Menu

Basis

De tucht als zelfreinigend vermogen van de kerk

Bij het kerkelijke begrip ‘tucht’ krijgen we al gauw een nare smaak in de mond. Is dat terecht? Hoe zouden we het naar de bedoeling kunnen verstaan?

Drs. Y. Horjus is emeritus-predikant van de Unie van Baptisten Gemeenten in Nederland. Hij werkt aan de Theologische Universiteit in Kampen aan een proefschrift over het draagvlak van de tucht. Eerder is hij werkzaam geweest als docent en rector van het Baptisten Seminarium in Nederland.

De tucht is iets van het verleden in heel veel kerken. Als mensen er nog iets van weten, zijn de herinneringen meestal niet positief. Dan komen verhalen op van een stelletje dat moest trouwen en voor het front van de hele gemeente schuldbelijdenis moest doen. In die tijd vervulde het mensen in de kerk met gêne, want andere zonden bleven vaak onbenoemd.

Biecht en tucht waren instrumenten om kerk en gelovigen te schonen van zonden

Met de tucht werd selectief omgegaan. Het waren de zonden tegen het vierde en zevende gebod waartegen vooral werd opgetreden. Daardoor heeft de tucht een slechte naam gekregen en heeft zogezegd een imagoprobleem. Zeker onze tijd, met zijn nadruk op keuzevrijheid en afkeer van groepsdwang, heeft ervoor gezorgd dat de tucht als middel om mensen in het gareel te houden aan betekenis heeft verloren. Het woord tucht roept nu enkel verlegenheid op.

Relevantie van de tucht

Toch moet het ergens wel betreurd worden dat de tucht een relikwie is geworden. Samen met de biecht was de tucht een geducht instrument om de kerk en de gelovigen op te schonen van zonden en tekortkomingen waarvan zij als volgelingen van Jezus soms last hebben. Hoewel de biecht alleen nog binnen de Rooms-Katholieke Kerk een factor van betekenis was, is het gebruikmaken van dit sacrament ook daar zienderogen afgenomen. In het licht van de huidige misbruikschandalen zegt men: was het zelfreinigende vermogen van de kerk er nog maar geweest! Hoeveel narigheid had niet voorkomen kunnen worden? Nu kon het voortwoekeren zonder dat er ingegrepen werd. Ik doel nu niet alleen op de RK-wereld, maar ook op die van bijvoorbeeld de evangelische christenheid, waar #MeToo-verhalen ook steeds meer opduiken. Voorgangers van (mega)gemeenten konden zich vrijheden ten opzichte van vrouwen veroorloven die ontoelaatbaar zijn. Hoe zou het zijn geweest als de biecht en de tucht op een gezonde manier nog hadden gefunctioneerd?

KNVB

In de kerk is tucht zo langzamerhand een vies woord geworden. Bij dat woord hebben we akelige gevoelens. Maar het vreemde is dat de KNVB ongegeneerd over een tuchtcommissie praat en zo’n commissie rode kaarten laat omzetten in een straf waarbij een voetballer voor een aantal wedstrijden wordt geschorst. Daar doen ze niet zo moeilijk over: tuchtcommissie! Het is een doodnormaal woord. Wij als mensen van de kerk willen dat woord zelfs niet uitspreken, zozeer lopen ons de koude rillingen over de rug, maar ook allerlei beroepsgroepen hebben tuchtcolleges, waar soms sancties worden opgelegd aan mensen die in de medische stand of bij de advocatuur ernstige missers hebben gemaakt. Ook dáár is het een doodnormale zaak. Tucht. Goed, okay, maar in de kerk?

Tucht is trekken

Het is verklaarbaar, maar toch ook wel vreemd dat dat woord tucht in de kerk zo’n negatieve klank heeft. Het is meestal verbonden met straf. Voor velen is het onbekend dat tucht van het werkwoord ‘tijgen’ komt? En dat betekent niets anders dan trekken. De bijbelse betekenis is dan ook een heel positieve: er wordt aan mensen getrokken! Om hem of haar binnenboord te houden. Hem of haar te bewaren bij het geloof in Jezus. Tucht is verwant met tocht. Als iemand zegt: ‘het tocht hier’, zegt hij met andere woorden: ‘het trekt hier’. In bepaalde delen van Nederland zegt men dat nog steeds op deze manier. Zo zijn er meer woorden die dat ‘trekken’ in zich verborgen hebben: uittocht, intocht, optocht en ook toogdag. Op een toogdag trok je naar een plek voor een feestelijke bijeenkomst.

Tucht komt van ‘tijgen’ en betekent niets anders dan trekken…

Niet iets marginaals

Tucht is dus een positief woord. Maar het woord van Jezus in Matteüs 18:15-18 heeft toch eerlijk gezegd voor ons iets ongemakkelijks. Want er staat toch wel degelijk het woord ‘bestraffen’. Liever gaan we er met een grote boog omheen. Als kinderen van onze tijd hechten we sterk aan onze privacy en vinden het ook belangrijk dat een ander dat doet. We noemen dat de geest van het postmodernisme waarin we allemaal gedrenkt zijn. ‘Indien uw broeder zondigt…’, staat er. Jezus roept ons ergens toe op. In het geval van zonde moeten we niet wegkijken, maar handelend optreden, zegt Hij. In het Matteüs-evangelie wordt slechts twee maal over de gemeente gesproken en beide keren gaat het om de tucht. In hoofdstuk 16 krijgt Petrus de sleutels van het Koninkrijk uit handen van Jezus en in hoofdstuk 18 volgt een beschrijving van een procedure als iemand het spoor van het Koninkrijk en de weg van de navolging is kwijtgeraakt. Ik ben ervan overtuigd dat het niet iets marginaals is en dat de tucht volgens Jezus niet een klein ‘dingetje’ is en nagenoeg verwaarloosbaar, maar dat het wezenlijk behoort tot het gezonde functioneren van de gemeente.

