De vreemdelinge wordt aartsmoeder van Israël
Bij Ruth 4
‘Het vierde en laatste hoofdstuk van Ruth, dat zich afspeelt in de hitte van de dag, lijkt een kille ontnuchtering na de intieme warmte van het derde hoofdstuk dat zich afspeelde in de koelte van de nacht. Daar was de vlam van de liefde en de opkomende hartstocht. Nu het ‘zover’ is, gaat alles even zakelijk en ambtelijk’ – zo schrijft Thomas Naastepad.[1] Boaz gaat naar de stadspoort en voert daar in aanwezigheid van tien oudsten een gesprek met de andere, nadere losser van Noömi. Hij stelt hem voor om het stuk veld van hun broeder Elimelek van Noömi te kopen. Hij veronderstelt daarbij niet alleen Leviticus 25,23-28, maar ook Deuteronomium 25,5-10 bekend. In feite koppelt hij de koop van het veld aan een zwager- of leviraatshuwelijk met Ruth, de Moabitische schoondochter van Noömi.
De anonieme nadere losser weigert dit laatste met als reden: ‘Anders verspil ik mijn erfdeel’ (Ruth 4,6). Met het gebruik van dit Hebreeuwse werkwoord (sjachat = verspillen, vernietigen, te gronde richten) wordt een toespeling gemaakt op het enige andere verhaal in Tenach waarin het zwagerhuwelijk een rol speelt, over Juda en Tamar. Onan immers ‘verspilde zijn zaad op de grond om zijn broeder geen zaad te geven’ (Gen. 38,9). De nadere losser blijft naamloos, precies omdat hij meent dat hij zijn erfdeel te gronde richt door de naam van zijn broeder (Elimelek) in stand te houden.
Het contract en de huwelijkswens
Boaz spreekt zijn conclusie, het dubbele contract (4,9-10) ten aanhoren van getuigen, niet alleen de tien oudsten, maar ‘heel het volk, als was heel Israël tegenwoordig’ [2] – de NBV vertaalt dit hier tot twee keer toe met ‘alle anderen’, waardoor deze toespeling wegvalt –. In zijn rede spreekt Boaz eerst van het verwerven van wat de Elimelek-familie toebehoort en tenslotte van het instandhouden van de naam van de gestorvene. Net als in Genesis gaat het hier dus om ‘het land’ en ‘de zoon’. In het midden daartussen staat de verwerving van Ruth. Zij, de Moabitische, is de conditio sine qua non. ‘Zonder haar is er geen zoon op het erfdeel, geen volk op het land.’ [3]
‘Heel het volk in de poort en de oudsten’ reageren met een huwelijkswens (4,11-12). Ze wensen Ruth toe dat zij wordt als Rachel en Lea, ‘die twee die het huis Israël bouwden’, dus als een aartsmoeder van Israël. En ze wensen dat het huis van Boaz wordt als dat van Peres, de stamvader van David. In het midden wordt Boaz aangespoord: ‘Handel dan krachtig in Efrata en roep een naam uit in Betlehem!’ ‘Krachtig’ (Hebr.: chajil), zo werden eerder Boaz (2,1) én Ruth (3,11) omschreven. En welke naam moet dan worden uitgeroepen? Volgens sommige vertalingen die van Boaz zelf, maar de plaatsnamen Efrata en Betlehem roepen associaties op met de profetie: ‘En jij, Betlehem Efrata, al ben je klein onder de geslachten van Juda, uit jou zal mij voortkomen degene die een heerser zal zijn in Israël (…)’ (Mi. 5,1). In het vervolg roept Boaz echter géén naam uit, net zoals Micha géén naam noemt.
De geboorte van de zoon en de zegenbede van de vrouwen
Dan volgt het bericht van de zwangerschap en de geboorte van een zoon (4,13). Ruth was als andere aartsmoeders van Israël kinderloos, misschien wel onvruchtbaar, want er waren in de tien jaar van haar eerste huwelijk geen kinderen geboren. Benadrukt wordt dat de geboorte van de zoon een zaak is van JHWH (Ruth 4,13). De wijze waarop het bericht is geformuleerd, lijkt op overeenkomstige berichten in Genesis (bijv. Gen. 29,32), met dit verschil dat de naamgeving hier ontbreekt. Ruth kan hem geen naam geven, omdat hij als de zoon van de Moabitische in Israël moet worden opgenomen.[4]
Dan spreken de vrouwen een zegenbede tot Noömi uit (4,14-17). Zij zeggen dat JHWH haar een losser niet onthouden heeft. Dat ze hierbij niet doelen op het kind, maar op Boaz – waarmee deze losser is van Ruth én Noömi – is aannemelijk als het begrip ‘losser’ hier breder wordt opgevat dan het juridische begrip (Lev. 23), meer zoals in Jesajateksten waarin JHWH zelf optreedt als bevrijder, losser van vrouwe Sion (bijv. Jes. 60,10). Noömi personifieert dan als weduwe het volk dat na de terugkeer uit de ballingschap geen perspectief heeft (vgl. Ruth 1,11) en Boaz personifieert dan JHWH zelf die haar lost. Is het ook niet díe naam, JHWH, die weer moet worden geroepen in Israël (4,14b)? Het zal geen toeval zijn dat die naam achttien keer voorkomt in het boek Ruth, evenveel als die van Boaz.
Obed en David
Vervolgens zeggen de vrouwen in hun bede van het kind, dat hij haar ziel weer zal doen terugkeren en haar in haar grijsheid zal ‘ondersteunen’ (4,15a), dienstbaar zal zijn. Daarmee lopen zij vooruit op de naam die de buurvrouwen hem straks zullen geven (4,17): Obed (= dienend). Tenslotte zeggen zij van Ruth: ‘Je schoondochter, zij die je liefheeft, heeft hem gebaard, zij die goed voor je is, meer dan zeven zonen’ (4,15b). Wat Ruth karakteriseert, is dat zij Noömi ‘liefheeft’. Het is de enige keer dat dit werkwoord in het boek voorkomt en de enige keer in Tenach dat het voor een relatie van vrouwen wordt gebruikt. In plaats van de liefde van een man ontvangt Noömi de liefde van een vrouw en zo ook een zoon. Een zoon die de grootvader zal worden van de Messiaanse koning: David, wiens naam uiteindelijk twee keer klinkt (4,17.22).
Noömi legt dan het kind aan de borst en wordt zijn verzorgster (4,16), als was zij zijn moeder. Vergelijk de klacht van Mozes tot JHWH: ‘Ben ik dan van heel dit volk zwanger geweest, of heb ik het gebaard, dat je tot mij zou kunnen zeggen: Draag het aan je borst, zoals een ‘verzorger’ een zuigeling draagt (…)?’ (Num. 11,12). Ook hier is dus de vergelijking van de huwelijksrelatie van JHWH met zijn volk van toepassing en dus Zijn vader- of moederschap van de zoon, de Messiaanse toekomst.