door Lucas zou kunnen suggereren.

Summaria

Dat Lucas de hoop op genezing door Petrus’ schaduw niet als afkeurenswaardig beschouwt, blijkt ook uit de literaire vorm van Handelingen 5:12-16. Want Lucas vertelt zijn geschiedenis van de verspreiding van het geloof ‘tot aan de uiteinden van de aarde’ (1:8) volgens een duidelijk stramien: hij wisselt af tussen episoden en zogeheten ‘summaria’, samenvattende passages. Telkens weer zoomt hij in op enkele gebeurtenissen of incidenten die hij vrij uitgebreid vertelt. Tussen deze episoden last hij summaria in. Het eerste gedeelte van Handelingen (2:1-41), dat in Jeruzalem speelt, bevat vijf episoden: het Pinksterverhaal met Petrus’ preek (2:1-40), de genezing van de verlamde man bij de tempel en de gevolgen (3:1-4:31), het verhaal van Ananias en Saffira (4:36-5:11), de gevangenneming en bevrijding van de apostelen alsmede hun verschijnen voor het Sanhedrin (5:17-42) en het Stephanusverhaal (6:1- 8:3). Drie summaria (2:42-47; 4:32-35 en 5:12-16) verbinden deze episoden door aan de ene kant terug te kijken naar het voorafgaande en tegelijkertijd vooruit te wijzen naar het volgende verhaal. In onze tekst generaliseren de ‘tekenen en wonderen’ (5:12) wat de lezer in de episoden omtrent de verlamde man en Ananias en Saffira heeft gelezen. Tegelijkertijd levert het ‘succes’ en de populariteit van de apostelen het motief voor de volgende arrestatie door de hogepriester en de Sadduceeën: jaloezie (5:17-18).

Deze summaria in Handelingen hebben hun voorbeeld in de summaria in de evangeliën. Ook hier wordt tussen concrete verhalen vaker samenvattend over Jezus’ activiteit verteld. Toen Lucas zijn evangelie samenstelde, volgde hij meestal de verhaallijn van Marcus – met uitzondering van Marcus 6:458:26 (de zogenaamde ‘grote weglating’). Dit gedeelte van Marcus bevat een summarium dat in verschillende opzichten op Handelingen 5:15-16 lijkt. De mensen in de streek van Gennesaret reageren op Jezus net als de bewoners van Jeruzalem op de apostelen. Zij dragen zieken op ‘matrassen’ naar Jezus (6:55), waarheen hij ook gaat. In de dorpen en gehuchten waar Jezus komt, brengen zij de zieken naar buiten op het plein (Mar. 6:56). In beide gevallen kent het summarium een hoogtepunt dat op dezelfde manier onder woorden gebracht wordt. De mensen in het evangelie roepen Jezus om in aanraking met hem te komen ‘al was het maar’ met de kwast van zijn mantel (Mar. 6:56). De mensen in Jeruzalem willen dat de zieken dicht bij Petrus komen ‘al was het maar’ dat zijn schaduw op hen viel. Inhoudelijk is dit hoogtepunt in beide gevallen een hoop die onder verdenking van geloof in magie zou kunnen komen. Bij Marcus wordt deze hoop met geen enkel woord berispt. Integendeel. De vrouw met de bloedvloeiingen die Jezus’ mantel aanraakt, wordt door Jezus uitdrukkelijk geprezen – voor haar geloof (Mar. 5:34). Gezien de analogieën van beide teksten lijkt het niet vergezocht te stellen dat Lucas zich door het patroon van Marcus’ summarium heeft laten inspireren toen hij zijn summarium in Handelingen 5 samenstelde. Zou Lucas dan op het laatste punt van zijn model afwijken en de hoop op genezing door Petrus’ schaduw niet als geloof beschouwen?

De visie van Chrysostomos

Chrysostomos kende de letterkundige terminologie van de huidige exegese nog niet. Hij vergeleek geen summaria met elkaar om hieruit zijn conclusies voor de interpretatie te trekken. Maar toch aarzelt hij geen moment om de hoop op Petrus’ schaduw als geloof te duiden. Het idee dat er sprake zou kunnen zijn van bijgeloof lijkt niet eens in hem op te komen. ‘Groot was het geloof van hen die toenadering zochten, groter dan ten tijde van Christus’, schrijft hij in zijn twaalfde homilie over Handelingen 4:36-37. Net als veel moderne uitleggers is Chrysostomos zich er van bewust dat de verwachting van een genezing door Petrus’ schaduw uniek is in de bijbelse traditie. Dit besef vertolkt hij in een ‘groter dan’-relatie: het geloof van de bevolking van Jeruzalem ten tijde van de apostelen overtreft de vormen van geloof in de evangeliën. ‘Dit was in de tijd van Christus niet gebeurd’, verwoordt hij dezelfde gedachte over Handelingen 5:15 eerder in dezelfde homilie. Op een geheel andere weg komt dus ook Chrysostomos uit op een vergelijking met de toestroom tot Jezus in de evangeliën.

Met behulp van een evangelie lukt het Chrysostomos ook om deze grotere verwachtingen en massale genezingen in Handelingen 5:12-16 te begrijpen. Volgens Johannes 14:12 zei Jezus immers zelf: ‘Waarachtig, ik verzeker jullie: wie in mij gelooft, zal de daden die ik verricht, ook zelf verrichten; ja nog grotere zal hij verrichten.’ Voor Chrysostomos getuigt dus niet alleen de verwachting van genezingen door de schaduw van Petrus van geloof. Ook de feitelijke genezingen door zijn schaduw zijn een gevolg van Petrus’ geloof. In de achtste homilie over de brief aan de Romeinen schrijft hij over Paulus:

Het geloof had hem een ander mens gemaakt. Het geloof was zo overvloedig in hem aanwezig dat zelfs zijn kleren grote kracht hadden. Op welk excuus zouden wij aanspraak kunnen maken als van die mannen zelfs de schaduwen en de kleren de dood verdreven, maar onze gebeden niet eens onze emoties kunnen bedwingen?

Het reppen over ‘schaduwen’ is duidelijk een allusie op Handelingen 5:15. Door zo Petrus’ schaduw en de kleren van Paulus, preciezer gezegd de ‘zweetdoeken’ en de ‘gordeldoeken’ (NBG 51), naast elkaar te zetten, blijkt hoe nauwkeurig en met hoeveel inzicht Chrysostomos de bijbelse tekst heeft bestudeerd. Want een van de literaire principes van Lucas in het boek Handelingen is een soort parallellie tussen de twee grote apostelen. Duidelijk domineert Petrus de hoofdstukken 1 tot 12 en is Paulus het hoofdpersonage in de hoofdstukken 13 tot 28. Wat zij zeggen, maar ook wat zij meemaken lijkt sterk op elkaar. Zo zijn er grote overeenkomsten tussen de inhoud van hun preken of redevoeringen. Beiden zijn betrokken bij de genezing van een verlamde (3:1-10 en 14:8-10) en bij de opwekking van een dode (9:36-42 en 20:7-12). Beiden worden op een wonderbaarlijke manier uit de gevangenis bevrijd (12:5-9 en 16:23-26), beiden krijgen te maken met magiërs (8:9-24 en 19:13-17), beiden ondergaan lichamelijke bestraffingen (zweepslagen 5:40, steniging 14:19). Dat ook Petrus’ schaduw en Paulus’ zweetdoeken elkaars tegenhangers zijn, maakt Lucas duidelijk door de vormgeving van zijn tekst. Want opbouw en formuleringen van 19:11-12 herinneren duidelijk aan 5:12-16. Beide passages beginnen met de opmerking dat genezingen en andere wonderen ‘door de handen’ van de apostelen respectievelijk Paulus gebeuren, waarmee misschien (maar niet noodzakelijk uitsluitend) handopleggingen bedoeld kunnen zijn. Met hetzelfde voegwoord (‘zodat men zelfs’) wordt vervolgens het hoogtepunt ingeleid, namelijk de (hoop op) genezingen zonder direct contact met het lichaam van de apostel.

Voor de lezers van evangeliën én Handelingen staan nu al drie teksten naast elkaar die samenvattend genezingen en andere wonderen noemen en eindigen met de verwachting van indirecte genezingen door middel van contact met kleren, schaduw of zweetdoeken van de genezer. Jezus, Petrus en Paulus komen in één lijn te staan.

Hoe vreemd het idee van een genezing door aanraking met een schaduw op het eerste gehoor mag klinken – het is niet helemaal uniek in de wereld van het Nieuwe Testament. Genezing door aanraking met Jezus’ kleren en genezingen of exorcismen door Paulus’ zweetdoeken zijn soortgelijke denkbeelden. Dit soort verwachtingen van Jezus of zijn apostelen gelden in het Nieuwe Testament als uiting van geloof. Tot zover het resultaat van het eerste gedeelte van dit artikel. In het tweede gedeelte gaat het nu wél specifiek om de voorstelling van de schaduw als vorm van aanwezigheid van de ‘schaduwgever’.

Griekse invloeden

Met het woord schaduw verbinden zich in onze tekst een aantal associaties waarvan de oorsprong voor een groot deel in de voorstellingen van de Griekse oudheid ligt. Allereerst – en dit is eigenlijk een algemene waarheid – heeft schaduw met identiteit te maken. Een schaduw is onlosmakelijk gekoppeld aan de gever van deze schaduw. Dit geldt voor voorwerpen, dieren en mensen. In de Griekse literatuur kan de hoedanigheid van de ziel in de onderwereld, dus na de dood, als ‘schaduw’ worden beschreven. Deze schaduwen zijn identificeerbaar: elke schaduw hoort bij een concreet aan te wijzen persoon. Dit gebruik van het woord schaduw is niet neutraal, het heeft een pejoratieve connotatie. Want het bestaan als schaduw is een mindere vorm van bestaan; de lichamelijkheid van de levende mens ontbreekt. Zo klaagt bijvoorbeeld Sophocles’ Electra, met in haar handen de urn met de vermeende as van haar broer, dat het hun beiden slecht gezinde lot hem in deze vorm aan haar heeft teruggegeven – namelijk als ‘as en nutteloze schaduw in plaats van het beminde uiterlijk’ (Electra 1156-1159). Ook de schaduwen van voorwerpen zijn vergeleken met de voorwerpen zelf minder en minderwaardig. Plato beschrijft in zijn beroemde allegorie van de grot hoe de mens in de waarneembare wereld van alledag slechts schaduwen ziet van de echte, hogere werkelijkheid (Politeia VII, 514A-520A). Ook hier geldt: tussen schaduw en schaduwgever bestaat een band van identiteit. Elke schaduw die de mens in zijn grot kan zien hoort bij een concreet aan te wijzen voorwerp, maar toch is hij een mindere vorm ervan, want de lichamelijke werkelijkheid ontbreekt.

Op deze en verwante denkbeelden werd niet alleen in de Griekse filosofie voortgeborduurd. Ook in het Nieuwe Testament zijn soortgelijke voorstellingen terechtgekomen. Hebreeën 8:5 beschrijft de tempel te Jeruzalem als een ‘schaduw’ van het hemelse heiligdom; en volgens Kolossenzen 2:17 zijn voorschriften met betrekking tot eten, drinken en feestdagen slechts een ‘schaduw’ van de werkelijkheid van Christus. Beide aspecten van schaduwen – identiteit en geringere waarde – staan ook op de achtergrond van onze tekst: het gaat om de schaduw van een concreet aan te wijzen persoon, van Petrus, en daarom heeft de schaduw ook kwaliteiten van juist deze persoon, maar toch is het contact met Petrus’ schaduw slechts een mindere vervanging voor een ontmoeting met Petrus in zijn volledige lichamelijkheid. Aangezien het veel te druk is in de straten om met het lichaam van Petrus in aanraking te komen, beperken de mensen hun hoop. Ze nemen genoegen met de wens ‘dat toch ten minste de schaduw van Petrus hen zou overschaduwen’.