Jezus zegt: ‘Indien uw broeder zondigt, ga heen en bestraf hen onder vier ogen’

Is zonde nog een thema?

Nu komen we op een volgend punt: ook het woord ‘zonde’ bezorgt ons een onplezierig gevoel. Het wordt ons koud om ons hart. We hebben het in onze kerkdiensten het liefst over genade, over barmhartigheid, over ontferming. Daar worden we warm van, maar zonde…? Ik heb stellig de indruk dat het woord zonde ook niet meer zo populair is. Dat was vroeger misschien wel anders. Er is een tijd geweest dat er gehamerd werd op de zondige staat van mensen, maar nu – afgezien van wat we noemen de gereformeerde gezindte en met name de bevindelijke variant daarvan – hoor je er nauwelijks meer een preek over. Ja, terloops nog wel, bij wijze van opstap naar de genade, maar zonde is niet een thema dat nog wordt uitgediept.

Verkeerd vertaald?

En dan zegt Jezus hier: ‘Indien uw broeder zondigt, ga heen en bestraf hem onder vier ogen’. Brr, is dat werkelijk wat er staat? Bestraf hem? Mij niet gezien, wie ben ik dat ik iemand anders ga bestraffen? Daar heb ik de moed niet voor. Daar heb ik geen zin in. Kan dat woord niet een verkeerde vertaling zijn? Kan het nog ánders worden gelezen vanuit het Grieks? Sommige andere vertalingen geven ‘terechtwijzen’. Dat klinkt iets prettiger misschien dan ‘bestraffen’, maar inhoudelijk schieten we er niet veel mee op. Er blijft staan dat wij als kinderen van de Heer de taak hebben om iemand op zijn of haar gedrag aan te spreken.

In de weerstand schieten

Onze tijd is een tijd van verdraagzaamheid en tolerantie. Wij geven elkaar in onze samenleving de ruimte voor eigen opvattingen en levensstijlen. Onze tijd is ook een tijd van individualisme en pluriformiteit. Elk individu heeft zijn eigen waarheid en niemand mag hem daarin te na komen. In dat klimaat past het gewoon niet dat iemand dan tegen je zegt dat je tekortschiet, er naast zit of dat je zondigt. En natuurlijk zijn wij kinderen van onze tijd. Wij hebben daar als volgelingen van Jezus, die samen zijn gemeente vormen, ook iets van meegekregen. Wij zouden het allemaal moeilijk vinden als er plotseling iemand uit de kerk op ons afstapt en zou zeggen: ‘er is iets in je gedrag waar ik zorgen over heb en dat tegen het evangelie ingaat’. We schieten dan onmiddellijk in de weerstand. We voelen dat als een aantasting van ons privédomein, als een inbreuk op onze zelfstandigheid en autonomie. We maken zelf wel uit wat goed voor ons is en dat er misschien iets scheef zit, hoeft een ander ons niet te vertellen. Dat is iets tussen God en ons. Daar heeft niemand zich mee te bemoeien. We vinden het eigenlijk wel prima dat ieder in de gemeente voor zichzelf, samen met God, moet uitmaken wat goed of fout is. We hebben geen behoefte aan een moraliserende kerk die overal z’n neus in steekt.

Andere kant opkijken

We zijn juist blij dat we daar van af zijn. We hebben geen betutteling en bevoogding van bovenaf of van elkaar nodig. We geven de ander de ruimte en claimen tegelijk ruimte voor onszelf. Dus een situatie als in Matteüs 18, waarin de ene broeder de andere broeder (m/v) vermaant en terechtwijst, zou wat ons betreft niet mogen voorkomen. We moeten respect opbrengen voor de gestalte die ieder voor zichzelf aan zijn christen-zijn geeft, zeggen we dan. Toch kunnen we bij al ons respect voor iemands privédomein soms moeite hebben met een bepaalde houding of bepaald gedrag. In dat geval hebben we geleerd om dan maar een andere kant op te kijken. Want terechtwijzen, nee, dat doen we toch maar niet.

Het geloof is alleen te beleven in gemeenschap met andere gelovigen

Er-voor-elkaar-zijn

Als er één ding duidelijk wordt bij het lezen van het Nieuwe Testament dan is dat in ieder geval dit: het woordje ‘elkaar’, dat kenmerkend is voor het leven van de gemeente, betekent niet alleen dat wij er mét elkaar zijn in de gemeente, maar ook dat wij er vóór elkaar zijn. Het eerste, het met-elkaar-zijn, heeft te maken met de eenheid en de verbondenheid in de gemeente en het tweede, het er-voor-elkaar-zijn, met onze verantwoordelijkheid voor elkaars geestelijke welzijn. Het één is met het ander gegeven. Wij kunnen niet op onze allerindividueelste manier geloven. Het geloof is alleen te beleven in gemeenschap met andere gelovigen. Geloven doe je niet op je eentje. Geloven is inclusief. Als iemand de weg van de zonde opgaat, is het de taak van de anderen hem of haar te bestraffen, te vermanen en terecht te wijzen.

Blokkade in de geloofsgroei

Sommige mensen vragen zich misschien af welk belang er nu mee gediend is om elkaar in de gemeente te vermanen en terecht te wijzen. Waarom laten we elkaar niet gewoon met rust en laten we ieder in z’n waarde? Waarom moeten we zo nodig elkaar terechtwijzen? Kortgezegd komt het hierop neer: als er zonde in ons leven is, vormt die een blokkade in onze geloofsgroei. En omwille van deze geloofsgroei, moeten wij elkaar op die zonde aanspreken.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken