De uitzuivering van het verlangen
Over het belang van Jan van het Kruis voor de persoonlijke spirituele zoektocht
Marianne Vonkeman laat zien welke rol gematigdheid speelt in Donkere nacht van Jan van het Kruis. Hij onderscheidt daarin drie fasen: de weg van de beginners, de gevorderden en de volmaakten. Gaandeweg maakt het actieve streven van de mens naar God plaats voor een meer aandachtige en ontvankelijke houding.
Hartstochtelijke gematigdheid
Ik groeide op in een gereformeerde omgeving van gematigde spiritualiteit – dat soms ook wel matige spiritualiteit betekende. Daarna kwam ik in de pinksterbeweging waar met hartstocht werd geloofd. Al was die spiritualiteit soms meer hartstocht dan spiritueel. Tenslotte kwam ik terecht op een derde weg, eentje die ik niet zelf koos, maar die me overkwam. Misschien kun je dit ‘de weg van hartstochtelijke gematigdheid’ noemen. Jan van het Kruis beschrijft in zijn boek Donkere nacht heel fijnzinnig hoe dat in zijn werk gaat.
Twee nachten
De Spaanse monnik Jan of Johannes van het Kruis (Juan de la Cruz) schreef in 1579 het gedicht En una noche oscura, ‘In een donkere nacht’. Het is een poëtische beschrijving van de ontmoeting van twee geliefden, als beeld van de geloofsweg. Later schreef hij op verzoek verschillende commentaren erbij om de betekenis uit te leggen, al kwam hij nooit veel verder dan de eerste paar regels. God trekt de mens naar zich toe door middel van twee ‘donkere nachten’. De nacht van de zinnen en de nacht van de geest, zo legt hij uit in zijn boek Donkere nacht (Uitg. SUN, Carmelitana, 2001, vertaling Cees Bartels, Marike Meijer, Kees Waaijman).
De ontmoeting van twee geliefden, als beeld van de geloofsweg
Niet geschikt
Hier gaat het om de gedachte dat de mens wel bestemd is voor de omgang met God, maar niet van nature in staat is die omgang te verdragen en ervan te genieten. Er is omvorming nodig. De zinnen en de geest van de mens hebben behoefte aan uitzuivering. Met humor en scherpte laat Jan van het Kruis zien hoe wij voortdurend God op onze maat snijden en daarmee een werkelijke vereniging onmogelijk maken. Het beeld (de ervaring, het gevoel of de overtuiging) dat ons in eerste instantie aantrok in God of Jezus, is precies waardoor we blijven hangen.
Voor wie
Hij gaat ervan uit dat zijn lezers oprecht naar God verlangen en hun best doen om zoveel mogelijk deugdzaam te leven. Als je niet serieus bent in je verlangen naar de omgang met God, dan heb je eerst nog een bekering nodig. Pas daarna kun je verder, maar je bent in ieder geval begonnen. Dat is de eerste groep waar hij voor schrijft, de ‘beginnelingen’. Die wil hij op weg helpen naar ‘gevorderden’. ‘Volmaakten’ zijn er niet veel. Tegen de tijd dat ze daar aangekomen zijn, zijn ze al gaan hemelen, dus daar valt niet veel over te zeggen.
Voor de beginners
Je begint met plezier in het geloof, in de ontdekking van een liefdevolle God die je bij name kent, je koestert, naar je verlangt. Als een verliefdheid die een brug slaat tussen twee aanvankelijk onbekenden voor elkaar. Maar na verloop van tijd begint dat geluk te verdwijnen, met een goede reden. Dit proces noemt hij: ‘de nacht van de zinnen’. Hij vergelijkt God met een liefhebbende moeder die eerst haar hulpeloze kind verwarmt aan haar borst en voedt met kostelijke melk. ‘Maar hoe groter het wordt, hoe meer God het koesteren achterweg laat en haar tedere liefde voor het kind verbergt. Ze bestrijkt haar zoete borst met bitter aloësap, houdt het kind niet langer op de arm, maar laat het op eigen benen staan, zodat het de eigenschappen van een kind verliest en zich zal wijden aan grotere en wezenlijker zaken.’
Als een verliefdheid die een brug slaat tussen twee onbekenden voor elkaar
De onvolmaaktheden
Waar gaat het om in deze nacht? Je kunt je vol enthousiasme naar God keren, maar dat wil niet zeggen dat je je eigen ondeugden goed in de gaten hebt. Die hebben een misvormende werking op de godsrelatie. Jan van het Kruis gaat ze langs: hoogmoed (vaak verborgen in een vroom jasje), geestelijke hebzucht (almaar meer boeken, heilige voorwerpen, vrome afbeeldingen enz.), wellust (het geestelijke op een zinnelijke manier ontvangen), toorn (snel geïrriteerd als je niet krijgt wat je zoekt, en vooral boos op de fouten van anderen), gulzigheid (steeds weer naar ervaringen zoeken), afgunst (een ander wordt gezegend maar jij niet) en traagheid (als je niet krijgt wat je wilt, haak je af). Maar, zo zegt hij, ‘hoe de beginner zich ook oefent om al deze aandriften en hartstochten in zich te doen afsterven, het lukt nooit geheel en al, of grotendeels, totdat God het op passieve wijze volbrengt door middel van de loutering van deze nacht.’
Verduistering
Jan van het Kruis gaat uit van de klassieke indeling van een mens. Mensen hebben een zinnelijk deel: ze verbinden zich met de wereld door middel van hun zintuigen. Het geestelijke deel van een mens bestaat uit diens wil, verstand en geheugen. Daarboven uit, (of nog dieperliggend) is het aanraakpunt van God en de ziel, waar niemand bij kan behalve God zelf. Om geschikt te worden voor de vereniging met God moeten de natuurlijke werkingen van zinnen en geest verduisterd worden. Dan pas kan de ziel God ontvangen op de wijze van God, en niet op menselijke wijze. Want ‘God is geest’, zegt Jezus, ‘en wie Hem aanbidden moeten hem aanbidden in geest en waarheid’ (Joh.4:24).
Daarboven is het aanraakpunt van God en de ziel
Genot en verstand
Aan het genot dat God geeft, neemt de zinnelijkheid deel, zegt Jan van het Kruis. Er komen vaak ‘opwellingen, gevoelens en zinnelijke gemoedsbewegingen’ bij. Heel herkenbaar als je ooit actief was in de pinksterbeweging. Lang geleden schreef ik er al iets over.
Maar, zo zegt hij, dan wordt God op onvolmaakte wijze ontvangen. Niet omdat er iets mis is met de zinnen, maar omdat er iets gegeven wil worden dat boven alle zinnen uitgaat. Het lijf mag en moet meedoen, want God wil bemind worden met ‘heel je hart, je ziel, je kracht, en heel je verstand’. Maar dat liefhebben mag op geestelijke wijze gaan gebeuren.
Sommige mensen hebben niet veel gevoel als het over God en zijn nabijheid gaat. Hun geloof is een zaak van moraliteit en redelijkheid. Dat herken ik uit mijn gereformeerde jeugd. Maar ook dat is God op onvolmaakte wijze ontvangen. Niet omdat er iets mis is met deugden en de ratio. Maar wel omdat ze niet samenvallen met God die zichzelf wil meedelen, zoals geliefden dat nu eenmaal wensen. ‘Alsof je God wil afmeten naar de maat van je bevattingsvermogen’, schrijft hij.
Nooit gezien of gehoord
‘Wat het oog niet heeft gezien en het oor niet heeft gehoord, wat in geen mensenhart is opgekomen, dat heeft God bestemd voor wie Hem liefheeft.’ (1 Korintiërs 2:9). Hier gaat het om, op de geestelijke weg. Wat God wil geven gaat uit boven alles wat we kunnen voelen of denken. Als je pas begint op de weg met God, staat je omgang met God nog dicht bij de eigenliefde en eigen smaak, maar ‘God wil hen bevrijden van de ontoereikende werking van de zinnen en het redeneervermogen, waarmee ze op zo’n beperkte en ongeschikte wijze bezig zijn God te zoeken’. God wil hemels voedsel geven, manna uit de hemel, maar wij zijn als de Israëlieten die mopperden op de smaak ervan (Numeri 11). Ons gehemelte moet nog worden aangepast aan de subtiele smaak van dit hemels voedsel. Dat doet hij door weg te nemen wat ons eerst aantrok.
Wat God wil geven, gaat uit boven alles wat we kunnen voelen of denken
De nacht van de zinnen
Dorheid is het kenmerk van deze nacht, al blijven er momenten dat God zich laat voelen, want anders hield je het niet vol. Niets spreekt je meer aan, niet in het gewone leven, maar ook niet in je leven met God. Dat laatste maakt je niet onverschillig (want dat is een teken van lauwheid) maar juist ongerust: ben je van je geloof gevallen? Doe je God tekort doordat je geen enthousiasme meer hebt? Nee, zegt Jan van het Kruis, God is bezig om het vermogen en de vitaliteit van de zinnen over te brengen op de geest.
Aandacht voor God
Daardoor blijven je zinnen dor en droog maar wordt de geest in volharding en aandacht voor God gesterkt. Daar merk je aanvankelijk niet veel van, maar in je ziel ‘ontwaakt het verlangen naar alleen-zijn en rust, zonder aan iets bepaalds te hoeven of willen denken’. Die innerlijke verkwikking is ‘zo subtiel dat men haar gewoonlijk niet voelt wanneer men haar graag zou willen voelen en er bezorgd om is (-) want zij werkt in het hoogste nietsdoen en de grootste zorgeloosheid van de ziel. Het is als met lucht die ontsnapt wanneer men de hand dichtknijpt.’
Je kunt niet langer, zoals voorheen, over God mediteren of nadenken met begrippen, gevoelens en verbeelding. God begint zich op zo’n manier mee te delen dat het gevoel en het verstand er niet bij kunnen. Als dat je in verwarring brengt, blijf dan stil en aandachtig, zo zegt hij, net als iemand wiens portret geschilderd wordt. Voordat je het weet ontvlamt er een nieuw verlangen naar God dat niet meer terugbuigt naar je eigen behoeften. Werkelijke contemplatie en naastenliefde vloeit er vanzelf uit voort.
Voordat je het weet ontvlamt er een nieuw verlangen naar God dat niet meer terugbuigt naar je eigen behoeften
De nacht van de geest
Sommige mensen overkomt een tweede intenser nacht van grote dorheid en verschraling, die wel jaren kan duren. De eerste nacht leerde je om je prioriteiten te ordenen en je behoeften te matigen zodat je niet meer iets, maar God zelf zoekt. Je relatie met God en met mensen is niet langer een ruilhandel. Maar nu overkomt je iets dat nog dieper gaat. Ingeslepen gehechtheden en gewoontes worden verder ontmanteld. Je hebt niets meer aan vroegere herinneringen, je snapt helemaal niets meer van het geloof, God is verdwenen en nergens meer te vinden.
De geest wordt ontbloot, zegt Jan van het Kruis, ze ‘moet voortgaan in een duister en zuiver geloof. Dit is het geëigende en juiste middel waardoor de ziel wordt verenigd met God’. Deze donkere nacht is ‘een instroming van God in de ziel, wat haar loutert van onwetendheid en onvolmaaktheden.’ De verduistering is in feite de nabijheid van God – maar het voelt als breken, gemis, tekort, falen, verlating. ‘Op deze wijze trekt de nacht de geest uit zijn alledaagse en gewone aanvoelen van de dingen, om hem te brengen tot een goddelijk aanvoelen, vreemd en anders dan elke menselijke wijze van aanvoelen.’
Gods eigen verlangen
Heel langzaam wordt zo het ‘smaken van God’ aangepast. Het verlangen vergroot buitensporig omdat het Gods eigen verlangen wordt. Je menselijk streven naar God wordt veranderd in een aandachtig maar passief ontvankelijk zijn. God zelf gaat het allemaal overnemen, er valt niets meer bij te dragen behalve laten gebeuren wat er gebeurt, open om te ontvangen zonder enig idee erbij.
Heel langzaam wordt zo het ‘smaken van God’ aangepast
Vruchten
Zo komt de ziel tot ‘innerlijke gelatenheid en vrede die zo vol geneugte is, dat het alle begrip te boven gaat (Fil.4:7). Ze wordt binnen gevoerd in de ‘geheime afgrond’ van Gods liefde waar geen taal meer mogelijk is. Ze wordt mateloos in de liefde, gematigd in al het andere. Of zoals Jan van het Kruis het zegt: ‘In deze liefde zal de ziel zeer krachtig liefhebben, met al haar krachten en geestelijke en zinnelijke strevingen. Dat zou niet kunnen als deze zich zouden verstrooien in het genoegen aan iets anders.’ Geloven wordt niet iets dat je doet, maar dat je steeds opnieuw ontvangt. Er is geen houvast, maar dat heb je niet langer nodig. Wie je bent weet je niet meer, maar God weet het en dat is genoeg.
Marianne Vonkeman is emeritus predikant van de Protestantse Kerk in Nederland en sinds jaar en dag verbonden aan Theologie.nl. Ze is redactielid van de redactie Spiritualiteit en beheert de website www.sporenvangod.nl.