De wind die door de Schriften waait
Ongrijpbaar als het leven is de Geest. Hoe je het Hebreeuwse roeach en het Griekse pneuma ook vertaalt: adem, storm, inblazing, wind, geest – in de voorwetenschappelijke waarneming is het niets en alles tegelijk. Geest en adem hebben geenmaterie of substantie, maar ze maken wel het verschil tussen leven en dood. Ze zijn het ontastbare wezen van het leven zelf, de manier waarop het leven leeft. Onzichtbaar is de adem, behalve in de gevolgen: de rijzende en dalende borstkas, de wilde flakkering van een vlam die uitgeblazen wordt. En je hoort haar geluid, rustig of hijgend, zoals je de wind hoort in de bomen –maar het is de wind niet zelf, het zijn de bladeren waarin ze rondspeelt. Zo is ook de Geest, je hoort zijn geluid in de stemmen van de mensen, je ziet hem in het reilen en zeilen van de gemeenschap, of je mist hem waar het leven verkilt en verstart. Maar hij, of zij, blijft ons altijd ontsnappen, zelf onzichtbaar, niet te grijpen.