Bijbelse context

‘Dat de schaduw zou overschaduwen’ – inderdaad gebruikt Lucas in Handelingen 5:15 het betekeniselement ‘schaduw’ zowel als zelfstandig naamwoord als in het samengesteld werkwoord. Het effect is dat ook wanneer een lezer de tekst slechts oppervlakkig leest, zijn aandacht op dit betekeniselement gevestigd wordt. Beschikt deze lezer verder over enige leeservaring in het Nieuwe Testament, dan voelt hij misschien aan dat verwezen wordt naar de weinige andere perikopen waar het werkwoord ‘overschaduwen’ in het Nieuwe Testament gebruikt wordt. Dit gebeurt ten eerste in het verhaal van Jezus’ gedaanteverandering. Marcus vertelt dat er een wolk kwam die ‘hen’ (d.i. óf Jezus, Elia en Mozes óf Petrus, Jakobus en Johannes, óf beide groepen) overschaduwde. Uit de wolk klonk Gods stem die Jezus tot zijn geliefde zoon verklaarde naar wie de discipelen moesten luisteren (Mar. 9:7). Toen Marcus dit verhaal onder woorden bracht, stonden hem hoogstwaarschijnlijk de laatste verzen van het boek Exodus in een Griekse versie voor het oog. Want daar ‘overschaduwt’ een wolk de tabernakel en de ‘majesteit van de HEER’ vult de tent (Ex. 40:35). In beide teksten wordt de aanwezigheid van God in een wolk verondersteld; en beide teksten kunnen zo gelezen worden dat de schaduw – als het ware het verlengde van deze wolk – de overschaduwde mensen of voorwerpen in aanraking brengt met de aanwezigheid van Gods majesteit. Matteüs en Lucas nemen het woord ‘overschaduwen’ over in hun versie van Jezus’ gedaanteverandering (Mat. 17:5 en Luc. 9:34). Daarnaast zijn er slechts twee verzen in het Nieuwe Testament die gebruikmaken van dit werkwoord, en beide zijn door Lucas geschreven. Een van deze verzen is Handelingen 5:15. Het andere gaat over de ontvangenis van Maria. Op Maria’s kritische vraag hoe het mogelijk zou zijn dat zij zwanger wordt zonder met een man te hebben gevreeën antwoordt de engel: ‘De heilige Geest zal over u komen en de kracht van de Allerhoogste zal u overschaduwen’ (Luc. 1:35). Door ‘overschaduwd’ te worden zal Maria in aanraking komen met Gods aanwezigheid. Het lijkt alsof het woord overschaduwen in het Nieuwe Testament en vooral bij Lucas bijna een ‘vakterm’ is voor de bemiddeling tussen God en mensen of voorwerpen op aarde: waar direct contact met God niet mogelijk is omdat God te heilig is voor een onverhulde ontmoeting met de mens, kan deze afstand overbrugd worden door het overschaduwen. Als dit klopt, zou Handelingen 5:15 een variatie hierop kunnen zijn. In Petrus is Gods kracht aanwezig die mensen geneest; wanneer deze bron van goddelijke kracht door omstandigheden niet direct toegankelijk is, kan Gods genezende kracht ook door het werpen van een schaduw overgebracht worden op een zieke.

Antropologisch gezien

Ten slotte kan het denkbeeld van een schaduw als verlengde van een persoon, zijn karakter, of beter: zijn energie benaderd worden vanuit de culturele antropologie. Al meer dan vijfendertig jaar geleden heeft Pieter van der Horst in zijn artikel ‘Peter’s Shadow’ licht laten vallen op de godsdiensthistorische achtergrond van Handelingen 5:15 door een grote hoeveelheid voorbeelden te verzamelen van het verband tussen schaduw en ziel respectievelijk persoon(lijkheid) in verschillende culturen. Ik zal me hier beperken tot enkele voorbeelden uit de oudheid. In een van de weinige bewaard gebleven fragmenten van zijn tragedie Thyestes laat de Romeinse dichter Ennius (3e/2e eeuw v.Chr.) zijn Thyestes zeggen:

O vreemdelingen, kom niet dicht bij mij. Blijf waar u bent en voorkom dat een aanraking met mij of mijn schaduw goede mensen schade toebrengt. Een zodanig misdadige energie kleeft aan mijn lichaam (Cic. Tusc. III 12:26).

Het concept van ‘lichaam’ dat aan dit fragment ten grondslag ligt, komt in meer dan één aspect overeen met wat hierboven voor het Nieuwe Testament en met name voor Lucas werd geschetst. Ook hier veronderstelt de schrijver dat aan een lichaam een bepaalde kracht vastzit die door aanraking of contact met de schaduw van dit lichaam kan overgaan op een ander. Dit doet onmiddellijk denken aan de ontmoeting van Jezus met de vrouw met bloedvloeiingen, juist die perikoop dus die zich al eerder had aangediend als tekst met aan Handelingen 5:15 verwante denkbeelden. ‘Iemand heeft mij aangeraakt’, zegt Jezus in Lucas 8:46. ‘Want ik heb energie van mij voelen uitgaan.’ Ook andersom werkt het principe: wat een schaduw wordt aangedaan, heeft gevolgen voor degene bij wie de schaduw hoort. Een geschrift onder de naam van Aristoteles dat allerlei van horen zeggen bekende wonderbaarlijke verschijnselen verzamelt, rept over een soort hyena’s in Arabië die mensen roer- en sprakeloos maakt door op hun schaduw te treden (De mir. ausc. 145). Via de schaduw zouden deze hyena’s dus invloed hebben op de gezondheid van een mens, alleen gaat het dan om de schaduw van degene die ‘ziek’ gemaakt wordt en niet over de schaduw van degene die de ziekte veroorzaakt. De analogie is dus minder sterk dan in het eerste geval. Een link tussen schaduw en gezondheid wordt verder gelegd in teksten die de lengte van een schaduw als indicatie voor iemands gezondheid beschouwen. Kortom, er bestond in de oudheid een reeks ideeën over de samenhang tussen schaduw en schaduwgever, waaronder de verspreiding van een bepaalde energie die een mens eigen is via zijn schaduw. Deze denkbeelden waren bekend, maar hadden niet de status van algemeen aanvaarde voorstellingen. Want waar ze in de literatuur een plek konden veroveren, gebeurde dit zoals gezien in verzamelingen van moeilijk te geloven verschijnselen, werden zij door de schrijver als bijgeloof bestempeld of belandden zij in de mond van personages in tragedies waar overdrijvingen qua taal en denkbeelden bij het literaire genre horen.

Schaduw als vloek en zegen

In de hierboven aangehaalde teksten wordt de mens vaak bedreigd door een gevaar van andermans schaduw, de lengte van zijn eigen schaduw of een dier dat in zijn schaduw stapt. De met een vloek beladen Thyestes bijvoorbeeld vreest dat zijn misdadige energie zelfs bij contact met zijn schaduw besmettelijk zou kunnen zijn. In het geval van Petrus’ schaduw is dit juist andersom: wie ermee in aanraking komen valt de genezende kracht van God in Petrus ten deel. De schaduw van een apostel hoeft niet gevreesd te worden. Opnieuw ligt de overeenkomst met de vrouw met de bloedvloeiingen voor het grijpen: terwijl reinheid volgens veel concepten een kwetsbaar goed is dat steeds tegen besmetting met onreinheid verdedigd moet worden, is Jezus’ reinheid juist zo agressief dat de onreinheid van de vrouw met bloedvloeiingen ervoor moet bezwijken.

Literatuur

C.K. Barrett, A Critical and Exegetical Commentary on the Acts of the Apostles (International Critical Commentary), Edinburgh: T&T Clark 1994-1998.

M.A. Co, ‘The Major Summaries of Acts. Acts 2,42-47; 4,32-35; 5,12-16. Linguistic and Literary Relationship’, Ephemerides Theologicae Lovanienses 68 (1992), 49-85.

J. van Eck, Handelingen. De wereld in het geding (CNT), Kampen: Kok 2003. P.W. van der Horst, ‘Peter’s Shadow. The Religio-Historical Background of Acts v. , New Testament Studies 23 (1976-77), 204-212.

D. Marguerat, Les Actes des Apôtres (1-12) (Commentaire du Nouveau Testament 5a), Genève: Labor et Fides 2007.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken