Menu

None

De slaap van de rede brengt monsters voort

Lieven De Maeyer over Paul Kingsnorths Tegen de Machine

Sleeping monsters van John Hamilton Mortimer
Sleeping monsters van John Hamilton Mortimer. Bron: Wikimedia Commons.

In Tegen de machine waarschuwt Paul Kingsnorth zijn lezers voor de totalitaire macht van big tech. We moeten ons verzetten tegen de Machine die ons ten diepste ontmenselijkt. Maar wat bedoelt Kingsnorth precies met ‘de Machine’? En hoe ontsnappen we eraan, als dat inderdaad wenselijk is? Filosoof Lieven De Maeyer richt zijn pijlen op het boek en geeft een scherpe analyse. Hij trekt het Machine-rookgordijn van Kingsnorth op en beziet nauwkeurig wat erachter ligt. Dat plaatje blijkt niet zo fraai.

Met Tegen de machine heeft Paul Kingsnorth, voormalig milieuactivist en nu zelfverklaard ‘reactionair radicaal,’ een kwaad boek geschreven. Zoals de titel suggereert, is het een boek dat ergens tegen is. Wellicht belangrijker is dat Tegen de Machine ook een gevaarlijk boek is. Dat gevaar schuilt erin dat hij ook ergens voor is, maar hij laat het aan de lezer om dat bij elkaar te puzzelen. Hieronder verslag van een paar dagen puzzelwerk.

Een geestelijke strijd

Laat ik beginnen met wat er goed is aan Tegen de Machine. Kingsnorths woede is niet helemaal onterecht en doorheen het boek wijst hij op een heleboel werkelijke en ernstige problemen. Zo is het stuitend dat de klimaatsverandering onverminderd voortgaat, ondanks de waarschuwingen die wetenschappers en activisten al decennia de wereld insturen, en intussen de meest kwetsbaren onder ons treft; dat kostbare ecosystemen worden verwoest, traditionele levenswijzen van de kaart geveegd, en dat in een tijdperk van vooruitgang en technologische ontwikkeling mensen in het Zuiden de facto als slaven moeten werken; dat de democratie wankelt onder druk van enkele instabiele superrijken, en economische belangen het steeds meer winnen van humanistische waarden in het onderwijs en de zorg. Kingsnorth doorprikt genadeloos het vooruitgangsoptimisme dat deze ontwikkelingen van een ideologie voorziet, en wijst overtuigend op de ecologische, culturele en menselijke kost van die ‘vooruitgang.’

Op dat vlak zegt Tegen de Machine natuurlijk ook weinig nieuws. Kingsnorths ambities reiken echter verder dan de verkondiging van deze inconvenient truth. Hij vindt namelijk dat zijn voorgangers, de onderzoekers en activisten die al lang de verstrengeling van klimaat en kapitaal aankaarten, de bal misslaan op een cruciaal punt. Door zich te beperken tot wetenschap, economie of politiek, ontgaat hen waar het volgens Kingsnorth echt om gaat: “de crisis van de moderne wereld is geen crisis van technologie, politiek of broeikasgassen, het is een geestelijke strijd. De Machine representeert onze ultieme rebellie tegen de natuur: tegen de werkelijkheid zelf.” (p. 248) Voor Kingsnorth zijn onze huidige problemen symptomen van een diepere, onderliggende spirituele crisis die het Westen – en via de globalisering intussen de hele wereld – in haar greep heeft. De oorsprong en het drijvende principe achter die crisis noemt hij ‘de Machine.’ Dáár is hij tegen. Daar draait het werkelijk om.

Een machine die altijd overal is

Kingsnorth vindt sporen van die Machine terug in bijna alle aspecten van het moderne leven, in de politiek, economie, religie, seksualiteit, maar zijn centrale boodschap is vrij eenvoudig. We mogen ons niet langer blindstaren op de symptomen van onze spirituele malaise – de doorgedreven technologisering, de klimaatcrisis, extreme consumptiedrang – nee, we moeten die bij de wortel aanpakken, dat wil zeggen: verzet plegen tegen de Machine. Haar saboteren.

Prima. Maar wat is die Machine? Je verwacht dat een boek tegen de Machine zou vertrekken van een helder idee over de Machine. Daar begint het schoentje te knellen. Doorheen het boek verschuift de betekenis van de “Machine” namelijk nogal. Ik doe een snelle grabbel in het aanbod. Aan het begin van het boek is de Machine een ander woord voor de moderniteit, maar dan wel “niet zozeer als tijdperk, maar als het verhaal dat we onszelf vertellen” (p. 37). Wat het ‘tijdperk’ van de moderniteit precies onderscheidt van het ‘verhaal’ van de moderniteit legt Kingsnorth niet uit. Later is de Machine ook “groei,” “economie” of “vooruitgang” (p. 47). Iets verderop is ze dan weer een “neiging die zich binnen in ons bevindt” (p. 55). Ook is de Machine enerzijds “een sacraal object, een betovering” (p. 57), en anderzijds net de “schending van een sacrale, heilige wereld” (p. 240). Ze heeft “waarden” (p. 58) en een eigen “theologie” (p. 225), maar streeft wel naar “pure immanentie” (p. 232). Er is sprake van een Machinetijdperk dat in de vroegmoderne tijd aanvangt (p. 82), of al bij Duns Scotus of Maarten Luther (p. 87-88), of eigenlijk al in het Oude Egypte, Babylon, Soemerië en Rome (p. 58). De Machine manifesteert zich verder ook in het feminisme, in zowel kapitalisme, communisme als fascisme, in de hedendaagse identiteitspolitiek, in het transgender- én het transhumanisme, maar evengoed in de smartphone en de tv, in de piramides, in de Covid-maatregelen en in de oproep van de Britse overheid om minder brandhout te gebruiken.

Een precieze definitie van de Machine krijgen we dus niet. Wel krijgen we de indruk dat ze overal is. De Machine woekert in de politiek en de economie, in onze psychologie, in onze voeding en onze smartphones, in het onderwijs en de zorg (denk vaccins, trackers en microchips). Kingsnorth voelt zich langs alle kanten belaagd en meent overal de onheilspellende tekenen van deze ongrijpbare Machine te herkennen. Zijn analyse neigt daarbij soms naar het paranoïde: het internet is een ‘web’ om prooien te vangen (p. 127), progressief links vandaag doet hem aan de Maoïstische Culturele Revolutie denken (p. 163), en we worden belogen door een samenzwering van staat en media (bv. p. 132 en 289). Zulke passages verraden een duidelijke affiniteit met de conspirituality die sinds de pandemie een hoge vlucht genomen heeft, waarin complotdenken en spiritualiteit hand in hand gaan. Dat is niet toevallig. Tijdens de pandemie publiceerde Kingsnorth in eigen beheer enkele veelgelezen ‘vaccin-sceptische’ essays. In heel wat opzichten is Tegen de Machine een beter verkoopbare uitloper van dat project.

Zulke passages verraden een duidelijke affiniteit met conspirituality

De mythe van de sacrale orde

Hoewel ook paranoia soms gevaarlijke vormen kan aannemen, schuilt het werkelijke gevaar van Tegen de Machine toch nog elders. Een eerste puzzelstukje vinden we in hoofdstuk één, waarin Kingsnorth de scheppingsmythe van de Machine vertelt. Die gaat ongeveer zo: tot aan de Verlichting baadde het Westen in een christelijke religiositeit die elk aspect van het menselijke leven vormgaf en bezielde. De middeleeuwse wereld was doordrongen van betekenis, omdat het christendom de mens “het grotere plaatje van de wereld [gaf] – haar structuur en betekenis, en de plaats die wij mensen erin bekleden” (p. 25). De hoogmoedige geesten van de Verlichting hebben echter deze sacrale orde proberen te vervangen door wetenschap en “het eenzijdige, lege en al te rationele humanisme.” In die poging is de christelijke sacrale orde haar vanzelfsprekendheid verloren: “het Westen was het christendom, maar het christendom is niet meer. […] Ons rest een cultuur zónder een sacrale orde.” (p. 26)

