Menu

Premium

De voltooiing der tijden

10e zondag van de herfst (Daniël 12,1-4 en Matteüs 24,14-35)

De ‘rede over de laatste dingen’ maakt deel uit van de laatste van vijf (!) redevoeringen die Matteüs Jezus in de mond legt (Mat. 24 en 25). Het rooster laat vandaag de prelude lezen op de dag van het finale oordeel (hoofdstuk 25), die vorige week aan de orde was. Terugkerend motief in hoofdstuk 24: de komst van de Mensenzoon, die naar de overtuiging van de leerlingen samenvalt met de voleinding (Gr.: sunteleia) van de wereld/tijd (Gr.: aioonos, in het enkelvoud – 24,3). Kennelijk is die aanstaande, rakelings nabij (24,34).

Jezus is de enige niet die gefascineerd was door het ‘einde van alles’. De evangelisten waren het ook, tenminste Matteüs, Marcus (hoofdstuk 13) en Lucas (hoofdstuk 21): alle drie namen zij een versie van deze rede op in hun verslag van Jezus’ leven. Op niet mis te verstane wijze schilderen zij de ondergang van alles wat is, hemel en aarde, zon, maan en sterren (Mat. 24,29). Wat vaststond wankelt, wat zeker leek gaat onderuit. De bestaande orde gaat onder groot geraas ten onder. Het vast verloop der natuurlijke orde is niet meer, dag en nacht zijn niet meer wat ze waren, de sterren vallen van de hemel, de maan schijnt niet meer, ieder houvast verdwijnt: het lijkt op de wanorde van vóór de schepping.

Het ‘einde’ nabij

Die onheilspellende redevoeringen hebben één ding opvallend gemeen: dat ze het naderende einde heel dichtbij weten (Gr.: eggus), rakelings nabij. Het duurt niet lang meer: dit geslacht zal niet voorbijgaan, voordat dit alles geschiedt. Wees erop bedacht, waakt! (Marc. 13,37).

Zo is het blijkbaar allemaal bedoeld. Voor nu, niet voor ooit. Niet voor na dit leven, maar voor dit leven zelf. Die dag van toornige voleinding was een dag waarop men hoopte als op de dag van morgen. Want na de duisternis en de wolken, de angst en de vernietiging zou het leven nieuw beginnen. Het moet eerst slechter worden om ooit goed te kunnen worden: geen opgang zonder voorafgaande ondergang. Dan rijst wel de vraag of het evangelie in deze dagen op deze manier verteld een werkelijk vruchtbare boodschap is. Het lijkt zo eerder een voorafschaduwing van de ‘Verelendungstheorie’ van Marx, dat de toestand zó ellendig zal worden, dat de wal het schip vanzelf zal keren.

Het is dichtbij, maar het precieze tijdstip weet niemand. Zelfs de engelen weten het niet, hoewel ook zij niet buitenspel zullen blijven: de machten in de hemelen zullen beven en wankelen.

De generatie die Jezus aanspreekt, is intussen voorbijgegaan zonder dat ‘dit alles is geschied’ (vs. 34). En pakweg zeventig generaties later is het niet anders. Het einde is uitgebleven, de laatste dingen zijn steeds weer de voorlaatste gebleken en hebben zich eindeloos herhaald. Oorlogen en geruchten van oorlogen, volken die tegen volken opstaan, koninkrijken tegen koninkrijken, hongersnoden en aardbevingen (Mat. 24,7; zie ook bij kruis en graf: 27,54 en 28,2) zijn er geweest, te erg soms voor woorden. De gruwel der verwoesting is er in dodelijke overvloed geweest en vindt altijd weer haar overtreffende trap. Ze blijkt erger dan erg te kunnen zijn, die gruwel. Er wordt door de knapste koppen aan gewerkt en ze mag wat kosten. Ze wordt door de wreedste dwazen in praktijk gebracht. Tot op de dag van vandaag, soms zelfs met de corrupte zegen van gewijde priesters: moge Kyrill de Eerste tevens de laatste zijn!

Leer van de vijgenboom

Maar intussen wordt de vijgenboom niet moe zijn les te vertellen en parabel te zijn van wat komen gaat: de zomer (Mat. 24,32). Die is altijd weer gekomen, de zon is blijven schijnen. Ze gaat op over moordenaars en slachtoffers, over onderdrukkers en rechtvaardigen. Wie dagboeken leest van mensen die grote verwoestingen en vernietigende veldslagen hebben meegemaakt, komt vaak de vervreemdende ervaring tegen dat als de rook is opgetrokken en mensen aarzelend uit hun kelders komen, dat dan de vogels fluiten en het lente blijkt: onttakelde bomen lopen uit en de natuur gaat haar gang, het hout van de vijgenboom wordt week.

De synoptici waren de eersten niet, met hun mix van eschatologie en apocalyptische beelden. Lees er Jesaja 24-27 maar op na. Daniël schetste het perspectief van een ultieme verwoesting, ‘een gruwel’ (Dan. 12,11), ‘een vleugel van gruwelen, een verwoester, tot aan de voleinding toe’ (Dan. 9,27). Sefanja schrijft meeslepend over ‘de dag des Heren’: ‘De Heer heeft een offermaal bereid, Hij heeft zijn genodigden geheiligd’ (Sef. 1,7). Daar kan/zal de geschiedenis op uitlopen. Maar Hij zal ook alles van de aardbodem wegvagen: mens en dier, de vogelen van de hemelen, de vissen der zee, ja Hij zal de mensen van de aardbodem uitroeien (Sef. 1,14-18). Die dag is nabij en nadert haastig.

Die dag is er een van verbolgenheid, van benauwdheid en angst, een dag van vernietiging en vernieling, van duisternis en donkerheid, een dag van wolken en van dikke duisternis, van bazuingeschal en van krijgsgeschreeuw. De parallellen met Matteüs zijn onmiskenbaar. Maar het kan nog goed aflopen, als je tot jezelf komt en tot inkeer: ‘Verootmoedig je voordat het gericht komt…’ (Sef. 2,1-3). Keer om – dat is een verschil met de teksten uit het evangelie: Sefanja predikt een laatste kans, de evangelieteksten een Laatste Oordeel.

Die laatste dingen zijn flankerende verschijnselen bij de terugkeer van de Mensenzoon, waarvan de leerlingen menen dat die onlosmakelijk met elkaar samenhangen (Mat. 24,3.30). Het loopt uit op: ‘Zij zullen de Zoon des mensen zien komen op de wolken van de hemel, met grote macht en heerlijkheid’ (Mat. 24,30). De wolk waarin Hij verborgen werd bij zijn hemelvaart, is de wolk die Hem openbaren zal.

Deze exegese is opgesteld door Gerben Westra.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken