Dies irae, dies illa
10e zondag van de herfst (Sefanja 1,14–2,3 en Marcus 13,14-27)
Dies irae, dies illa – dag des toorns, o deze dag. Deze bekende woorden uit het requiem zijn inhoudelijk geïnspireerd door Sefanja 1,15. De dag des toorns – een synoniem voor de dag des Heren – en zijn betekenis voor Israël en de volkeren is het centrale onderwerp van dit boek. In Marcus’ weergave van Jezus’ gesprek met zijn volgelingen over de tijd van de grote beproeving, klinken de woorden van Sefanja en andere profeten over de dag des Heren op de achtergrond mee.
In zijn sterke focus op de dag des Heren staat Sefanja niet alleen. Het spreken over de dag des Heren vormt een rode draad door de kleine profeten, al is het gebruik van het begrip niet beperkt tot deze groep profeten. In de boeken van de kleine profeten maakt het begrip een eigen inhoudelijke ontwikkeling door. Obadja – historisch de vroegste van de twaalf profeten – zet de toon met zijn vaststelling ‘De dag des Heren is nabij voor alle volkeren’. Deze aankondiging in vers 15 vormt samen met vers 16 de afsluiting van de profetie in de verzen 8-14, over een toekomstig oordeel over Edom. In de laatste verzen (17-21) spreekt Obadja over de op de dag des Heren volgende restauratie van Israël.
Zo ontstaan er bij Obadja twee lijnen: (1) oordeel over degenen die God niet erkennen en (2) de restauratie van Israël. De volgende profeten borduren hierop verder en voegen er zelfs messiaanse aspecten aan toe (Amos 9,11.15; Micha 4,15–5,5). Meer en meer krijgt de uitdrukking ‘dag des Heren’ de trekken van een eschatologisch eindoordeel dat gepaard gaat met geweldige natuurverschijnselen zoals donkerheid, honger of het beven van hemel en aarde. Aan het einde van dit zuiverende oordeel dat zich al dan niet ook over Israël voltrekt, zal God zich ontfermen. Vandaar de oproep die alle twaalf profeten gemeen hebben: ‘Keer om, want de dag van de Heer is nabij!’
De gruwel van de verwoesting
Al dan niet ingegeven door de val van Jeruzalem in het jaar 70 begint Marcus 13 met Jezus’ aankondiging van de verwoesting van de tempel (13,2). Op het moment dat de discipelen hierop terugkomen en om tekenen vragen, gebruikt Jezus dit als aanleiding voor een grote waarschuwing. In wat in veel commentaren de grote apocalyptische toespraak genoemd wordt, roept Jezus zijn leerlingen op waakzaam te blijven, maar bereidt Hij hen tevens voor op vervolging en grote beproeving. Echt erg wordt het echter op het moment dat zij de ‘gruwel van de verwoesting’ (13,14 – HSV) zien staan waar hij niet hoort.
Met het gebruik van deze uitdrukking stelt Marcus Jezus’ waarschuwingen in de context van Daniël. Drie keer wordt deze formulering in Daniël gebruikt (9,27; 11,31; 21,11). In zijn visioenen ziet Daniël hoe een vreemde, goddeloze koning Jeruzalem binnenvalt, de dagelijkse eredienst (de offers) in de tempel stopt en er gruwel plaatst die daar niet hoort.1 Deze ondenkbare daad is telkens het hoogtepunt van de voorspelde verdrukking. Interessant genoeg dient die verdrukking telkens ook als loutering tot aan de tijd van het einde.
Door deze verbale referentie aan de visioenen van Daniël en door de intertekstuele links met Zacharia 13 en 14 – Zacharia spreekt over de vernietiging van de valse profeten, en de loutering van een geheiligde rest voorafgaand aan de dag des Heren – stelt Marcus Jezus’ waarschuwingen in de lijn van de al bekende profetieën over de nabije komst van de dag des Heren.
Meer nog, met deze verwijzingen maakt Marcus duidelijk dat Jezus’ woorden begrepen moeten worden tegen de achtergrond van al het voorafgaande spreken over de dag des Heren, maar dat Jezus hier tegelijkertijd ook nieuwe actualiserende aspecten aan toevoegt. In dit licht gezien bedient Jezus zich met zijn aankondiging van een zons- en maansverduistering voorafgaande aan de dag des Heren van bekende motieven. Nieuw is echter dat Hij dit verbindt met de traditie van de ‘zoon van de mens’.
Zoon van de mens
De uitdrukking ‘zoon van de mens’ vindt zijn oorsprong in Daniël 7,13-14, waar aan deze mythische, op de wolken rijdende figuur de eeuwige heerschappij over de wereld wordt gegeven. Wie deze ‘zoon van de mens’ in Daniël is, is omstreden. In de evangeliën verwijst Jezus met deze titel vaak naar zichzelf. Recepties van deze figuur uit Daniël zijn verder nog te vinden in 1 Henoch 39-71 en in 4 Ezra 13. Hoewel verschillend van aard, tonen zij in hun voorstelling van de ‘zoon van de mens’ een aantal overeenkomsten: het is een pre-existent hemels wezen met een actieve rol in de eschatologische berechting van de goddelozen.
Christologische elementen
Dit gebruik van de ‘zoon van de mens’-traditie brengt een belangrijke twist aan in Jezus’ receptie van het ‘dag des Heren’- motief. Terwijl de eerste van de twee profetische lijnen – het oordeel over degenen die God niet erkennen – duidelijk herkenbaar is, wordt van de tweede lijn – de restauratie van Israël – afgeweken. In Zacharia 14 is het God zelf die, om de gezuiverde rest van Israël te redden, aan het einde van de verdrukking op de Olijfberg gaat staan en daar de volkeren verslaat die tegen Jeruzalem ten strijde trekken. Marcus daarentegen laat Jezus beginnen met diens aankondiging dat in Jeruzalem geen steen op de andere zal blijven. Subtiel verschuift hij zo de fronten. De volgelingen van Jezus treden in de plaats van de geheiligde rest Israëls. Zijn uitverkorenen zijn het die op de dag van de komst van de zoon van de mens verzameld zullen worden.
Deze exegese is opgesteld door Chanan Raguse.
- Daniël maakt nooit expliciet wat deze gruwel precies is. Vergelijkingen met 1 Makkabeeën 1,54 en Josephus (Antiquitates Judaicae 12.5.4) laten zien dat Daniël refereert aan het opstellen van een heidens altaar in de tempel door Antiochus IV Epiphanes, waardoor de tempel ontwijd werd. ↩︎