Het sacrale vacuüm dat zo ontstond, moet de mens nu zelf invullen. Daarbij ontstond de Machine, of kreeg die de overhand – ze was namelijk ook al in de piramides te vinden. We hebben geprobeerd, zo parafraseert Kingsnorth de filosoof MacIntyre, om “een nieuwe mens Na God te fabriceren, waarin een nieuw moreel besef (niet langer eeuwig van aard of verantwoording schuldig aan een hogere macht) de basis zou vormen van cultuur en individu.” (p. 29) Die poging, aldus Kingsnorth, is faliekant mislukt omdat ze op menselijke leest geschoeid was en dus “geen alternatief voor een hoger doel” kon bieden. En zonder “een verbindend hoger doel – met andere woorden, zonder een sacrale orde – vervalt een samenleving tot emotivisme en relativisme, om ten slotte uiteen te vallen.” (p. 29-30). Het humanisme is, opnieuw volgens Kingsnorth, uitgelopen op een cultus van de persoonlijke voorkeur, die op haar beurt geleid heeft tot “schaamteloze hebzucht […], volslagen seksuele vrijheid [en] de herschepping van het menselijk lichaam.” (p. 28)

Deze analyse – die ik bewust een mythe genoemd heb – schiet op héél wat punten tekort, maar ik pik er hier één belangrijke tekortkoming uit. Die wordt duidelijk zodra we in Tegen de Machine op zoek gaan naar een concrete invulling van die sacrale orde of dat “grotere plaatje.” Want daarvan zijn in de voorbije tweeduizend jaar heel wat versies geproduceerd, die elkaar al eens durfden tegen te spreken. Wat het Westen betreft – want daarover heeft Kingsnorth het – zou je verwachten veilig te zitten bij de theologie van een Augustinus van Hippo of Thomas van Aquino, zonder twijfel de meest invloedrijke kerkvaders. Maar nee: hun werk legde al de grondslag voor het machinedenken en de afbraak van de sacrale orde (p. 87). Bij de Reformatie dan? Luther of Calvijn? Nee, om dezelfde reden. Misschien bij een Schotse dwarsdenker als Duns Scotus? Idem. Ondanks de nostalgie naar de middeleeuwen, haalt Tegen de Machine middeleeuwse denkers enkel aan als voorlopers van de Machine. Het westers-Christelijke “plaatje” dat we tot onze scha en schande verloren zijn, blijft bij Kingsnorth eigenlijk een onbeschreven blad.

Eerder dan een historische periode zijn de middeleeuwen voor Kingsnorth een mythische Gouden Tijd, waarin het hele leven baadde in een niet nader bepaalde transcendente orde. Hij ziet de middeleeuwse mens als iemand die alles van God ontving en in een goddelijke gloed als vanzelf harmonieus samenleefde met de rest van de schepping. Die ontvangende houding steekt dan scherp af tegen de moderne Machinemens, die te arrogant is om nog iets van God te aanvaarden en liever alles zelf doet, met alle gevolgen van dien. Deze simplistische tegenstelling is de mythische ondergrond van Kingsnorths maatschappijkritiek. Simplistisch, omdat het christendom in de middeleeuwen, net als vandaag, een levende traditie was, een traditie die het leven en het denken van de mensen weliswaar vormgaf, maar op haar beurt óók voortdurend door het leven en het denken werd gevormd. Dat laatste erkennen zou echter de mooie tegenstelling tussen middeleeuwse ontvankelijkheid en Machine-menselijke activiteit onderuithalen, en daarmee ook Kingsnorths hele kruistocht tegen de moderniteit. Vandaar liever een mythe van een middeleeuwse Gouden Tijd, ook al moeten alle historische middeleeuwers eruit gebannen worden.

De tekst gaat verder onder de afbeelding.

De slaap van de rede brengt monsters voort van Francisco Goya
De slaap van de rede brengt monsters voort van Francisco Goya

Tegen de rede

Dat Kingsnorth ervoor kiest om zijn lezers een mythisch eerder dan een historisch beeld van het premoderne christendom te geven, hoeft niet te verbazen. Hij heeft het namelijk niet zo op met de rede, die hij “een fictie” noemt. (p. 79). Antirationalisme: dat is puzzelstukje twee. De rede, die de werkelijkheid objectiveert, opdeelt en uiteindelijk onderwerpt, leidt volgens Kingsnorth als vanzelf tot de verschrikkingen van de Franse Terreur, de Goelag en Auschwitz, verschrikkingen die allemaal te danken zijn aan de overmoedige mens die met de ratio de werkelijkheid en de geschiedenis naar zijn hand wilde zetten. Vandaag staat de rede meer dan ooit centraal in de verschijningsvormen van de Machine: de technocratie en de digitalisering, de idee van de ‘maakbaarheid’ van de mens (transgenderisme en transhumanisme), en het ecomodernisme dat in verdere technologische ontwikkeling een oplossing voor de klimaatsverandering ziet. Allemaal machinale dwaalsporen die enkel tot de volledige instorting van het Westen kunnen leiden, aldus Kingsnorth. Het rationele Westerse project is een vreselijke mislukking gebleken, en we zouden ons dus beter weer bezighouden met “oudere manieren van zien en spreken” – met mythen dus (p. 79).

Ook hier loopt Kingsnorth er flink de kantjes vanaf, maar hij zet tegelijkertijd met één elegante beweging zijn critici buiten spel. Om de gaten in zijn pleidooi tegen de rede aan te wijzen, zou ik namelijk moeten ingaan op de verschillende vormen die het rationalisme in de geschiedenis heeft aangenomen. Ik zou moeten wijzen op het onderscheid tussen intellect en ratio, tussen zuivere, instrumentele en kritische rede. Ik zou moeten stilstaan bij terminologie, details en dubbelzinnigheden. Ik zou moeten uitleggen dat zijn kritiek op de rede tot op zekere hoogte óók redelijk is. En hoe preciezer mijn tegenargumentatie zou worden, hoe gemakkelijker Kingsnorth ze naast zich neer zou leggen. Het zou namelijk een kritiek zijn die voortkomt uit het rationele machinedenken dat objectiveert, opdeelt en onderwerpt. 

Met zijn verwerping van de rede schrijft Kingsnorth zichzelf dus in feite een vrijbrief om irrationeel te zijn: om denkfouten te maken en zichzelf tegen te spreken zonder daarbij aan coherentie te verliezen. Elke vergissing of slordigheid kan namelijk meteen gerecupereerd worden als een daad van verzet tegen de hoogmoedige rede. Dat zijn passages over Duns Scotus in wezen zwakke parafrases zijn van een studie die geen enkele Scotus-specialist serieus zou nemen, doet er dus niet echt toe. Dat hij beweert dat Marx Freud bekritiseerde (p. 182) – hoewel Marx al jaren dood was toen Freud begon te schrijven – zal voor zijn aanhangers evenmin afbreuk doen aan zijn cultuurkritiek. En wie, zoals ik hier, op zulke fouten wijst, loopt het risico prompt te worden weggezet als te rationeel, vervreemd van het echte leven, een dienaar van de Machine.s

Kingsnorths anti-intellectualisme werkt dus als een verdedigingsmechanisme, maar hij gaat er ook regelmatig mee in de aanval. Academici, wetenschappers, specialisten: door de wildgroei van hun ratio staan ze allemaal aan de kant van de Machine. Ook hier kan Tegen de Machine zijn schatplichtigheid aan een “vaccin- en corona-sceptisch” discours moeilijk verhullen, waarin experts geregeld werden afgeschilderd als collaborateurs van een totalitair regime. Kingsnorths animositeit tegen de academische expert gaat bij momenten dan ook vrij ver. Zo citeert hij goedkeurend een passage die intellectuelen voorstelt als vijanden van het volk (p. 156) en vergelijkt hij het kritische discours van de “linkse elite” met een kolonisatie van het Europese volk: “het woord ‘dekolonisatie’ heeft twee letters te veel.” (p. 154) Enige kritische en historische nuance zou hier niet misstaan.

Kingsnorths anti-intellectualisme werkt als een verdedigingsmechanisme

Tegen politiek

Het is intussen wellicht al duidelijk: Kingsnorth is zonder nuance anti-woke. Schuilt daarin nu het gevaar van Tegen de Machine? Niet helemaal. Toegegeven, zijn opmerkingen over transgenderisme als een aanval op de natuur zijn geen toonbeeld van inlevingsvermogen. Zijn spottende uitlatingen over Pride-maand als “een uitdijend pseudo-religieus festival […] vernoemd naar de grootste zonde in de christelijke wereld,” (p. 246) zijn minstens ongepast en eigenlijk onverantwoordelijk, zeker in het licht van de aanslag op 26 juli tijdens Pride in Berlijn. Maar om te begrijpen waarom Tegen de Machine een gevaarlijk boek is, ontbreekt er volgens mij nog één extra puzzelstukje.

Met zijn kritiek op woke leunt Kingsnorth duidelijk eerder naar de rechterzijde van het politieke spectrum. Omdat hij ook een groene jongen is, wekt dat enige verbazing. In hoofdstuk veertien neemt Kingsnorth daarom de tijd om zijn politieke positie uit te leggen, die we één van ‘transcendente neutraliteit’ kunnen noemen. Zijn redenering is min of meer de volgende: omdat al onze huidige crisissen, de politieke incluis, teruggaan op de spirituele crisis die ontstaan is met het verlies van de sacrale orde, heeft het geen zin om politiek een kant te kiezen. Zowel links als rechts zijn namelijk slechts radertjes in de grote Machine die enkel maar vooruit wil en wil groeien. “Welke kant moeten we dan kiezen? Is er een links zonder progressie? Een rechts zonder kapitalisme? […] De politieke categorieën waarover we elkaar bestrijden, zijn producten van het Machinetijdperk.” (p. 166). Links, rechts, progressief, conservatief… ze begrijpen allemaal niet dat ze feitelijk de Machine dienen. Elke ideologie speelt uiteindelijk de Machine in de kaart. Verzet tegen de Machine moet zich dus buiten het politieke spectrum wagen.

Kingsnorth keert zich daarom tegen de moderne politiek als zodanig. Naast het anti-intellectualisme loopt er daarmee ook een antidemocratische lijn door Tegen de Machine. Beide komen treffend samen in zijn lofzang op de monarchie: “Een monarchie is irrationeel, niet commercieel, onverklaarbaar mystiek en belichaamt een overgedragen traditie. Daarmee is het [sic] naar huidige, verkrampte maatstaven zeer ‘ondemocratisch.’ Toch slaagt de monarchie er beter in om de geest van een natie te vertegenwoordigen dan welke verkozen politicus, beroemdheid, expert of filosoof dan ook.” (p. 202). In tegenstelling tot de democratisch verkozen leider, belichaamt de vorst op mystieke wijze de “geest van het volk” en een “overgedragen traditie.” In naam van die traditie plaatst Kingsnorth zichzelf nadrukkelijk buiten het gangbare politieke spectrum: “Wanneer men mij vraagt aan welke kant ik sta, dan zeg ik tegenwoordig dat ik aan de kant van een oudere traditie sta.” (p. 166)

Net als bij de eerder genoemde sacrale orde dringt zich ook hier de vraag op over welke traditie het dan precies gaat. Van Kingsnorth krijgen we enkel dit: “Het is een traditie die geen ideologische positie kiest, maar een daadwerkelijke positie: op aarde, onder de hemel, omgeven door mensen die weten waar de zon ’s morgens opkomt, waar ze vandaan komen en waar ze heen gaan.” (p. 166-167) Dat is erg mooi gezegd, maar ik zou er de democratie niet voor opgeven. Dit antidemocratisch traditionalisme is puzzelstukje drie.

De puzzel leggen

Met Kingsnorths afwijzing van de democratie komen we duidelijk in gevaarlijkere wateren. Laten we dus nu de puzzelstukjes eens samenleggen en kijken welk plaatje er verschijnt. Kingsnorth claimt een neutraliteit – of een transcendentie – ten opzichte van zowel links als rechts, in naam van een oudere traditie. Die traditie verbindt hem met een sacrale orde en een volksgeest die aan de Machinemoderniteit voorafging, belichaamd in de mythe van een middeleeuwse Gouden Tijd. Dat die nooit als zodanig bestaan heeft, is voor Kingsnorth geen bezwaar, omdat een rationele kritiek op het mythologisch denken zelf een verschijningsvorm van de Machine is. Teruggaan naar de oude traditie betekent dat je terug aanknoopt bij “oudere manieren van zien en spreken” en dus die hoogmoedige ratio achterwege laat. Geloven in je eigen verbeelding wordt zo een daad van verzet tegen de Machine.

Dit alles lijkt mij om minstens twee redenen gevaarlijk. Ten eerste sluit het je op in je eigen gelijk. Als de rede per definitie wordt gewantrouwd, verdwijnt de openheid voor kritiek en dialoog. Wie zich liever door het verhaal dan het argument laat overtuigen, loopt als gauw verloren tussen de mooiste leugens. Nog problematischer is dat deze houding je isoleert van wat er in de echte wereld gebeurt. De wereld brandt, maar elke poging om politiek of technologisch in te grijpen is een nieuwe valstrik van de Machine. Jij weet wel beter. Dus doe je niets. Je bidt en tuiniert wat. De sacrale orde doet de rest. Je bent verlost van het ongemak van de empathische blik, van het verlangen om iets concreet te betekenen voor de lijdende ander. Je leeft in de zelfverzonnen mythe van de Gouden Tijd. In de slotpagina’s van Tegen de Machine klinkt dat als volgt: “Als we geen groot einddoel hebben – zeg, ‘de wereld redden’ – dan wordt het allemaal een stuk gemakkelijker. De aarde draait nog altijd. Er zijn kerken. Gebed werkt. De natuur geeft en neemt. De zonsondergang is fenomenaal. Er is armoede, dood en onrecht. Er zijn wonderen en er is een vreemde, reddende liefde. Het is er allemaal nog.” (p. 316) Veel zijn ze er niet mee geholpen, de boer die lijdt onder de klimaatsverandering of het kind dat in een sweatshop moet werken. Maar toegegeven, het is wel “allemaal een stuk gemakkelijker.”

Het eerste gevaar bestaat dus uit een spirituele legitimering van het status quo. Ondanks de verbolgen toon van Tegen de Machine, zet Kingsnorth zijn lezers uiteindelijk aan om vrede te nemen met dingen die onaanvaardbaar zouden moeten zijn. Het tweede gevaar van het boek is ernstiger. De ‘transcendente neutraliteit’ die hij verdedigt – zijn apolitieke traditionalisme – is namelijk helemaal niet zo neutraal. Kingsnorth mag dan wel geloven dat hij spreekt in naam van een apolitieke Traditie, in de echte wereld zijn veel van zijn standpunten – zoals de verwerping van de democratie – niet boven, maar aan de uiterste einden van het politieke spectrum te vinden. Door zijn ‘traditie’ en zijn ‘sacrale orde’ vaag en onbepaald te houden, werpt Kingsnorth een rookgordijn van neutraliteit op dat hem toelaat om bijna ongemerkt een hoop concrete reactionaire politieke standpunten binnen te loodsen.

Dat gaat vrij subtiel. Eerst krijgt hij zijn lezers aan boord met een aantal oncontroversiële observaties. Er is een zingevingscrisis in het Westen. We consumeren eigenlijk te veel. We zouden allemaal wat meer voeling met de natuur mogen hebben. Is het niet jammer dat we veel van onze tradities verloren zijn? Hier is niets schokkends en vrijwel niets politieks aan. Maar plots worden die algemene standpunten bijna terloops heel wat concreter. Leven volgens de natuur wordt verzet tegen LGBTQ en feminisme. Zingeving wordt irrationalisme en verwerping van de moderne wetenschap. Van daar is het maar een kleine stap naar weerstand tegen vaccins en staatsonderwijs. Aandacht voor voorouderlijke tradities glijdt geleidelijk af naar een onkritische heldencultus (geen heldinnen te bespeuren in Tegen de Machine) en de minimalisering van koloniaal onrecht. Je vindt het allemaal in Tegen de Machine, al dan niet succesvol verborgen onder een mantel van gemakkelijk verteerbare (want bewust inhoudsloze) spiritualiteit.

Daarin schuilt het werkelijke gevaar van Tegen de Machine: het verdedigt extreme standpunten onder het mom van ongevaarlijke observaties en met de autoriteit van een Traditie. Kingsnorth is niet de enige die dit doet: sinds de pandemie is de pijplijn van alternatieve spiritualiteit naar reactionaire politiek een veel bereisd pad. Waar dat uiteindelijk zal uitkomen, weet ik niet. Maar we zouden er verkeerd aan doen het gevaar weg te wuiven. Tegen de Machine is een bestseller die alom geprezen wordt als een spiritueel handboek om onze menselijkheid te bewaken in een tijd van doorgedreven technologisering. Zo’n handboek hebben we ongetwijfeld nodig. Maar als menselijkheid niet langer als vanzelf met praktische empathie en werkelijke solidariteit verbonden wordt, dan maak ik me toch zorgen. Ik heb er weinig mee om Tegen de Machine een ‘fascistisch’ boek te noemen. Maar verwerping van de democratie, irrationalisme, fascinatie met mythe en traditie, antimodernisme, en afkeuring van alle vormen van “afwijkende” seksualiteit… we weten intussen wel waar dat naartoe kan gaan. Ik verwacht niet dat Kingsnorth de wapens zal opnemen om de democratie af te schaffen en een traditionalistische staat te stichten. Maar of hij zich zou verzetten wanneer anderen dat doen? Ik vraag het me oprecht af. Wellicht zegt dat genoeg.

Lieven De Maeyer

Lieven De Maeyer is onderzoeker aan de Universitat Pompeu Fabra in Barcelona. Hij promoveerde in 2025 aan de Radboud Universiteit op de doorwerking van de mystieke traditie in de moderne beeldende kunsten, met name op het quiëtisme in Frankrijk en het surrealisme. In 2018 publiceerde hij de vertaling en bloemlezing Simone Weil. Leven op de rand van de wereld.

Bestel Tegen de machine bij onze partner Boekenwereld

Cover van Tegen de machine

In ‘Tegen de machine’ presenteert dichter en schrijver Paul Kingsnorth een originele beschrijving van het technologische-culturele web dat ons omhult. Het vergt inspanning om in het angstaanjagende tijdperk van de Machine werkelijk mens te blijven. Paul Kingsnorth laat met meesterlijk inzicht in de wortels van het technokapitalisme zien hoe de Machine, onder de vlag van vooruitgang, de westerse beschaving heeft verstikt en de aarde vernietigt. Schrijvend in de traditie van Wendell Berry, Jacques Ellul en Simone Weil, herinnert Kingsnorth ons aan wat menselijkheid vereist: een gezonde achterdocht tegenover gevestigde macht, verbondenheid met land, natuur en erfgoed en diepgaande aandacht voor spiritualiteit.


Schrijf je in voor de nieuwsbrief

Wil je op de hoogte blijven van Theologie.nl? Schrijf je dan in voor onze wekelijkse nieuwsbrief. Daarin selecteren we de mooiste, nieuwste en scherpste artikelen van de week. Ook houden we je op de hoogte van nieuwe boeken, speciale events en De theologie podcast. 

Word lid van Theologie.nl 

Wil je meer artikelen kunnen lezen over boeken, levensvragen, maatschappelijke thema’s en spiritualiteit? Word dan lid van Theologie.nl en sluit een basisabonnement af vanaf €5,83 per maand. 

Wellicht ook interessant

Writer Paul Kingsnorth at his home outside Portumna, County Galway, Ireland on August 29, 2025.
Writer Paul Kingsnorth at his home outside Portumna, County Galway, Ireland on August 29, 2025.
None

Paul Kingsnorth: “AI is niet zomaar een nieuwe technologie”

Kunstmatige intelligentie verandert ons leven ingrijpend. Het is onderdeel van een alles overkoepelende ‘Machine’ waarin technologie, kapitalisme en culturele ontworteling een giftige mix vormen. Ons mens-zijn staat op het spel. Dat stelt Paul Kingsnorth zonder reserves in zijn boek Tegen de Machine. Op latere leeftijd bekeerde Paul Kingsnorth zich tot het christelijk geloof en sloot zich aan bij de orthodoxe kerk. Maartje Amelink legde hem enkele vragen voor over geloof, AI en het ultieme doel van big tech.

Writer Paul Kingsnorth at his home outside Portumna, County Galway, Ireland on August 29, 2025.
Writer Paul Kingsnorth at his home outside Portumna, County Galway, Ireland on August 29, 2025.
None

Paul Kingsnorth: “AI is not just another technology”

Artificial intelligence is fundamentally changing our lives. It is part of an all-encompassing ‘Machine’ in which technology, capitalism, and cultural uprooting form a toxic mix. Our humanity is at stake. This is what Paul Kingsnorth argues in his book Against the Machine. Later in life, Paul Kingsnorth converted to Christianity and joined the Orthodox Church. Maartje Amelink put a few questions to him about faith, AI, and the ultimate goal of Big Tech.

Nieuwe boeken